Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2021:61 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/2074-2069-2

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2021:61
Datum uitspraak: 03-09-2021
Datum publicatie: 03-09-2021
Zaaknummer(s): E2021/2074-2069-2
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Vader van door suïcide overleden zoon, maakt verwijten aan gz-psycholoog tevens psychotherapeut over de behandeling van zijn zoon, de overdracht voor waarneming tijdens vakantie, het niet informeren over het onderzoek naar het incident en de melding bij de IGJ, het niet geven van inzage aan klager als nabestaande en de geboden nazorg. Klachtgerechtigheid nabestaande. Beroepsgeheim ten opzichte van de overleden zoon. Processuele impasse door ontbreken patiëntendossier. Inzagerecht voor nabestaanden. Geen zwaarwegend belang. Nazorg fors onder de maat. Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag niet gevolgd. Therapeutische plicht om nazorg te bieden. Deels gegrond. Geen inzicht getoond. Berisping.

Uitspraak: 3 september 2021

 

BESLISSING VAN HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE

VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE EINDHOVEN

over de klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

psychotherapeut

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. R.J.H. van den Dungen te ‘s-Hertogenbosch

1. Het verloop van de procedure

1.1       Om de klacht te kunnen beoordelen, heeft het college de volgende stukken gelezen:

-          het klaagschrift ontvangen op 23 juni 2020

-          de brief van 13 juli 2020 van de secretaris aan klager

-          het aanvullend klaagschrift ontvangen op 12 augustus 2020

-          het verweerschrift

-          de brief van 12 november 2020 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder

-          de fax ontvangen op 24 november 2020 van de gemachtigde van verweerder

-          de brief van 25 november 2020 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder

-          de fax ontvangen op 7 december 2020 van de gemachtigde van verweerder

-          de brief van 29 december 2020 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder

-          een e-mail ontvangen van klager op 4 januari 2021

-          de brief van 1 februari 2021 van de secretaris aan klager

-          de brief met bijlagen ontvangen op 24 februari 2021 van klager

-          de brieven van 1 maart 2021 van de secretaris aan partijen

-          de brief van 13 maart 2021 ontvangen van de gemachtigde van verweerder

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek van 18 mei 2021

-          de brief van 10 juni 2021 met bijlagen ontvangen van klager

-          de brief van 24 juni 2021 met bijlagen ontvangen van de gemachtigde van verweerder.

1.2       Het college heeft de klacht op de openbare zitting van 9 juli 2021 behandeld. Omdat klager ook een klacht heeft ingediend tegen de collega van verweerder (onder dossiernummer E2021/2078-2069b), zijn beide klachtzaken gelijktijdig behandeld. Klager, verweerder en zijn gemachtigde waren daarbij aanwezig. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen, en vragen van het college beantwoord.

2. Samenvatting van de zaak en beslissing

2.1       De zoon van klager, geboren in 1981 (hierna: de zoon), is door zijn huisarts verwezen naar een praktijk voor Basis GGZ en Specialistische GGZ waar verweerder (hierna: verweerder of de psychotherapeut), als psychotherapeut werkzaam is. De zoon heeft zich daar in juni 2019 aangemeld. Het intakegesprek vond plaats op 9 september 2019, waarna de behandeling op 23 september 2019 startte. De zoon ontving per e-mail een ‘mindmap’, ter verduidelijking van het behandelplan. Tijdens een van de vervolggesprekken kondigde de psychotherapeut aan dat hij met vakantie ging en dat de zorg voor de zoon werd overgedragen aan een collega die gz-psycholoog is (hierna: de collega). Deze collega heeft éénmaal, op 29 oktober 2019, met de zoon gesproken over de inhoud van zijn waarneming. Daags na dit gesprek heeft hij de zoon gemaild en hem links toegestuurd naar filmpjes op internet.

In november 2019, de dag voordat het volgende gesprek bij de collega zou plaatsvinden, is de zoon door suïcide overleden. De collega heeft naar aanleiding van dit overlijden contact opgenomen met de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Op 25 november 2019 vond een gesprek plaats tussen klager, zijn ex-vrouw, de psychotherapeut en zijn collega. Klager had de onderwerpen die hij wilde bespreken op een A4-vel genoteerd. Tijdens dit gesprek heeft de psychotherapeut aangegeven dat hij gebonden is aan zijn beroepsgeheim ten opzichte van de zoon en daarom niet veel kon vertellen over de behandeling van de zoon. Klager heeft op 7 januari 2020 een e-mail van de psychotherapeut ontvangen waarin staat vermeld: “(…) Gisteren heb ik een telefonisch onderhoud met uw ex-vrouw gehad. Kort samengevat komt het hierop neer dat wij geen vervolg gesprek met u beiden zullen hebben.  Een tweede gesprek is niet zinvol, aangezien alles wat er gezegd kon worden wat ons betreft aan de orde is geweest, en dat wij uw zienswijze hebben gehoord. (…)”

2.2       Dat de zoon van klager in 2019 is overleden, is voor klager een zeer ingrijpende gebeurtenis (geweest). Klager is ontevreden over de wijze waarop de psychotherapeut met zijn zoon is omgegaan en vraagt zich af of er een verband is tussen de diagnostiek, de behandeling en de suïcide. Dit deel van zijn klacht heeft betrekking op zowel de wachttijd totdat met de behandeling werd gestart, als op de behandeling zelf. Klager is daarnaast ontevreden over de geboden nazorg na het overlijden van de zoon en klaagt over de kille wijze waarop de psychotherapeut met klager (en zijn ex-vrouw) is omgegaan.

2.3       De psychotherapeut heeft zich ten eerste op het standpunt gesteld dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het geval het college dit verweer niet volgt, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de klacht ongegrond moeten worden verklaard.

2.4       Het college oordeelt dat de klacht ontvankelijk is en dat de verwijten van klager deels gegrond (wat de nazorg aan klager betreft) en deels ongegrond (wat de aanmeldfase en de behandeling van de zoon betreft) zijn. Hieronder legt het college de beslissing uit.

3. Uitleg van de beslissing

3.1       Is klager ontvankelijk in zijn klacht?

De psychotherapeut stelt zich op het standpunt dat het gedeelte van de klacht dat over de aanmeldfase en de behandeling van de zoon gaat, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het college volgt dit standpunt niet. Het is vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege (CTG) dat het recht van een naaste betrekking om een klacht in te dienen over de behandeling van een overleden patiënt is afgeleid van de veronderstelde wil van de patiënt. Het is tevens vaste rechtspraak (zie ECLI:NL:TGZCTG:2015:372) dat het niet de taak van de tuchtrechter is om in een zaak waarin een naaste van een overleden patiënt een klacht indient, ambtshalve te onderzoeken of deze de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Dit betekent dat een klacht van een (directe) nabestaande in beginsel het oordeel rechtvaardigt dat die klager de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Er kunnen echter bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven hieraan te twijfelen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het college niet gebleken. Integendeel: ten tijde van zijn behandeling bij de psychotherapeut woonde de zoon bij klager en heeft de zoon met klager over zijn behandeling gesproken. De zoon heeft - onder meer - de e-mailwisseling tussen hem en verweerder en zijn collega met klager gedeeld.

Dit betekent dat klager in zijn klacht ontvankelijk is en het college deze inhoudelijk zal beoordelen.

3.2        De klacht

De verwijten van klager betreffen - samengevat - (1) de behandeling van de zoon, (2) de overdracht aan de collega voor waarneming van de behandeling tijdens vakantie, (3) het niet informeren van de nabestaanden over het onderzoek naar het incident (de suïcide) en de melding hiervan bij de IGJ, (4) het niet voldoen aan de KNMG-richtlijn over inzagerecht voor nabestaanden en (5) de geboden nazorg.

Het college beoordeelt of deze verwijten al dan niet terecht zijn door te toetsen of het beroepsmatig handelen van verweerder binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. De professionele standaarden en richtlijnen van de beroepsorganisatie van verweerder worden hierbij betrokken.

3.3.      De inhoudelijke beoordeling

3.3.1    De behandeling van de zoon

Wachttijd

De klacht over de onzorgvuldige behandeling van de zoon onderbouwt klager door allereerst te wijzen op de te lange wachttijd in de aanmeldfase.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in de geestelijke gezondheidszorg al geruime tijd sprake is van (lange) wachttijden. Dat er ook in de praktijk van verweerder wachttijden gelden, kan verweerder dan ook niet persoonlijk worden aangerekend. Op de website van zijn praktijk staat onder meer vermeld welke wachttijden er zijn. Ook staat aangegeven wat te doen als degene die de hulp zoekt de wachttijd te lang vindt.

Mindmap

Daarnaast wijst klager op de vermelding van de verkeerde voornaam in de op 12 oktober 2019 aan de zoon toegezonden mindmap. Verweerder heeft erkend dat het schrijven van de verkeerde voornaam in de mindmap een vergissing was. Vast staat dat hij daarvoor zijn excuses aan de zoon heeft aangeboden. Het college is van oordeel dat deze onjuiste vermelding weliswaar onhandig was, maar dat een vergissing als deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

Hulpvraag en -aanbod

Tot slot stelt klager dat verweerder de hulpvraag van de zoon niet of onjuist heeft beantwoord. De vraag of de psychotherapeut de hulpvraag van de zoon juist (door het inzetten van een passende behandeling) heeft beantwoord, kan het college niet beoordelen zonder inzage in het patiëntendossier. Daarin zal immers staan wat de inhoud van de verwijsbrief van de huisarts was, wat de aanmeldklachten waren, welke diagnose de psychotherapeut heeft gesteld en welke therapie hij heeft ingezet. De psychotherapeut heeft zich op het standpunt gesteld dat hij vanwege zijn beroepsgeheim zonder toestemming van de zoon deze stukken niet over mag leggen. Hij heeft ook geen gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid (artikel 67 lid 3 Wet BIG) om, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, het inzagerecht van klager te beperken. Het college kan verweerder niet dwingen om op deze of andere wijze het dossier in het geding te brengen. Klager op zijn beurt heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 7:458b BW biedt - en waar hij in het vooronderzoek expliciet op is gewezen - om inzage in het dossier door een onafhankelijke arts te bewerkstelligen. Klager heeft ter zitting bevestigd dat hij deze mogelijkheid niet wil gebruiken, mede omdat hij het dossier niet nodig heeft om de klachten te motiveren. Het college kan klager niet dwingen om deze weg te bewandelen.

Met behulp van het dossier had klager wellicht zijn klacht op dit onderdeel beter kunnen onderbouwen. Het feit dat deze onderbouwing thans niet mogelijk is dient echter, gelet op de hiervoor genoemde processuele impasse, voor rekening van klager te komen.  

Omdat klager er aldus niet in is geslaagd zijn klacht over de onjuiste of onzorgvuldige behandeling van zijn zoon te onderbouwen, zal het college dit onderdeel van de klacht ongegrond verklaren.

3.3.2.   De overdracht in verband met vakantie

Vast staat dat de psychotherapeut de zoon heeft geïnformeerd over zijn naderende afwezigheid wegens vakantie en over de waarneming in die periode door zijn collega. Er heeft daarna een gesprek van de zoon met de collega plaatsgevonden en er is e-mail contact tussen hen geweest. Of er ten behoeve van deze waarneming sprake was van een voldoende professionele en inhoudelijke overdracht kan het college, wederom bij gebreke van het patiëntendossier, niet beoordelen. Dit klachtonderdeel moet om die reden dan ook ongegrond worden verklaard.

3.3.3.   Het niet informeren over het onderzoek naar het incident en de incidentmelding 

De collega van verweerder heeft de suïcide in november 2019 telefonisch bij de IGJ

gemeld. Verweerder stelt dat er vervolgens een intern onderzoek (door een team van collegae psychologen/psychotherapeuten uit de eigen praktijk) heeft plaatsgevonden, en een dossieronderzoek door een gz-psycholoog van een andere zelfstandige praktijk.

De conclusies van deze onderzoeken luiden dat er geen verband is tussen de suïcide en de kwaliteit van de door verweerder en zijn collega verleende zorg. Verweerder verwijst hiervoor naar de bijlagen bij zijn brief van 24 juni 2021 aan het college. Klager stelt dat verweerder gehouden was om hem als nabestaande te informeren over deze melding aan de IGJ en over het interne onderzoek. Volgens hem is er sprake van een incident als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De definitie van een incident is: "een niet beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de cliënt.” (artikel 1.1 Uitvoeringsbesluit Wkkgz). Artikel 10 lid 2 Wkkgz bevat inderdaad de verplichting de nabestaande van een overleden cliënt mededeling te doen van de aard en toedracht van een incident bij de zorgverlening. Verweerder heeft echter gemotiveerd weersproken dat er sprake was van een incident in deze zin en van een meldingsplicht. Hij stelt dat de collega op zijn advies, onverplicht, de IGJ gebeld heeft omdat hij niet wist hoe te handelen. Het college overweegt dat suïcide een incident kán, maar niet hoeft te zijn. Doorslaggevend is het antwoord op de vraag of het incident plaatsvond bij de zorg of betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg. Ook deze vraag kan het college niet beantwoorden zonder de beschikking te hebben over het patiëntendossier. Het college kan daardoor evenmin oordelen over de vraag of klager als nabestaande geïnformeerd had moeten worden. Om die reden is ook dit onderdeel van de klacht ongegrond.

Het college voegt hieraan toe dat het geen waarde hecht aan de conclusies uit het interne onderzoek en het dossieronderzoek door een derde gz-psycholoog die verweerder heeft overgelegd. Deze uiterst summiere verklaringen geven geen enkel inzicht in de onderzoeksvraag, de onderzoeksmethodiek, de ter beantwoording van de onderzoeksvraag geïnterviewde personen en geraadpleegde bronnen, en de daaruit verkregen gegevens die de conclusie rechtvaardigen. Dit zijn allemaal eisen waaraan een goed en bruikbaar onderzoeksverslag behoort te voldoen.

3.3.4.   Het niet voldoen aan de KNMG-richtlijn aangaande het geven van inzage in het dossier

De KNMG-richtlijn waarnaar klager verwijst is tot stand gekomen naar aanleiding van de wijziging van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) per 1 januari 2020. Toen is het wettelijk recht op inzage voor nabestaanden gewijzigd. Deze regeling is eveneens van toepassing op het door de psychotherapeut en zijn collega bijgehouden patiëntendossier van de zoon. De wetswijziging is in werking getreden zeer kort nadat het gesprek van 25 november 2019 plaatsvond, waarbij verweerder zich ten overstaan van klager en zijn ex-echtgenote voor de eerste maal op zijn beroepsgeheim beriep. Omdat na 1 januari 2020 de discussie tussen partijen over dit onderwerp is voortgezet, gaat het college  - net als partijen - voor de beoordeling van dit klachtonderdeel van de nieuwe wettelijke regeling uit. Als hoofdregel geldt dat na de dood van de patiënt geen inzage in diens dossier aan nabestaanden wordt verleend. Op deze hoofdregel worden vier wettelijke uitzonderingsgronden geformuleerd. Klager heeft zich op één hiervan beroepen, namelijk het inzagerecht vanwege een zwaarwegend belang. Voor zover in de klacht gelezen moet worden dat klager zich ook beroept op het inzagerecht na de melding van een incident, verwijst het college naar hetgeen hierover onder 3.3.3. is overwogen: de vraag óf de suïcide als incident moet worden opgevat, laat zich thans niet beantwoorden.

Het inzagerecht vanwege een zwaarwegend belang

Het college moet beoordelen of klager, om inzage in het dossier te verkrijgen, zich kan beroepen op een zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 7:458a lid 1 sub c BW. Voor een geslaagd beroep hierop moet iemand aannemelijk maken dat zijn persoonlijke belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Klager heeft gesteld dat zijn persoonlijk zwaarwegend belang rouwverwerking is en eventueel het herstellen van het vertrouwen in ggz-psychologen in het algemeen.

Hoewel het college er begrip voor heeft dat de rouwverwerking voor klager een belangrijke beweegreden is, kan dit of een (ander) emotioneel belang niet zonder meer als zwaarwegend worden aangemerkt. Inzage in het dossier is niet noodzakelijk voor de behartiging van dat persoonlijke belang. Daarnaast heeft klager de vraag opgeworpen of er een verband bestaat tussen de diagnostiek, de behandeling en de suïcide. Voor zover klager hiermee bedoelt te zeggen dat betere psychotherapeutische hulp de suïcide had kunnen voorkomen, heeft klager deze stelling onvoldoende onderbouwd. Het feit dat er sprake is van suïcide, kan niet zonder meer tot deze conclusie leiden.

In dit verband merkt het college nog op dat klager ter zitting heeft benadrukt dat het hem niet om het beroepsgeheim en de inzage in het dossier gaat. Als zijn persoonlijk belang heeft hij ter zitting nader benoemd dat hij, aan de hand van de vragen die hij had genoteerd ten behoeve van het gesprek met verweerder en zijn collega, zich een beeld wilde vormen van wat er gebeurd was. Ook daarom is er naar het oordeel van het college geen sprake van een zwaarwegend belang dat inzage in het dossier, als uitzondering op de hoofdregel, rechtvaardigt.

3.3.5    De nazorg

Ter zitting hebben verweerder en zijn collega verklaard dat de collega in november 2019 op advies van verweerder de IGJ heeft gebeld om te vragen hoe te handelen in het geval van een suïcide (zie hiervoor onder 3.3.2). Verweerder meende te weten dat een suïcide moest worden gemeld. Het college is van oordeel dat in een ernstige situatie zoals suïcide, het op de weg van verweerder (en zijn collega) had gelegen om meer moeite te doen dan wel op andere wijze navraag te doen bij collegae of bij de beroepsvereniging naar de voor hem geldende professionele normen. Een telefoontje met de IGJ is daarvoor onvoldoende.

Het college wijst verweerder op het bestaan van de voor de beroepsgroep geldende ‘Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag’ (2012), hierna: de richtlijn. Ook al kende verweerder de richtlijn niet, deze bindt hem wel want het is een professionele standaard.

In de richtlijn worden d e taken van ‘de professional na suïcide of een ernstige suïcidepoging’, dan wel de concrete stappen die door de professional gevolgd moeten worden, beschreven. Het college zal deze stappen toespitsen op de omstandigheden van dit geval.

1)      De eerste stap, direct na de suïcide, is informeren en opvang organiseren.  Familieleden en eventuele andere naasten moeten worden geïnformeerd, evenals derden, zoals de medebehandelaar en de huisarts van de zoon. Voor familieleden, eventuele naasten en medebehandelaars moet opvang worden georganiseerd.

2)      De tweede stap wordt gezet op de middellange termijn, binnen zes weken na de suïcide. De taak van de professional is het reconstrueren van de suïcide met familieleden, eventuele andere naasten en de medebehandelaar. Daarnaast zijn er taken die verband houden met het ‘rapporteren voor het interne systeem van leren en verbeteren’.

3)      De derde stap, te zetten binnen enkele weken of maanden na de suïcide, is

4)      consolideren. Hieronder valt het organiseren van opvang en/of zorg voor nabestaanden met een expliciete hulpvraag en/of problemen in de verliesverwerking.

Het college toetst het handelen van verweerder aan deze 3 stappen.

Stap 1) Niet kan worden vastgesteld wanneer en op welke wijze verweerder klager als nabestaande heeft geïnformeerd. Afgezien van een gesprek met klager (en zijn ex-echtgenote) op 25 november 2019, is gesteld noch gebleken dat verweerder ook maar iets heeft gedaan aan het bieden van opvang. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten.

Stap 2) Vast staat dat er geen reconstructie van de suïcide met klager heeft plaatsgevonden. In plaats daarvan heeft verweerder in deze fase de deur richting klager (en zijn ex-echtgenote) dichtgeslagen. Nadat het gesprek van 25 november 2019 moeizaam en gespannen was verlopen, bleken verweerder en zijn collega niet bereid tot een tweede gesprek. Als reden hiervoor staat in de e-mail die hij mede namens zijn collega op 7 januari 2020 aan klager stuurde: “(…) Gisteren heb ik een telefonisch onderhoud met uw ex-vrouw gehad. Kort samengevat komt het hierop neer dat wij geen vervolg gesprek met u beiden zullen hebben. Een tweede gesprek is niet zinvol aangezien alles wat er gezegd kon worden wat ons betreft aan de orde is geweest, en dat wij uw zienswijze hebben gehoord. (…)”

Verweerder heeft klager (en zijn ex-echtgenote) evenmin een alternatief voor goede nazorg aan hem als ouder/nabestaande aangeboden (bijvoorbeeld nazorg door een andere collega psychotherapeut).

Dat verweerder kennelijk moeite had met de emoties en beschuldigingen van klager (en zijn ex-echtgenote) tijdens het eerste gesprek, mocht geen reden zijn een volgend gesprek te weigeren. Juist van een (ervaren) psychotherapeut mag worden verwacht dat deze begrip heeft voor de emoties (zoals boosheid en machteloosheid) van iemand in de positie van klager en dat hij daarmee om weet te gaan. Klager had recht op juiste nazorg. Verweerder had de therapeutische plicht om klager te begeleiden. De wijze waarop verweerder het gesprek met klager uit de weg is gegaan, overschrijdt de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dit rekent het college verweerder zwaar aan.

Stap 3) Tot (een begin van) deze stap is het niet gekomen. Als verweerder de eerste twee stappen had doorlopen, had hij mogelijk de gerechtvaardigde vragen van klager kunnen beantwoorden, zonder zijn beroepsgeheim jegens de zoon te schenden. Dan had klager zich het door hem zo gewenste beeld kunnen vormen van de eventuele andere achtergronden van de suïcide van zijn zoon, dan hij al kende. Het valt verweerder te verwijten dat hij deze stap niet heeft gevolgd en daarmee de mogelijkheid om klager met het gebeurde in het reine te laten komen, niet heeft benut.

Op grond hiervan oordeelt het college dat de nazorg aan klager als nabestaande fors onder de maat was. Dit betekent dat dit onderdeel van de klacht gegrond is.

4. De maatregel

Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, zal het college aan verweerder een maatregel opleggen. Verweerder is ernstig tekortgeschoten in zijn nazorgverplichting richting klager als nabestaande van zijn door suïcide overleden zoon.

Bij het bepalen van een passende maatregel houdt het college er rekening mee dat verweerder ter zitting geen inzicht heeft getoond in het onjuiste en inadequate van zijn handelen, noch het besef dat hij anders had kunnen en moeten optreden. Gelet op de ernst van de tekortkoming, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de houding van verweerder nadien, zal het college hem de maatregel van berisping opleggen.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing zal worden gepubliceerd.

5. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond op het onderdeel dat verweerder onvoldoende nazorg heeft geboden aan klager als nabestaande van zijn door suïcide overleden zoon;

-          verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-          legt verweerder de maatregel van berisping op;

-          bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift ‘De Psycholoog’.

Dit is een beslissing van E.P. van Unen, voorzitter, M.J.E. Lemmens en C. Oele, leden-beroepsgenoten. Zij namen deze beslissing in aanwezigheid van C.W.M. Hillenaar, secretaris. De beslissing is uitgesproken op 3 september 2021 in aanwezigheid van de secretaris.