ECLI:NL:TGZRSGR:2021:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-050

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:10
Datum uitspraak: 05-01-2021
Datum publicatie: 05-01-2021
Zaaknummer(s): 2020-050
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Het College komt tot de conclusie dat beklaagde geen (cruciale) informatie heeft achtergehouden. De volledige rapportage inclusief medische informatie is zeer uitgebreid en omvat voldoende overwegingen omtrent de beschikbare medische informatie, zo ook de informatie zoals ontvangen van de huisarts. Ook is uitvoerig beschreven wat klager en beklaagde tijdens het consult hebben besproken. Voorts heeft beklaagde terecht geoordeeld dat er voor een juiste beoordeling niet meer informatie nodig was. Uit de rapportage is gebleken dat er al recente informatie van verschillende behandelaars lag, dat klager en beklaagde uitgebreid hebben gesproken over de diagnostiek van de behandelaars en dat er derhalve voldoende informatie was om tot een oordeel te kunnen komen. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond verklaard.  

Datum uitspraak: 5 januari 2021

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , verzekeringsarts,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. G.P. van Delft, werkzaam te Amsterdam.

1.              Het verloop van de procedure

1.1           Het verloop van de procedure blijkt uit:

-       het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2020;

-       het verweerschrift met bijlagen.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3              De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 17 november 2020. De partijen, beklaagde bijgestaan door zijn gemachtigde en klager vergezeld van zijn vader, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.              De feiten

2.1           Klager heeft zich vanwege psychische klachten op 15 januari 2014 ziekgemeld voor zijn werk als service-technisch medewerker. Bij de Einde Wachttijdbeoordeling voor de WIA (Wet werk en in komen naar arbeidsvermogen) in januari 2016 is klager volledig arbeidsongeschikt bevonden. Klager is een WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten-uitkering) toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Klager heeft bezwaar en later beroep tegen deze beslissing ingesteld omdat hij vindt dat hij blijvend volledig arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten-uitkering). Dit bezwaar en beroep is ongegrond verklaard. Het hoger beroep is nog in behandeling.

2.2           Op 20 juni 2019 en op 26 augustus 2019 heeft klager nieuwe medische informatie naar het UWV gestuurd. Sinds mei 2019 is sprake van letsel aan de (rechter)elleboog/arm van klager. De nieuwe informatie bevat een specialistenbrief van de orthopedisch chirurg van klager. Dit is door het UWV beoordeeld als een nieuw verzoek om een IVA-uitkering op basis van een gewijzigde medische situatie. Op 15 september 2019 heeft E, arts in opleiding tot verzekeringsarts, de nieuwe informatie beoordeeld op basis van dossierstudie. Zij heeft gesteld dat de functionele mogelijkheden niet zijn gewijzigd en dat deze naar verwachting nog zullen verbeteren. Het IVA-verzoek werd niet gehonoreerd. Verder bleek sprake van een verouderde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

2.3           Beklaagde, werkzaam als verzekeringsarts bij het UWV, werd gevraagd om de benutbare mogelijkheden opnieuw te onderzoeken en het IVA-verzoek te beoordelen. Beklaagde heeft klager op het spreekuur gezien van 13 november 2019. Beklaagde heeft functionele mogelijkheden kunnen vaststellen. Een arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vervolgens niet meer vastgesteld op 80-100% maar op 35-80% (38,52%). Het verzoek om een IVA-uitkering is opnieuw niet gehonoreerd.

3.              De klacht

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij een onjuist verzekeringsgeneeskundig rapport heeft opgesteld. Klager vindt dat er informatie is achtergehouden doordat er belangrijke informatie niet in het rapport is genoemd, hij is het niet eens met de inhoud van dit rapport en hij is van mening dat er ten onrechte geen informatie bij de neuroloog is opgevraagd.  

4.              Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.              De beoordeling

5.1           Het College is van oordeel dat beklaagde niet kan worden verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de zorg die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Hierna zal het College uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.

Achtergehouden informatie

5.2           Klager vindt dat beklaagde cruciale informatie heeft achtergehouden, omdat hij in het rapport niets vermeldt over de medische informatie van de huisarts en over hetgeen tijdens het consult van 13 november 2019 is besproken. Na uitleg van beklaagde ter zitting is gebleken dat cliënten bij het UWV-kantoor te B in beginsel slechts het verzekeringsgeneeskundig deel van de sociaal medische beoordeling krijgen. Dit deel heeft klager bij zijn klaagschrift gevoegd en is beknopter dan de complete beoordeling waar ook het medische deel van het rapport bij zit. Het medische deel van het rapport krijgen cliënten pas toegestuurd nadat zij er zelf om vragen of wanneer zij bezwaar tegen de beoordeling hebben ingediend. Klager heeft ter zitting bevestigd dat de gehele rapportage zoals beklaagde die bij het verweerschrift heeft bijgevoegd, inclusief het medische deel, uitvoeriger en completer is dan het rapport dat hij heeft ontvangen. Desondanks blijft hij het oneens met het rapport.

5.3           Het College komt met bovenstaande uitleg van beklaagde tot de conclusie dat beklaagde geen (cruciale) informatie heeft achtergehouden. De volledige rapportage inclusief medische informatie is zeer uitgebreid en omvat voldoende overwegingen omtrent de beschikbare medische informatie, zo ook de informatie zoals ontvangen van de huisarts. Ook is uitvoerig beschreven wat klager en beklaagde tijdens het consult hebben besproken. Het is jammer dat klager in casu en cliënten van het UWV in het algemeen de volledige rapportage pas ontvangen na indiening van bijvoorbeeld bezwaar tegen het advies of het instellen van een tuchtrechtprocedure. Dit kan, zoals in het onderhavige geval, leiden tot miscommunicatie, onbegrip en misverstanden over het advies. Het College begrijpt echter dat dit een interne beleidsregel is en dat beklaagde hier niet specifiek opdracht voor heeft gegeven. Dit levert dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt op en het klachtonderdeel is ongegrond.

Onjuistheden in het rapport

5.4           Klager vindt dat beklaagde een grove fout heeft gemaakt door in de rapportage te spreken over de linkerarm, terwijl het probleem in de rechterarm zit. Het is het College gebleken dat beklaagde deze ‘onjuistheid’ slechts in de rapportage als passage heeft overgenomen naar aanleiding van de bevindingen van een orthopedisch chirurg in zijn brief van 22 augustus 2019 (‘Conclusie: Cubital tunnel klachten elleboog links’). Deze passage heeft beklaagde naar de letter overgenomen en hij was zich er terdege van bewust dat het om de rechterarm ging. Dit blijkt ook uit het eigen onderzoek van beklaagde en het vervolg van het rapport. Het College acht het juist dat beklaagde in het citaat uit voormelde brief van de orthopedisch chirurg de fout (links in plaats van rechts) heeft laten staan. Duidelijk is dat het om een citaat gaat. Uit het vervolg van het rapport heeft beklaagde correct vermeld dat het om de rechterarm gaat. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.5           Verder vindt klager dat de rapportage haaks staat op de informatie van de huisarts. Dit is het College na lezing van de rapportage echter niet gebleken. De informatie van de huisarts is zeer uitgebreid beschreven en is kenbaar meegenomen in de anamnese, de bevindingen en de beschouwing door beklaagde. De gehele beoordeling is bovendien ook in lijn met de informatie van de andere behandelaars. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.6           Daarnaast zijn volgens klager de bijwerkingen van zijn medicatie onvoldoende in de beoordeling meegenomen. Beklaagde heeft in zijn verweerschrift uiteengezet dat de bijwerkingen van de medicatie tijdens het consult zijn besproken, maar dat de bijwerkingen zoals genoemd in het klaagschrift niet naar voren zijn gekomen. Hier heeft beklaagde dus geen rekening mee kunnen houden. Het College ziet ook hier geen tuchtrechtelijk verwijt in. In de beoordeling komt voldoende het medicatiegebruik van klager naar voren. Dit klachtonderdeel faalt.

Opvragen van nadere informatie

5.7           Klager meent voorts dat beklaagde informatie bij de neuroloog had moeten opvragen. Beklaagde heeft terecht geoordeeld dat er voor een juiste beoordeling niet meer informatie nodig was. Uit de rapportage is gebleken dat er al recente informatie van verschillende behandelaars lag, dat klager en beklaagde uitgebreid hebben gesproken over de diagnostiek van de behandelaars en dat er derhalve voldoende informatie was om tot een oordeel te kunnen komen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.8           De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

5.9           De klacht zal ongegrond worden verklaard.

6.         De beslissing

Het College:

-            verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, P.M de Keuning, lid-jurist, M. Keus, E.G. Ackema en N.K.M. van der Plas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2021.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.