ECLI:NL:TGZRAMS:2021:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/151

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2021:1
Datum uitspraak: 04-01-2021
Datum publicatie: 04-01-2021
Zaaknummer(s): 2020/151
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager is het niet eens met de inhoud van het door de psychiater (verweerder) opgestelde concept rapport - een rapportage die door verweerder is opgesteld in opdracht van de rechtbank met betrekking tot een letselschadeprocedure. Daarnaast verwijt klager verweerder dat hij zich niet onafhankelijk heeft opgesteld. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het college de klacht als (kennelijk) ongegrond c.q. als van onvoldoende gewicht af te wijzen.   kennelijk ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 30 juni 2020 binnengekomen klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen

C ,

psychiater (niet-praktiserend),

werkzaam te D,

verweerder.

1.         De procedure

1.1       Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift;

-                      het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift met de bijlage;

-                      de repliek met de bijlagen;

-                      de dupliek.

1.2       Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       De klacht is in raadkamer behandeld.

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Op 18 mei 2020 heeft klager bij verweerder een onderzoek ondergaan in het kader van een letselschadeprocedure. Hierbij heeft een anamnesegesprek plaatsgevonden, een psychiatrisch onderzoek en zijn testen afgenomen. De afspraak vond in verband met corona plaats via een videoverbinding. De opdrachtgever voor deze psychiatrische expertise was de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De vraag die centraal stond was - kort gezegd - of er bij klager klachten en beperkingen aanwezig zijn, en een diagnose te stellen is, op het vakgebied van verweerder. Het ging daarbij zowel om de situatie voor als de situatie na het ongeval van klager op 29 maart 2014.

2.2       Verweerder heeft na het onderzoek op 18 mei 2020 een concept rapport van de psychiatrische expertise opgesteld, met bijlagen. Verweerder concludeerde dat er geen aanknopingspunten zijn voor het vaststellen van een classificeerbare psychiatrische stoornis. Op zijn vakgebied kon verweerder daardoor ook geen reële belemmeringen vaststellen voor relevante activiteiten ten aanzien van werk, huishouden of hobby’s.

2.3       Op 24 mei 2020 heeft verweerder het concept rapport gezonden aan de advocaat van klager en klager via zijn advocaat de gelegenheid geboden om zich op zijn blokkeringsrecht te beroepen en om, mocht hij daarvan afzien, het anamneseverslag te controleren op eventuele feitelijke onjuistheden.

2.4       Op 14 juni 2020 heeft verweerder via de advocaat van klager een e-mailbericht ontvangen, met als bijlage de reactie van klager (Reactie Anamnese psychiatrische expertise van 18 mei 2020). Klager heeft hierin toegelicht waarmee hij het allemaal niet eens was.

2.5       Verweerder heeft de reactie van klager geheel overgenomen in zijn definitieve rapport. Daarbij heeft verweerder genoteerd dat hij de daarin voorkomende feitelijke correcties als overgenomen beschouwt, maar dat die op zichzelf niet van dien aard waren dat zij tot wijziging van zijn bevindingen en conclusies aanleiding gaven.

2.6       Op 19 juni 2020 heeft verweerder van de advocaat van klager een e-mail ontvangen waarin, voor zover inhoudelijk van belang, wordt vermeld:

Geachte heer C,

Client maakt geen gebruik van zijn blokkeringsrecht. (…) Client heeft geen vertrouwen in u en hij stelt dat hij een klacht tegen u zal indienen. De teleurstelling is namelijk erg groot, vooral omdat u op voorhand bent uitgegaan van onderpresteren. Client merkt op dat er geen sprake is van bewust onderpresteren en had van u verwacht dat u zich op onafhankelijke wijze zou richten op het persoonlijk onderzoek. (…)’

2.7       Op 19 juni heeft verweerder zijn conceptrapport tegelijkertijd aan de advocaten van beide partijen gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daar inhoudelijk op te reageren.

2.8       Verweerder heeft de inhoudelijke reactie van de advocaat van klager en van de aansprakelijke partij opgenomen in zijn definitief rapport. Verweerder heeft op de opmerkingen van de advocaat van klager gereageerd. Verweerder heeft vervolgens zijn definitieve rapportage, gedateerd 29 juli 2020, verstuurd aan de rechtbank.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat:

1.    de inhoud van de conceptrapportage psychiatrische expertise van verweerder, en ook de inhoud van zijn definitieve rapportage, niet juist is. Meer specifiek is het verwijt dat de inhoud van het conceptrapport niet overeenkomt met hetgeen op 18 mei 2020 was besproken en de inhoud van de definitieve rapportage niet juist is omdat verweerder niets heeft gedaan met de reactie van klager;

2.    verweerder zich niet onafhankelijk heeft opgesteld.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder vraagt om uit te gaan van zijn definitieve rapport voor de beoordeling van de klacht en heeft voorts de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Ten aanzien van het 1e klachtonderdeel:

Bij de beoordeling van de vraag of een deskundigenrapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de deskundige uit het oogpunt van

vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.2       Het college is van oordeel dat de rapportage van verweerder voldoet aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen. Ook is correct blokkerings-, inzage- en correctierecht verleend. Klager had het uitbrengen van de rapportage van verweerder kunnen blokkeren, maar dat heeft hij niet gedaan. Het is mogelijk dat klager de procedure niet geheel heeft kunnen begrijpen, maar aangezien hij een advocaat heeft had deze hem daarin kunnen ondersteunen.

Verweerder heeft in zijn rapportage de verschillende, naar het oordeel van het college relevante, bronnen weergegeven waarvan hij gebruik heeft gemaakt bij het opstellen van zijn rapportage. Daarnaast heeft verweerder de bevindingen en observaties van zijn eigen (psychiatrisch) onderzoek vermeld. Het college heeft geen aanwijzing dat het onderzoek door verweerder per video niet adequaat is geweest. Verweerder heeft de uitgebreide reactie van klager op de conceptrapportage (Reactie Anamnese psychiatrische expertise van 18 mei 2020) integraal opgenomen in zijn definitieve rapportage en erbij vermeld: ‘Voor zover betrokkene’s reactie alleen betrekking heeft op feitelijke correcties van het gespreksverslag, beschouw ik deze als daarin opgenomen’. In het rapport is voorts op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. De omstandigheid dat verweerder op basis van zijn deskundigheid tot een voor klager ongewenste conclusie is gekomen, maakt dit niet anders. Verweerder is tot slot binnen de grenzen van zijn deskundigheid gebleven.

Alles overziend dient het 1e klachtonderdeel te worden afgewezen.

5.4       Ten aanzien van het 2e klachtonderdeel:

Dat de conclusie van de rapportage van verweerder niet gunstig is voor de letselschadeclaim van klager, maakt niet dat verweerder om die reden zich niet onafhankelijk zou hebben opgesteld. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij vrij stond ten opzichte van beide partijen. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat in letselschadezaken het nu eenmaal is dat de ene partij meer tevreden is met een rapport – na onafhankelijk onderzoek – dan de andere partij. Voor zover dit klachtonderdeel ook ziet op de door verweerder gemaakte opmerking (blz. 12 rapport) ‘Er zijn in deze zaak redenen om op voorhand vraagtekens te zetten bij de consistentie en de plausibiliteit van betrokkene’s klachtverhaal’, heeft verweerder dit als volgt toegelicht. Er waren eerder bij neuropsychologische onderzoeken aanwijzingen voor onderpresteren van klager. Om die reden was verweerder gevraagd de SIMS test (college: een screeningsinstrument voor de detectie van ingebeelde psychiatrische en cognitieve symptomen) af te nemen. Dit is gebeurd met instemming van de advocaat van klager.

Het college is van oordeel dat klager zijn verwijt, dat verweerder zich niet onafhankelijk heeft opgesteld, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van het punt van het mogelijk onderpresteren heeft het college vastgesteld dat verweerder zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, juist om eerdere bevindingen te objectiveren, en zijn zijn conclusies goed te volgen. Dat verweerder daarbij bevooroordeeld was is niet gebleken. Dit alles brengt met zich mee dat ook het 2e klachtonderdeel geen doel treft en derhalve moet worden afgewezen.

5.5       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht op beide onderdelen kennelijk ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus beslist op 4 januari 2020 door:

J. Recourt, voorzitter,

P.D. Meesters en A.C.M. Kleinsman, leden-psychiater,

bijgestaan door S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                       voorzitter