ECLI:NL:TGZREIN:2021:16 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2058
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2021:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-03-2021 |
| Datum publicatie: | 03-03-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2058 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Medisch adviseur wordt verweten dat hij in het kader van een wilsbekwaamheidsbeoordeling 1) de term ‘mentaal kwetsbaar’ heeft gebruikt terwijl dit geen onderdeel is van het protocol en verweerder zelf heeft aangegeven dat klager wilsbekwaam zou zijn, 2) zijn beroepsgeheim heeft geschonden, 3) onvoldoende informatie heeft verstrekt en 4) onjuist/onterecht heeft gedeclareerd door klager vooraf geen informatie of specificatie te verstrekken met betrekking tot de kosten van de beoordeling. College: verweerder heeft gehandeld als een zorgvuldig en redelijk handelend beroepsbeoefenaar. Klacht in zijn geheel ongegrond. |
Uitspraak: 3 maart 2021
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 8 juni 2020 ingekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klager
gemachtigde [C]
tegen:
[D]
medisch adviseur
werkzaam te [E]
verweerder
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen (usb-stick)
- de brief van verweerder d.d. 15 juli 2020
- de brief van de secretaris aan verweerder d.d. 16 juli 2020
- de transcripties van klager d.d. 28 juli 2020
- het verweerschrift d.d. 5 augustus 2020
- de brief van de secretaris aan verweerder d.d. 5 augustus 2020
- het aanvullend verweerschrift d.d. 7 augustus 2020
- de brief van verweerder d.d. 15 augustus 2020
- de brief van de secretaris aan verweerder d.d. 27 augustus 2020
- de brief met bijlage d.d. 31 augustus 2020 van klager
- de e-mail van verweerder d.d. 23 oktober 2020
- de brief van verweerder d.d. 21 december 2020
- de brief van de secretaris aan verweerder d.d. 29 december 2020
- de brief van verweerder d.d. 14 januari 2021.
De klacht is ter openbare zitting van 29 januari 2021 behandeld. Klager is niet verschenen, namens klager was gemachtigde aanwezig ter openbare zitting. Verweerder is in persoon verschenen.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klager is licht dementerend. Na het overlijden van zijn echtgenote is klager in augustus 2018 opgenomen op een gesloten afdeling van een verpleeghuis. In januari 2019 heeft gemachtigde, de jongste zoon van klager (hierna: de zoon), hem uit het verpleeghuis gehaald. Klager is samen met de zoon in de woning van klager getrokken en de zoon heeft de zorg voor klager op zich genomen.
Verweerder is sociaal medisch adviseur en houdt zich (onder andere) bezig met het beoordelen van wilsbekwaamheid op verzoek van het notariaat en de advocatuur. Verweerder is aangesloten bij de Vereniging van Indicerende en Adviserende Artsen (VIA). De VIA hanteert een “Protocol beoordeling wils(on)bekwaamheid in het kader van het levenstestament en andere notariële akten” (hierna: het protocol).
Op 16 december 2019 heeft de zoon telefonisch contact opgenomen met verweerder, met het verzoek de wilsbekwaamheid van klager te beoordelen en daaromtrent een verklaring op te stellen ten behoeve van het laten opstellen van een algehele notariële volmacht, een zogenoemd ‘levenstestament’. Op 20 december 2019 heeft de zoon per e-mail een door klager ondertekend aanvraagformulier voor een wilsbekwaamheidsbeoordeling aan verweerder toegestuurd. Als reden voor het verzoek tot wilsbekwaamheidsbeoordeling staat op het formulier vermeld: “Bewind en mentorschap”.
Vervolgens heeft verweerder op 27 december 2019 klager op diens huisadres bezocht en een onderzoek verricht naar de wilsbekwaamheid van klager. Dit onderzoek bestond uit een gesprek van verweerder met klager en de zoon, een door verweerder bij klager afgenomen test en een gesprek van verweerder met klager buiten aanwezigheid van de zoon (“4-ogengesprek”).
Klager en de zoon hebben verweerder tijdens het gesprek op 27 december 2019 toestemming gegeven om overleg te plegen met collega’s en met de notaris. Verweerder heeft overleg gepleegd met een collega sociaal medisch adviseur en een verzekeringsgeneeskundige.
Per e-mail van 8 januari 2020 heeft verweerder aan de zoon aangegeven dat hij, alvorens zijn oordeel over de wilsbekwaamheid van klager te kunnen geven, nogmaals buiten aanwezigheid van de zoon met klager zou dienen te spreken, “om een optimale situatie te krijgen waarin [klager] consistentie kan tonen in zijn verzoek”.
Bij e-mail van 14 januari 2020 heeft de zoon namens klager de opdracht aan verweerder ingetrokken.
Op 2 maart 2020 heeft verweerder aan klager een factuur gestuurd en een bedrag van € 355,02 gedeclareerd voor de wilsbekwaamheidsbeoordeling. Bij brief van 7 mei 2020 heeft (een jurist namens) verweerder aan de zoon meegedeeld dat hij de factuur aan klager heeft gecrediteerd en op 29 april 2020 een nieuwe factuur ad € 355,02 heeft opgemaakt ten laste van de zoon, nu hij volgens verweerder als formeel opdrachtgever diende te worden aangemerkt.
Bij beschikking van 23 juni 2020 van de rechtbank zijn de goederen van klager per 1 juli 2020 onder bewind gesteld. Tevens is ten behoeve van klager een mentorschap ingesteld. De zoon is daarbij tot bewindvoerder en mentor benoemd.
3. Het standpunt van klager
Verweerder wordt door klager verweten dat hij:
1) de term ‘mentaal kwetsbaar’ heeft gebruikt terwijl dit geen onderdeel is van het protocol en verweerder zelf heeft aangegeven dat klager wilsbekwaam zou zijn. Verweerder heeft tegenstrijdig gehandeld en derden betrokken bij zijn oordeel;
2) zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Verweerder is, ten gunste van zijn factuur, uitgegaan van de zoon van klager in plaats van de notaris. Verweerder heeft, in strijd met het protocol, onterecht onbevoegden geïnformeerd. Verweerder dient autonoom op te treden.
3) onvoldoende informatie heeft verstrekt over de behandeling, risico’s en eventuele andere mogelijkheden.
4) onjuist/onterecht heeft gedeclareerd. Verweerder heeft klager vooraf geen informatie of specificatie verstrekt met betrekking tot de (hoogte van de) kosten van de beoordeling.
Klager heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd.
Klager wilde een levenstestament laten opmaken, om de zoon te machtigen om namens hem beslissingen te kunnen nemen. Omdat de notaris daarvoor een wilsbekwaamheidsbeoordeling noodzakelijk achtte, heeft de zoon contact opgenomen met verweerder. Verweerder heeft tijdens het gesprek op 27 december 2019 bij klager thuis aangegeven dat hij klager wilsbekwaam acht. Achteraf heeft hij echter geweigerd klager wilsbekwaam te verklaren, omdat klager volgens hem ‘mentaal kwetsbaar’ is. Verweerder had de kwetsbaarheid van klager niet mogen betrekken bij zijn beoordeling, nu het protocol ‘kwetsbaarheid’ niet benoemt als belemmering om voor zichzelf te kunnen beslissen.
Verweerder heeft daarnaast zijn beroepsgeheim geschonden en gehandeld in strijd met het protocol door overleg te plegen met een verzekeringsgeneeskundige. Klager heeft verweerder slechts toestemming gegeven om overleg te plegen met collega’s en met de notaris. Hij heeft echter geen toestemming gegeven om te overleggen met een verzekeringsspecialist. Volgens het protocol dient verweerder autonoom tot zijn oordeel ten aanzien van de wilsbekwaamheid te komen.
Verweerder heeft klager voorafgaand aan het verstrekken van de opdracht tot wilsbekwaamheidsbeoordeling niet geïnformeerd over het protocol. Hij heeft klager er voorts niet op gewezen dat hij het beoogde doel – dat de zoon namens hem beslissingen kan nemen – ook via de rechter kan bereiken en dat dan een wilsbekwaamheidsbeoordeling niet nodig is.
Klager verwijt verweerder ten slotte dat hij heeft nagelaten hem voorafgaand aan de
opdracht te informeren over de hoogte van de kosten van de wilsbekwaamheidsbeoordeling.
Verweerder heeft de kosten ten onrechte bij de zoon gedeclareerd; volgens het protocol
vindt de beoordeling immers plaats in opdracht van de notaris. Daarbij komt dat klager
de opdracht tot de wilsbekwaamheidsbeoordeling op 14 januari 2020 heeft ingetrokken.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder vraagt zich af of klager wilsbekwaam was ten tijde van het instellen van de klacht en of klager zelf een inbreng heeft gehad in het opstellen ervan.
Verweerder is voorts van mening dat hij de op hem rustende zorgplicht niet heeft geschonden. Hij heeft gehandeld conform het protocol. Hij heeft de zoon van tevoren telefonisch uitgebreid geïnformeerd over het onderzoek. Normaal gesproken informeert verweerder de opdrachtgever vooraf over de kosten. Verweerder betreurt het dat dit in het geval van klager niet is gebeurd. Hij zal hier in het vervolg nadrukkelijk aandacht aan besteden.
Verweerder was tijdens het huisbezoek van mening dat klager in staat was zijn wensen ten aanzien van alledaagse situaties te uiten, maar hij twijfelde over de vraag of klager bekwaam was om moeilijke en zwaarwegende beslissingen te overzien, omdat hij mentaal kwetsbaar op verweerder overkwam. Verweerder heeft aangegeven dat het misschien beter zou zijn om het traject via de rechter te laten verlopen. Hij wilde echter optimaal recht doen aan de wensen en verlangens van klager vanwege diens kwetsbaarheid en emotionele onvrede over de situatie binnen zijn familie. Klager en de zoon hebben verweerder tijdens het huisbezoek toestemming gegeven om collega’s te raadplegen. Het intercollegiaal overleg heeft geanonimiseerd plaatsgevonden. Verweerder heeft een collega sociaal medisch adviseur geraadpleegd, die als docent betrokken is bij de cursus ‘wilsbekwaamheidsbeoordeling’. Omdat hij worstelde met de ethische en morele aspecten van de situatie van klager, heeft hij tevens een verzekeringsgeneeskundige geraadpleegd die zich veel bezighoudt met deze aspecten.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid van de klacht
Op 31 mei 2020 (ingekomen bij het college op 8 juni 2020) heeft klager onderhavige klacht ingediend jegens verweerder. Op dat moment waren de goederen van klager niet onder bewind gesteld, noch was ten behoeve van hem een mentorschap ingesteld.
Verweerder heeft gesuggereerd dat klager wilsonbekwaam was ten tijde van het instellen van de klacht en dat de klacht is opgesteld door de zoon, zonder dat klager zelf een inbreng heeft gehad in het opstellen ervan.
Het college overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de patiënt(e)/cliënt(e) die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al of niet indienen van een klacht met betrekking tot zijn of haar behandeling. In het eerste lid van artikel 1:454 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende memorie van toelichting is dit uitgangspunt uitdrukkelijk verwoord. Als uitgangspunt moet gelden dat een patiënt(e)/cliënt(e) een tuchtklacht kan indienen en dat op dat uitgangspunt slechts een uitzondering kan worden gemaakt indien aannemelijk is dat de patiënt(e)/cliënt(e) ter zake van het al of niet indienen van die klacht wilsonbekwaam is. Het ligt op de weg van de aangeklaagde beroepsbeoefenaar om in voorkomende gevallen aannemelijk te maken dat de voor het indienen van een klacht vereiste wilsbekwaamheid bij de patiënt(e)/cliënt(e) ontbreekt (zie Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 26 september 2019, C2019.048, ECLI:NL:TGZCTG:2019:243).
Ingevolge het voornoemde uitgangspunt is klager ontvankelijk in zijn klacht, tenzij aannemelijk is dat hij ten tijde van het indienen van de klacht daarvoor de vereiste wilsbekwaamheid ontbeerde. Dat laatste dient verweerder aannemelijk te maken. Hij heeft daartoe in het verweerschrift slechts aangevoerd dat uit het klaagschrift niet duidelijk blijkt dat klager inbreng heeft gehad in het opstellen van de klacht, zonder verdere concretisering van die stelling. Het is daarmee niet aannemelijk geworden dat klager de voor het indienen van een klacht vereiste wilsbekwaamheid mist, zodat klager kan worden ontvangen in zijn klacht.
Inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen
Het college zal de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.
Bij de beoordeling van de klacht stelt het college het volgende voorop. Waar het gaat om de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen, moet worden beoordeeld of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk zorgvuldige beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.
De zoon heeft geluidsopnamen gemaakt van (onder andere) het huisbezoek van 27 december 2019 en klager heeft deze, alsmede een transcriptie daarvan, in deze procedure ingebracht. Hieruit blijkt het volgende.
Verweerder heeft tijdens het gesprek gezegd dat hij klager op zich wilsbekwaam acht. Verweerder heeft daarnaast ook aangegeven dat hij klager mentaal kwetsbaar vindt, en dat hij daarmee bedoelt dat anderen klager gemakkelijk tot besluitvorming zouden kunnen aanzetten, dan wel hem kunnen meenemen in hun besluitvorming. Verweerder heeft zich afgevraagd of het niet beter was als ‘de rechter hieraan te pas komt’. Hij heeft aangegeven dat hij ‘niets kan beloven’ en dat hij eerst een collega wil raadplegen.
Het college is van oordeel dat hieruit volgt dat verweerder heeft gehandeld als een zorgvuldig en redelijk handelend beroepsbeoefenaar. Hij heeft tijdens het huisbezoek naar klager en de zoon zijn twijfels geuit en aangegeven welke stappen hij wil zetten om tot een deugdelijk oordeel te (kunnen) komen. Verweerder heeft daarbij geluisterd naar de wens van klager: het verkrijgen van een verklaring van wilsbekwaamheid maar tegelijkertijd daarbij zijn professionaliteit niet veronachtzaamd. Hij heeft zijn overwegingen (geanonimiseerd) getoetst bij collega’s en heeft daarbij oog gehad voor zowel inhoudelijke argumenten als ethische en morele aspecten. Het college is van oordeel dat verweerder zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden door een verzekeringsgeneeskundige te raadplegen, nu dit een gediplomeerd en BIG-geregistreerd arts betreft, welke aangemerkt moet worden als ‘collega’. Ten slotte heeft verweerder verzocht om klager nog een tweede keer onder vier ogen te kunnen spreken, buiten aanwezigheid van de zoon.
Het feit dat verweerder klager niet heeft geïnformeerd over het protocol, is naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hoewel het protocol openbaar raadpleegbaar is, is het een richtlijn voor inhoudelijk professioneel handelen en niet bedoeld als informatiebrochure. Het college is voorts van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met de inhoud en strekking van het protocol door klager ‘mentaal kwetsbaar’ te noemen en in zijn beoordeling te betrekken in hoeverre klager zich door derden tot besluitvorming laat aanzetten .
Uit de geluidsopname blijkt dat het verwijt dat verweerder klager niet heeft gewezen op alternatieven om een volmacht voor de zoon te verkrijgen, feitelijke grondslag mist. Verweerder heeft immers tijdens het huisbezoek aangegeven dat het misschien beter is zich tot de rechter te wenden. Daarbij komt dat aan verweerder de opdracht was verstrekt (welke door verweerder was aangenomen) om de wilsbekwaamheid van klager te beoordelen vanuit zijn medische deskundigheid. Het lag niet op zijn weg om klager te wijzen op juridische alternatieven waarbij een wilsbekwaamheidsbeoordeling niet vereist was.
Hoewel de notaris een wilsbekwaamheidsbeoordeling noodzakelijk achtte in het kader van het opstellen van een levenstestament, stelt het college vast dat klager degene is geweest die aan verweerder de opdracht tot wilsbekwaamheidsbeoordeling heeft verstrekt. Dit blijkt uit het door klager ondertekende aanvraagformulier. Verweerder heeft erkend dat hij klager en de zoon vooraf niet op de hoogte heeft gesteld van de kosten van de wilsbekwaamheidsbeoordeling. Daar staat tegenover dat klager en de zoon ook niet naar de kosten hebben geïnformeerd. Dat er aan een dergelijk onderzoek kosten zijn verbonden, spreekt naar het oordeel van het college voor zich en mag algemeen bekend verondersteld worden. Het is het college niet gebleken dat verweerder onjuist (te veel uren, een te hoog tarief) heeft gedeclareerd. Het feit dat klager er later voor gekozen heeft de opdracht in te trekken, betekent ten slotte niet dat de reeds gemaakte kosten onbetaald kunnen blijven. Als opdrachtgever zal klager deze kosten uiteindelijk (rechtstreeks aan verweerder, dan wel indirect via de notaris) moeten voldoen.
Nu klager het aanvraagformulier heeft ondertekend, valt niet in te zien waarom verweerder de factuur (uiteindelijk) op naam van de zoon in plaats van klager heeft gesteld. Het college acht deze omissie onder de gegeven omstandigheden echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De zoon heeft immers steeds het contact met verweerder onderhouden en namens klager gehandeld, ook al was hij op dat moment nog niet formeel bewindvoerder en mentor van klager.
Uit het voorgaande volgt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. De klacht wordt daarom in zijn geheel ongegrond verklaard.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door P.P.M. van Reijsen, voorzitter, F.C. Alink-Steinberg, lid-jurist,
B.C.A.M. van Casteren-van Gils, H.A.M. Veneman en R.B. van Leeuwen,
leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van B.E.M.A. Jong-Miltenburg, secretaris, en uitgesproken door N.B. Verkleij op 3 maart 2021 in aanwezigheid van de secretaris.