Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2021:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/2481

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2021:32
Datum uitspraak: 04-05-2021
Datum publicatie: 04-05-2021
Zaaknummer(s): E2021/2481
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Specialist ouderengeneeskunde wordt verweten dat hij: 1.    de wil van klager en zijn familie niet heeft gerespecteerd door patiënte (klagers moeder) morfine toe te dienen, terwijl klager daar geen toestemming voor gegeven had. Hierdoor was er voor de familie geen mogelijkheid meer om met moeder te communiceren; 2.    in strijd met de wens van klager en de familie het actief behandelbeleid ten aanzien van patiënte heeft laten omzetten naar niet actief beleid en niet heeft meegedeeld dat de familie deze beslissing kon overrulen; 3.    patiënte tweemaal te laat heeft ingestuurd naar het ziekenhuis; 4.    tekortgeschoten is in de communicatie, omdat: - hij zonder voorafgaande kennisgeving pas vier uur later is verschenen op een   afspraak op de dag vóór het overlijden van patiënte; - aan klager en de familie geen gelegenheid is geboden om ’s nachts bij patiënte   te waken; - hij niet aan de familie heeft meegedeeld dat patiënte bij de cardioloog was   uitbehandeld voor hartfalen en in feite al vaststond waaraan zij zou overlijden   en de familie vanaf dat moment niet bij moeder zou hebben toegelaten, maar   pas op het laatste moment. De familie mocht in verband met Covid-19 bijna drie   maanden niet bij patiënte zijn.

Uitspraak: 4 mei 2021

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 25 juni 2020 ingekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

specialist ouderengeneeskunde

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. K. Mous te Nijmegen

gemachtigde ter zitting mr. R. Tak te Nijmegen

1.         Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift, ontvangen op 25 juni 2020

-          het verweerschrift, ontvangen op 16 september 2020

-          de repliek, ontvangen op 17 november 2020

-          de dupliek, ontvangen op 17 december 2020

-          de nadere stukken van verweerder, ontvangen op 15 maart 2021

-          de pleitnotitie van mr.Tak, overhandigd ter zitting.

De klacht is ter openbare zitting van 24 maart 2021 behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn broer [E]. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.                  De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1              Klager is de zoon van mevrouw [F], geboren in 1931, overleden in mei 2020, verder te noemen patiënte.

2.2              Patiënte was sinds 28 november 2019 opgenomen in een verpleeghuis met als doel het bieden van een veilige omgeving en het overnemen van de mantelzorg van patiënte van de familie.

2.3              Bij patiënte was sprake van een vergevorderde fase van Alzheimerdementie met een MMSE-score van 15/30. Patiënte was tevens cardiaal belast met hypertensie, hartritmestoornissen, hartfalen, een te hoog cholesterolgehalte en oedeem in de benen. Daarnaast had patiënte een slechte nierfunctie en een te laag Kaliumgehalte in het bloed vanwege chronische diarree, waarvoor patiënte onder behandeling was bij de specialist. Ook had zij last van een recidiverende urineweginfectie als gevolg waarvan sprake was van een terugkerend delier. Patiënte vertoonde tenslotte afweergedrag tegen eten en drinken en weigerde medicatie. Er was sprake van motorische en psychische onrust.

2.4              Vanaf het moment van opname is regelmatig overleg gevoerd met klager als eerste contactpersoon over het te volgen behandelbeleid. Het overleg vond plaats met, afhankelijk van onderwerp en behandeling, een basisarts, specialisten ouderengeneeskunde, een SEH-arts, en een verpleegkundig specialist. De familie van patiënte had gekozen voor een actief beleid, dat wil zeggen, wel reanimeren, wel insturen naar ziekenhuis, wel opname op de IC en wel beademen. Dit beleid is bevestigd door de familie op 14 januari 2020.

2.5              Patiënte is tussen 28 april 2020 en 9 mei 2020 opgenomen geweest als gevolg van een collumfractuur waaraan patiënte is geopereerd. Uit de brief van het ziekenhuis van 28 april 2020 kan, voor zover thans van belang, worden opgemaakt dat het actieve beleid opnieuw met de familie is besproken. In de brief is daarover opgemerkt (alle citaten zijn overgenomen inclusief taal- en typefouten):

“(…) Reanimatiebeleid besproken, familie wenst pertinent volledig beleid, ondanks argumenten tegen. (…)”

2.6              In verband met de uitbraak van het COVID-19 virus golden ook voor patiënte de verscherpte maatregelen bij terugkeer uit het ziekenhuis. Patiënte werd daarom bij terugkeer 14 dagen in quarantaine geplaatst. Mobilisatie vond op de eigen kamer plaats. 

2.7              Op 19 mei 2020 vond een laboratoriumonderzoek plaats. Daaruit bleek dat sprake was van bloedarmoede en achteruitgang van de nierfunctie.

2.8               

Op 18 mei 2020 heeft een telefonisch overleg plaatsgevonden tussen klager en een collega van verweerder. In dit gesprek is, blijkens het medisch dossier en voor zover thans van belang, het volgende aan de orde gekomen:

“(…) Algeheel beleid aangekaard: uitleg ons sterke advies om niet-reanimeren en terughoudend/geen ziekhuisopname m.u.v. fracturen. Uitleg dat ook voor evt. uitdroging binnen verpleeghuis hypodermoclyse gegeven zou kunnen worden. Zoon gaat dit bespreken.”

2.9              Tussen 22 mei 2020 en 25 mei 2020 is patiënte opnieuw opgenomen geweest. Dit keer op de afdeling cardiologie. In de ontslagbrief van de cardioloog van 27 mei 2020 is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“(…) Advies niet insturen beleid, telefonisch contact bij problemen (…)”

2.10          Na de tweede ziekenhuisopname is, voor zover thans van belang, het volgende in de rapportage van patiënte opgenomen:

“(…) LL mw gaf erg veel pijn aan bij het verzorgen van het onderlichaam. mw kan/wilt amper draaien. (…)

wond stuit werd verzorgd volgens plan (…) mw geeft veel pijn aan bij de wondzorg (…)”.

2.11          Op 28 mei 2020 is in het medisch dossier opgenomen, voor zover thans van belang:

“(…) Basisarts. Algehele achteruitgang

S/

Is zwak, vermoeid, ligt op bed. Weigert te eten en drinken bij verzorging. Geeft bij uitleg dat zie hierdoor zal sterven aan dat dat oké is. Zoon kunnen/willen haar soms wat meer stimuleren.(…) Reageert met ‘ja’/knikken op aanspreken, verzwakt, gedehydreerd. (…)

E/

Algehele achteruitgang met/bij weigering eten en drinken na 2 recente opnames voor 1.cardiaal AF met snelle VR en decompensatie 2. Heupfractuur rechts met totale heupprothese.

P/ iom (verweerder) 1ste en 2de contactpersoon

Start hypodermoclyse 2L/24u, indien mw naald eruit trekt accepteren.

Geen sondevoeding. Medicatie vocht/voeding aanbieden, accepteren als zij dit weigert

Iom cardioloog: (…)

Palliatief beleid afgesproken: niet reanimeren, niet insturen naar ziekenhuis. Hoofddoel richten op comfort. (…)

Morgen (verweerder) contact met familie (…)”

2.12          Op 28 mei 2020 is tevens een logopedist bij de behandeling betrokken om het mogelijke verslikkingsgevaar te beoordelen. Vanwege het grote verslikkingsgevaar werd besloten om geen orale intake meer te geven. De familie mocht, vanwege de uitdrukkelijke wens, (vloeibaar) voedsel geven, op eigen risico. De logopediste heeft uitleg gegeven over de meest veilige wijze van toediening. Tevens werd onderhuids steeds vocht toegediend overeenkomstig het in de ochtend van 28 mei 2020 afgesproken beleid.

2.13          Op 29 mei 2020 is om 11:24 uur in de rapportage, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“(…) Overleg gehad met (verweerder) en deze heeft overlegd met fam. Mevr mag 1 x 5 mg morfine sc toegediend krijgen om verzorging mogelijk te maken. Mevrouw kreeg dit om 9.50u toegediend. (verweerder) komt na 12.00u naar de woning. (…)”

2.14          Op 29 mei 2020 heeft verweerder patiënte ook zelf onderzocht. In het medisch dossier is daarover om 17.50 uur, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

S/ mw is verder achteruitgegaan en ze neemt niks meer per os.

(…)

Mw heeft last van pijn mn tijdens de zorg wv 5 mg morfine subcutaan van mij gehad iom 1ste CP ivm pijn tijdens de zorg mij met goede resultaten.

(…)

Mw ligt gespannen in bed in antalgisch houding en ze komt benauwd over met gesloten ogen en zij maakt op zich een terminale .

Bewustzijn is somnulent en de aandacht is niet te trekken, niet te verplaatsen en niet vast te houden. Begrijpt de opdrachten niet en ze voort niet uit en ze was niet coöperatief tijdens Lo.

(…)

E/

Terminale toestand

(…)

Corona beleid uitvorren e(…)

3 de CP/3de broer vandaag als uitzondering op bezoek toe laten (maar max 2 persoon tegeleijk). (…)

Start morfine 10mg/ml 2dd1ml =10mg subcutaan half uur voor de zorggeven om 8u sochtend en 8 u savonds.

Start zn morfine 10 mg/ml maximaal 4 dd halfampule=5mg=0,5 ml bij pijn en of benauwdheid (…)”.

2.15          Het COVID-19 protocol bepaalt, voor zover thans van belang:

“(…)

De specialist ouderen geneeskunde of verpleegkundig specialist maakt een inschatting van het naderend overlijden. Op basis van deze inschatting worden er met de client en/of eerste contact persoon door de verpleging/verzorging afspraken gemaakt over een bezoekregeling.

(…) het bezoek is beperkt voor de duur van maximaal acht uur aaneengesloten.

(…) Er mogen maximaal twee bezoekers gelijktijdig de client bezoeken gedurende de aaneengesloten periode van maximaal acht uur. (…)”

2.16          Patiënte is in de vroege ochtend in mei 2020 overleden. Daarbij was geen familie aanwezig.

3.                  De klacht

Verweerder wordt verweten dat hij:

1)      de wil van klager en zijn familie niet heeft gerespecteerd door patiënte morfine toe te dienen, terwijl klager daar geen toestemming voor gegeven had. Hierdoor was er voor de familie geen mogelijkheid meer om met moeder te communiceren;

2)      in strijd met de wens van klager en de familie het actieve behandelbeleid ten aanzien van patiënte heeft laten omzetten naar niet actief beleid en niet heeft meegedeeld dat de familie deze beslissing kon overrulen;

3)      patiënte tweemaal te laat heeft ingestuurd naar het ziekenhuis;

4)      tekortgeschoten is in de communicatie, omdat:

-           hij zonder voorafgaande kennisgeving pas vier uur later is verschenen op een                   afspraak op de dag vóór het overlijden van patiënte;

-           aan klager en de familie geen gelegenheid is geboden om ’s nachts bij patiënte

                        te waken;

-           hij niet aan de familie heeft meegedeeld dat patiënte bij de cardioloog was

                        uitbehandeld voor hartfalen en in feite al vaststond waaraan zij zou overlijden

                          en de familie vanaf dat moment niet bij moeder zou hebben toegelaten, maar

pas op het laatste moment. De familie mocht in verband met Covid-19 bijna drie maanden niet bij patiënte zijn. Klager betreurt het met name dat de familie in de laatste levensfase van hun moeder, niet bij haar aanwezig kon zijn. Zij hadden graag op een waardige manier afscheid van haar willen/kunnen nemen. Dat is nu niet gebeurd.

4.                  Het standpunt van verweerder

4.1.      Verweerder stelt voorop dat op het moment van het naderende overlijden van patiënte, de regels omtrent COVID-19 van toepassing waren. Dat betekent dat ook verweerder deze regels in acht diende te nemen. Slechts in uitzonderingsgevallen was een afwijking van de regels toegestaan. In ieder geval gold voor het personeel dat kruisbesmetting moest worden voorkomen zodat, ook voor verweerder, bezoeken aan de verschillende woningen zo dienden te worden georganiseerd dat geen kruisbesmetting kon plaatsvinden. Verweerder werd voor de toepassing van de regels aangemerkt als een externe behandelaar. Pati ë nte werd met name bijgestaan door een collega van verweerder. Verweerder is vooral als supervisor betrokken bij de behandeling van pati ë nte. Verweerder is door zijn collega in consult geroepen op 28 mei 2020. In overleg met klager is gestart met het toedienen van vocht via een infuus omdat er sprake was van een algehele achteruitgang met weigering van eten en drinken. Met klager werd een palliatief beleid afgesproken zonder sondevoeding. Onderdeel van dat beleid was een afspraak om niet te reanimeren en niet in te sturen naar een ziekenhuis. Eigenlijk zijn er drie gradaties van behandeling te onderkennen, een actief beleid, een palliatief beleid en, tegen het naderende einde, een beleid dat enkel nog gericht is op het geven van comfort, oftewel een symptomatisch beleid. Verweerder heeft de conditie van pati ë nte op 29 mei 2020 opnieuw geëvalueerd. Er werd een antalgische houding gezien en pati ë nte kampte met pijn, met name bij onderzoek en tijdens de zorgmomenten. Verweerder heeft opnieuw contact opgenomen met klager en aan klager is opnieuw uitgelegd dat pati ë nte uitbehandeld was en dat er geen mogelijkheden meer waren om het hart te redden. Verweerder heeft met klager afgesproken dat begonnen zou worden met toediening van morfine in kleine doses bij de zorgmomenten en bij pijn en benauwdheid. Klager heeft daar volgens verweerder ook geen bezwaar tegen gemaakt. Een en ander is die dag ook in het medisch dossier opgenomen. Verweerder is van mening alles te hebben gedaan om pati ë nte een zo comfortabel mogelijk einde te geven. Ook de bezoekregeling voor familie was door verweerder aangepast. In afwijking van de regels mocht er steeds gedurende 8 uur een familielid aanwezig zijn zodat de volle 24 uur een familielid bij pati ë nte kon zijn. Dit mocht omdat verweerder zag dat de familie de juiste mondmaskers had. Dit is ook zo gecommuniceerd. Het spijt verweerder oprecht dat het niet zo is overgekomen bij de familie die kennelijk door de verpleging naar huis is gestuurd. Het was evenwel de uitdrukkelijke bedoeling van verweerder dat pati ë nte

24 uur (onafgebroken) bezoek kon hebben.

5.                  De overwegingen van het college

5.1.      Het college stelt voorop dat ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Bij deze beoordeling gaat het dus niet om de vraag of het handelen van verweerder beter had gekund en moeten achteraf verkregen kennis en wetenschap en het verdere beloop buiten beschouwing worden gelaten. Bij het antwoord op de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) staat bovendien het persoonlijk handelen van verweerder centraal. Ten slotte merkt het college voorafgaand aan de beoordeling op dat in deze casus sprake is van een bijzondere zorgsituatie wegens de gevaren van COVID-19 en de op die situatie toegepaste bijzondere regelingen die het in algemene zin onmogelijk maakten om op een normale wijze afscheid te nemen van een dierbare. In het licht van al deze uitgangspunten dienen de klachtonderdelen te worden beoordeeld.

Klachtonderdelen

5.2.      Met betrekking tot klachtonderdeel 1) oordeelt het college als volgt. Hoewel klager zich op het standpunt stelt dat in strijd met de wil van klager aan patiënte morfine is toegediend, leidt het college uit het medisch dossier van patiënte af dat wel degelijk de toediening van morfine met klager is besproken en dat hij daarmee akkoord is gegaan. Klager heeft weliswaar opgemerkt dat toediening van morfine op 29 mei 2020 pas om 17:50 uur in het dossier wordt genoemd, waaruit klager afleidt dat tenminste de eerste keer (namelijk om 9:50 uur die dag) morfine zonder toestemming is gegeven, maar het college stelt vast dat door klager niet is betwist dat verweerder hem in de ochtend van 29 mei 2020 heeft gesproken over het toedienen van morfine. Voorts stelt het college vast dat in de rapportage van de verpleegkundigen (om 10:07 uur op 29 mei 2020) is opgenomen dat zij op de vraag aan verweerder als antwoord kregen dat morfine mocht worden gegeven omdat dit was afgesproken met de familie. In het licht van deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het college aannemelijk dat het toedienen van morfine in de ochtend van 29 mei 2020 niet alleen met klager is besproken maar ook is afgesproken. Ook het korte tijdsbestek tussen de eerste toediening van morfine om 9:50 uur en de vermelding in het verpleegkundigendossier om 10:07 uur maakt alleszins aannemelijk dat het bedoelde telefoongesprek tussen klager en verweerder voor 9.50 uur die ochtend heeft plaatsgehad. Dat deze afspraak feitelijk pas aan het eind van de dag in het medisch dossier is genoteerd, doet aan de geldigheid daarvan niet af. Hoewel klager opmerkt dat hij op enig moment alleen akkoord is gegaan met toediening van morfine tijdens de zorgmomenten, kan deze restrictie niet worden opgemaakt uit het medisch dossier. Nu in het licht van het belang van een goede, toegankelijke en begrijpelijke verslaglegging in het medisch dossier vanwege de kwaliteit en continuïteit van de zorgverlening en begeleiding, maar ook vanwege de verantwoording en toetsbaarheid van het handelen van de desbetreffende hulpverlener, men op de inhoud van het medisch dossier moet kunnen vertrouwen en niet blijkt van onjuistheden maar juist van een uitgebreide verslaglegging, gaat ook het college uit van de juistheid van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd.

Het is te betreuren dat klager en de overige leden van de familie, in de laatste levensfase van patiënte niet meer met haar hebben kunnen communiceren. Dat de doses morfine daaraan debet zijn geweest, kan het college evenwel niet vaststellen. Vast staat wel dat patiënte terminaal ziek was en hoe dan ook op korte termijn zou komen te overlijden. Klachtonderdeel 1) is ongegrond.

5.3.      Hetgeen met betrekking tot het medisch dossier is overwogen, leidt tevens ertoe dat klachtonderdeel 2) ongegrond is. Uit het medisch dossier blijkt immers dat op 28 mei 2020 met klager en de tweede contactpersoon, een palliatief beleid is afgesproken zodat in het kader van de afspraak geen redenen waren om te spreken over het mogelijk overrulen van het ingezette beleid. Maar ook als klager heeft bedoeld te stellen dat hij zonder meer altijd de mogelijkheid zou moeten hebben gehad om een beslissing van verweerder te overrulen, geldt dat het aan de behandelaar is te bepalen welke behandeling nog als medisch zinvol kan worden geacht. Wanneer sprake is van behandelingen die niet medisch zinvol worden geacht door de behandelaar, kunnen deze niet door klager of door andere familieleden worden afgedwongen.  

5.4.      Met betrekking tot klachtonderdeel 3) overweegt het college dat het onduidelijk is gebleven welk verwijt verweerder precies wordt gemaakt. Bij de behandeling van de heupfractuur was verweerder namelijk niet betrokken noch bij het insturen van patiënte. Bij het insturen van patiënte naar aanleiding van klachten van atriumfibrilleren met een snelle ventrikel respons, heeft verweerder wel contact opgenomen met de cardioloog. Verweerder heeft patiënte toen ingestuurd en contact gezocht met het ziekenhuis om een opname te bewerkstelligen. Dat verweerder bij die gelegenheden in strijd heeft gehandeld met hetgeen van hem mocht worden verlangd, is niet voldoende gesteld en blijkt ook overigens niet uit het dossier. Klachtonderdeel 3) is dan ook ongegrond.

5.5       Klachtonderdeel 4) ten slotte, dat ziet op een gebrek aan communicatie, is naar het oordeel van het college eveneens ongegrond, gelet op het volgende. Allereerst wordt verweerder verweten dat hij op 29 mei 2020 niet om 12:00 uur, zoals volgens klager afgesproken, maar pas om 16:00 uur op de afspraak met klager is verschenen. Uit het verpleegkundigendossier blijkt echter niet dat verweerder reeds om 12:00 uur bij de woning van patiënte zou zijn. In dat dossier is vermeld is dat verweerder 12:00 uur naar de woning van patiënte zou komen. Indachtig het feit dat verweerder ook diende te waken voor kruisbesmetting in verband met COVID-19, zodat het bezoek aan de woning het laatste bezoek van die dag zou moeten zijn voor verweerder, kan verweerder niet worden verweten pas later op de afspraak te zijn verschenen dan om 12:00 uur. Klager en verweerder hebben een verschillende ervaring over wat aan klager is meegedeeld; namelijk of is gezegd om dan wel na 12 uur. In gevallen wanneer het college niet kan vaststellen dat verweerder de door klager genoemde uitlatingen heeft gedaan kan dit klachtonderdeel niet slagen. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, die gedraging eerst feitelijk moet kunnen worden vastgesteld.

Dat verweerder klager en de familie niet heeft geïnformeerd over de mededeling van de cardioloog dat pati ënte was uitbehandeld, kan evenmin als een gebrek aan communicatie aan verweerder worden verweten. De broer van klager heeft ter zitting opgemerkt dat de cardioloog tijdens de opname in het ziekenhuis, al had aangegeven dat het actieve beleid ten aanzien van patiënte, in het ziekenhuis zou worden omgezet in een palliatief beleid. Verder stelt het college vast dat de mededeling van de cardioloog dat patiënte was uitbehandeld, ook in de brief aan de huisarts is opgenomen. Hoewel niet duidelijk is of klager en de familie contact onderhielden met de huisarts, blijkt uit het medisch dossier dat meermalen met klager en de familie is besproken dat verdere behandeling medisch niet zinvol meer was en is de familie meermalen gevraagd het actieve beleid om te zetten in een palliatief beleid. Ook als wordt aangenomen dat verweerder niet nadrukkelijk heeft gewezen op de mededeling van de cardioloog, kan in het licht van de genoemde feiten en omstandigheden tenminste worden vastgesteld dat patiënte was uitbehandeld en dat dat voor klager en de familie voldoende kenbaar was. Verweerder kan in die zin geen verwijt worden gemaakt over een gebrek aan communicatie omtrent een specifieke mededeling van de cardioloog.

Dat klager en de familie tenslotte ’s nachts niet hebben kunnen waken bij patiënte is begrijpelijkerwijs heel verdrietig voor klager en de familie. Verweerder heeft echter uitdrukkelijk die mogelijkheid wel genoteerd in het medisch dossier. Waarom dit beleid niet is opgevolgd door de verzorging die voor de uitvoering ervan verantwoordelijk is, is helaas onduidelijk gebleven, maar verweerder kan daarvan geen verwijt worden gemaakt.

Gelet op al hetgeen hiervoor overwogen is, wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,

R.A. Steenbergen, lid-jurist, J.D.M. Schelfhout, P.G.M. Boom-Poels en H.J. Weltevrede, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van C.W.M. Hillenaar, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 4 mei 2021 in aanwezigheid van de secretaris.