Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2021:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2326-A2021/026

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2021:63
Datum uitspraak: 04-06-2021
Datum publicatie: 04-06-2021
Zaaknummer(s): A2021/2326-A2021/026
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt verweerder, arbo-arts, dat hij medisch onzorgvuldig heeft gehandeld en hem niet op een fatsoenlijke en empathische wijze heeft bejegend. Klachten kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 23 februari 2021 binnengekomen klacht van:

A,

wonende in B,

k l a g e r ,

tegen

C,

arts,

werkzaam in D,

v e r w e e r d e r , 

gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, verbonden aan Stichting VvAA in Utrecht.             

1.          De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift met de bijlagen;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 17 mei 2021 gehouden vooronderzoek.

De klacht is in raadkamer behandeld.

2.          De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.       Klager is bedrijfsleider in een winkel. In 2019 is hij arbeidsongeschikt verklaard vanwege een niertransplantatie. In november 2019 heeft hij zijn werk weer volledig hervat. 

2.2.       Op 13 maart 2020 is klager arbeidsongeschikt verklaard wegens mentale overbelasting. In mei 2020 is klager opgenomen in het ziekenhuis vanwege een ontsteking in zijn donornier. Klager wordt ook behandeld voor extreme jeuk op zijn huid en hij draagt steunkousen vanwege oedeem op zijn onderbenen.

2.3.       Op 26 oktober 2020 heeft verweerder het dossier overgenomen van zijn collega-bedrijfsarts. Op dat moment verrichte klager aangepaste werkzaamheden voor 24 uur in de week. In het medisch dossier staat bij het consult van 26 oktober 2020:

“Betrokkene kan de aangepaste werkzaamheden voor 24 uur per week voorlopig voortzetten. De aanpassingen dienen te bestaan uit het rekening houden bij de opgedragen werkzaamheden met: beperkingen concentratie en energieniveau, geen druk, deadlines.”

2.4.       Op 7 december 2020 vond het tweede consult bij verweerder plaats:

“geestelijk nu alles redelijk in orde (..)

doet nog altijd 24 is de max

B: opn indringend besproken echte afgrenzing en urenopb, betr beseft dat goed en zal stappen zetten:

Betrokkene kan de aangepaste werkzaamheden voor 24 uur per week voorlopig voortzetten. Betrokkene kan de hervatting op termijn van een aantal weken op geleide van de klachten stapsgewijs uitbreiden. De aanpassingen dienen te bestaan uit het rekening houden bij de op te dragen werkzaamheden met: beperkingen concentratie en energieniveau, geen druk, deadlines.”

2.5.       Het derde consult vond plaats op 20 januari 2021:

“fysiek erg goed, alles redelijk stabiel, nefroloog en longarts tevreden.

bemoedigend.

wel mentale tik na zien documentaire Volendam, confronterend voor betr.

nu wat vaker psycholoog (..)

stem nu veel beter

planning: wil op 01-02 start met 4 x 8 uur, durft niet naar E / winkel ivm corona, hoeft van lg voorlopig niet fysiek naar toe.

B: eea uitvoerig besproken met LW, betr aanvankelijk niet mee eens, na uitleg wel begrip:

Betrokkene kan het werk per 01-02-2021 voor 4 x 4 uur per week als hersteld  en voor 4 x 4 uur per week in aangepaste werkzaamheden hervatten. Betrokkene kan de hervatting op termijn van een aantal weken daarna stapsgewijs uitbreiden. Nog beperkingen concentratie en energieniveau.”

2.6.       Op 22 januari 2021 heeft klager een brief geschreven aan verweerder, waarin hij schrijft: “Hier na deelde u mij mede dat u mij hersteld ging melden voor 50% en dat ik dus weer 20 uur kon werken als bedrijfsleider (..) Dit kwam bij mij binnen als een grote schok en zorgde gelijk voor hoofdpijn en mentale afwezigheid. Ik weet dat ik u diverse malen heb aangegeven dat ik het hier niet mee eens was en dat dit voor mij absoluut niet mogelijk was. (..) Ik heb u nog wel aangegeven dat ik in een van de hoogste risico klasse vak voor wat betreft het Corona virus en dat ik nu met de Engelse variant al helemaal nergens meer kom. (..) Door nu, verplicht door, het risico op te zoeken zal ik dan ook categorisch afwijzen. (..) Ik ben mentaal niet in staat om te functioneren op bedrijfsleider niveau. (..) Ook de fysieke belasting blijft een punt van aandacht. (..) Ik verzoek u dan ook dringend uw advies te herzien (..)”

2.7.       De brief van klager was gericht aan het adres van de werkgever van verweerder. Er is een vervroegd consult ingepland.

2.8.       Het volgende consult vond plaats op 17 februari 2021:

“betr direct zeer geagiteerd, geeft aan kwaad te zijn.

blijkt toch teveel te hebben gestaan op werk daar nu weer klachten en terugslag van, nu weer bij ha daarvoor. Betr vorig consult juist aangegeven fysiek weer goed gaat

Betr. meent staan voor eigen werk noodzakelijk

B: niet te couperen stemverheffing, en woedende beschuldigingen, dringend adv DO UWV en alles goed in PVA op te nemen wat belemmerend, aangepast advies:

Betrokkene kan het werk per 22-02-2021 voor 4 x 2 uur per week als hersteld en voor 4 x 6 uur per week in aangepaste werkzaamheden hervatten. Betrokkene kan de hervatting op termijn van een aantal weken daarna stapsgewijs uitbreiden. De aanpassingen dienen te bestaan uit het rekening houden bij de op te dragen werkzaamheden met: beperkingen concentratie en energieniveau, beperkingen staat, tillen, duwen, trekken, reiken, lopen (..)”

3.          De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder

1)    medisch onzorgvuldig heeft gehandeld waardoor hij klager mentale en fysieke schade heeft toegebracht;

2)    niet op een fatsoenlijke en emphatische wijze met klager is omgegaan.

4.          Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.          De beoordeling

5.1.       De vraag die beantwoord moet worden is of verweerder binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Anders gezegd, of hij voldoende zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld met de kennis die verweerder op dat moment had of behoorde te hebben.

Klacht 1

5.2.       Klager vindt het onbegrijpelijk dat hij door verweerder op 20 januari 2021 gedeeltelijk arbeidsgeschikt is verklaard, terwijl het voor klager fysiek onmogelijk was om zijn werk als leidinggevende te hervatten. Klager heeft dit advies zo begrepen dat hij weer 4 x 4 uur in de winkel moest gaan werken als leidinggevende. Het gevolg van het (staande) werk in de winkel was dat zijn benen al snel opzwollen en hij daarvan een fysieke terugslag heeft ondervonden. Klager is van mening dat dit advies van verweerder medisch gezien onzorgvuldig was.

5.3.       Het college stelt vast dat uit het medisch dossier blijkt dat klager in de loop van de consulten een mentale en fysieke vooruitgang liet zien. Klager verrichtte – voor het consult van 20 januari 2021 – al enige tijd 24 uur per week aangepaste werkzaamheden. Dat ging goed. Verweerder heeft klager dan ook op goede gronden per 1 februari 2021 belastbaar geacht voor 4 x 4 uur per week in de eigen (leidinggevende) werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen van klager op concentratie- en energieniveau.

5.4.       Vast staat dat klager vervolgens fysiek aan het werk is gegaan in de winkel en dat dat heeft geleid tot klachten aan zijn benen. Verweerder heeft aangegeven dat hij nooit heeft bedoeld te bewerkstelligen dat klager weer 4 x 4 uur per week fysiek in de de winkel moest gaan werken, maar dat het zijn bedoeling was dat klager samen met zijn leidinggevende een plan van aanpak op zou stellen voor de uitvoering en invulling van het advies. Het college acht daarbij van belang dat de bedrijfsarts een adviserende taak heeft. Het is zijn taak om advies uit te brengen over de beperkingen en de mogelijkheden van de patiënt. Het is vervolgens aan werkgever en werknemer om een plan van aanpak op te stellen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het advies. Verweerder heeft aan zijn taak voldaan en hem kan dus ook niet worden aangerekend (en dus niet tuchtrechtelijk worden verweten) dat werkgever en klager met elkaar hebben afgesproken dat klager weer in de winkel aan het werk zou gaan.

5.5.       Voorgaande neemt niet weg dat het college begrijpt dat het advies verwarring heeft veroorzaakt bij klager. Het zou beter zijn geweest als verweerder ook had opgeschreven dat het aan werkger en werknemer was om samen, door middel van een plan van aanpak, invuling te geven aan het advies.

5.6.       Het college adviseert dan ook een duidelijke terugkoppeling met daarin benoemd de functionele mogelijkheden en beperkingen waarmee rekening gehouden dient te worden. Daarnaast kan de bedrijfsarts een ondubbelzinnig advies geven over de belastbaarheid in uren. Vervolgens dient de bedrijfsarts het over te laten aan werkgever en werknemer om samen invulling te geven aan het advies en dit vast te leggen in het plan van aanpak. 

Klacht 2

5.7.       Klager heeft er over geklaagd dat verweerder geen contact heeft opgenomen met klager naar aanleiding van de door hem verzonden brief op 22 januari 2021, dat verweerder tijdens het telefonisch consult op 17 februari 2021 geen empathie of begrip toonde en dat verweerder de telefoon ophing toen klager hem vroeg om een kopie van zijn klachtenreglement.

5.8.       Verweerder heeft verweer gevoerd. Hij heeft erop gewezen dat hij niet rechtstreeks mag reageren op een dergelijke brief, maar dat er naar aanleiding van deze brief wel een vervroegd consult is ingepland. Ook is hij van mening dat hij wel degelijk begrip en empathie heeft getoond voor de situatie van klager. Ten slotte heeft hij gesteld dat hij klager heeft verwezen naar de arbodienst F voor de klachtenregeling.

5.9.       Het college stelt vast dat verweerder weliswaar niet persoonlijk heeft gereageerd op de brief van klager, maar dat er wel een vervroegd consult is ingepland door de werkgever van verweerder. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom geen sprake. Dat verweerder tijdens dit vervroegde consult niet empathisch of fatsoenlijk zou hebben gereageerd, blijkt niet uit het medisch dossier. Daaruit blijkt juist dat hij het op 20 januari 2021 gegeven advies enigszins heeft aangepast en een deskundigenoordeel heeft geadviseerd. Voor wat betreft het al dan niet verwijzen naar het klachtenreglement geldt dat klager heeft kunnen lezen dat verweerder stelt dat hij klager wel degelijk heeft verwezen naar het klachtenreglement. Voor beide laatste klachtonderdelen (de toon van de communicatie en het niet verwijzen naar het klachtenreglement) geldt dat verwijten over de inhoud en wijze van mondelinge communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen. Alleen klager en verweerder hebben immers aan de gesprekken deelgenomen, en daarom is niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.

Conclusie

5.10.     De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

5.11.     Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college wijst de klacht af.

Aldus beslist op 4 juni 2021 door:

A.M.J.G. Amsterdam, voorzitter,

R.L. KLoots en E.G. Ackema, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door M.G. Verkerk , secretaris,

WG  secretaris                                                                                          WG  voorzitter