Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2021:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2294-A2021/037

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2021:110
Datum uitspraak: 26-10-2021
Datum publicatie: 23-11-2021
Zaaknummer(s): A2021/2294-A2021/037
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt huisarts dat zij de diagnose "plotselinge doofheid" heeft gemist door signalen onjuist te interpreteren en onvoldoende onderzoek te doen. Hierdoor is nagelaten een spoedverwijzing naar de KNO-arts te doen in een fase waarin dit nog verschil had kunnen maken voor de behandeling van de aandoening. Verweerster heeft aangevoerd dat zij bij het uithoren van de klachten geen alarmsignalen hoorde. De anamnese en de bevindingen bij onderzoek wezen op een andere diagnose, aldus verweerster.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 5 maart 2021 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: C (echtgenoot van klaagster),

tegen

D,

huisarts,

destijds werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, verbonden aan Stichting VvAA rechtsbijstand te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift met bijlagen;
  • het aanvullende klaagschrift met bijlagen;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
  • het proces-verbaal van het 27 augustus 2021 gehouden vooronderzoek.

De klacht is op  een openbare zitting behandeld, tezamen met een samenhangende zaak tegen een collega van verweerster, geregistreerd onder nummer A2021/3043.

Partijen en hun gemachtigden waren aanwezig.

2.         De feiten
2.1 Op 25 augustus 2016 belt klaagster naar de huisartsenpraktijk “E” te B, vanwege klachten aan haar linker oor. Verweerster was daar destijds werkzaam als waarnemend huisarts. Klaagster wordt te woord gestaan door de assistente. Volgens de aantekeningen in het medisch dossier heeft klaagster met de assistente besproken dat zij sinds gisteren last heeft van haar linker oor (suis) en pijn. Geen koorts en duizeligheid, wel hoofdpijn. Na overleg met de huisarts (een collega van verweerster) werd door de assistente geadviseerd om paracetamol te nemen en het nog aan te kijken, maximaal drie dagen. Bij alarmsymptomen moest zij eerder contact opnemen.

2.2 Op 26 augustus 2016 kwam klaagster bij verweerster op het spreekuur. Volgens de aantekeningen in het medisch dossier vertelde klaagster dat zij sinds een paar dagen niet meer kon horen met haar linker oor en dat dit geleidelijk was ontstaan. Soms was sprake van suizen en pijn links. Ze was niet verkouden. Verweerster verrichtte lichamelijk onderzoek en zag in het rechteroor een afsluitende prop cerumen en in het linker oor een dof trommelvlies dat niet rood was. Er was hier geen cerumen. Verweerster kwam tot de diagnose otitis media met effusie (OME) van het linkeroor. Zij gaf het advies xylometazoline neusspray te gebruiken, maximaal een week, en bij geen verbetering retour te komen. Verder adviseerde ze het rechter oor te laten uitspuiten door de assistente.

2.3 Hierna is verweerster niet meer bij de behandeling betrokken geweest. Uit het medisch dossier volgt dat klaagster op 31 augustus 2016 en 2 september 2016 door een andere waarnemend huisarts is beoordeeld (verweerder in de zaak A2021/3043, zie hierboven bij het procesverloop). Op 31 augustus 2016 was er geen verbetering van de klachten, klaagster zei soms suizen en steken in het oor te hebben. Na lichamelijk onderzoek was ook nu de diagnose OME, vanwege een dof trommelvlies (lichtreflex dof). Klaagster kreeg een andere neusspray. Op 2 september 2016 werd klaagster verwezen naar de KNO-arts. Op 7 september 2016 werd klaagster door de KNO-arts beoordeeld, die tot diagnose “sudden deafness” kwam. Klaagster is blijvend doof aan haar linkeroor, met tinnitus en hyperacusis.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster ten onrechte niet de diagnose “sudden deafness” heeft gesteld.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1 Kern van de klacht is dat verweerder de juiste diagnose heeft gemist. Op zichzelf behoeft het missen van de juiste diagnose niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerster tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame huisarts mag worden verwacht. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap en de standaard van de beroepsgroep.  

5.2 Door klaagster is gesteld dat er geen sprake was van gehoorverlies dat geleidelijk was ontstaan maar dat ze tijdens het consult heeft verteld dat haar oor ineens dicht was gaan zitten. Dit blijkt echter niet uit de aantekeningen van verweerster over het consult. Verder heeft verweerster ter zitting uitgelegd dat ze er altijd op bedacht is goed uit te vragen of het gehoorverlies acuut of geleidelijk  is ontstaan en dat ze daarbij ook handgebaren gebruikt. Dat heeft ze in het geval van klaagster ook gedaan. In het vooronderzoek heeft verweerster verklaard dat het woord “geleidelijk” de aantekening is die zij destijds zo heeft genoteerd. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van verweerster te twijfelen. Verweerster mocht dus uitgaan van een gehoorverlies dan geleidelijk aan was ontstaan. Op basis van de klachten “pijn” en “geleidelijk aan ontstaan gehoorverlies” in combinatie met een dof trommelvlies dacht verweerster aan een OME. Ze realiseerde zich dat klaagster rechts geen klachten had, maar ze adviseerde toch om het rechteroor te laten uitspuiten, zodat klaagster in ieder geval met dat oor beter kon horen. Naar het oordeel van het college zijn de afwegingen die verweerster heeft gemaakt goed te volgen. Uit de toepasselijke norm, de NHG-standaard slechthorendheid uit juni 2014, volgt op grond van de gepresenteerde klachten en het doffe trommelvlies geen indicatie voor audiometrie of stemvorkproeven. Dat neemt niet weg dat een stemvorkproef om sudden deafness uit te sluiten in de huisartspraktijk zekerheidshalve vaker zou kunnen worden toegepast. Het gaan immers om een zeer beperkte vorm van aanvullend onderzoek. Het achterwege laten van een dergelijk onderzoek is echter in lijn met de op dit moment nog geldende standaard. Wel is het goed te vernemen dat verweerster na hetgeen klaagster is overkomen, de stemvorkproef vaker toepast in haar praktijk.

5.3 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door:

E.A. Messer, voorzitter,

J.C. van der Molen, G.J. Dogterom en H.C. Baak, leden-huisarts,

S. Colsen, lid-jurist,

bijgestaan door A. Kerstens, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2021 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                           voorzitter