ECLI:NL:TGZCTG:2021:84 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.210
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:84 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-04-2021 |
| Datum publicatie: | 23-04-2021 |
| Zaaknummer(s): | c2019.210 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts, werkzaam voor een arbodienst. Klager is werkzaam als keukeninstallateur. Hij heeft in verband met nekklachten en klachten aan handen en armen, ontstaan na vertillen op het werk, contact gezocht met de arbodienst en een afspraak gekregen op het spreekuur van de arts. Op het spreekuur is gebleken dat klager een dag eerder door zijn werkgever was ziekgemeld. De arts heeft beperkingen vastgesteld. De klacht houdt in dat de arts klager ten onrechte geen rust heeft gegund doordat zij heeft voorgeschreven dat hij 40 uur per week moest werken. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2019.210 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. D.W. Stuijt, advocaat te Amsterdam,
tegen
C., arts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. K. Baetsen, advocaat te Rotterdam.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 20 november 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van
13 juni 2019, onder nummer 18/493, heeft dat college de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2019.211 en C2019.287 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 maart 2021, waar zijn verschenen klager, in persoon en bijgestaan door mr. D.W. Stuijt, voornoemd, en namens de arts mr. K. Baetsen, voornoemd. De standpunten van partijen zijn hier nader toegelicht. De arts is met bericht niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klager, geboren op 3 september 1961, is werkzaam als keukeninstallateur. Hij is sinds 2016/2017 bekend met de ziekte van Bechterew.
2.2. In verband met al enkele weken bestaande nekklachten en klachten aan handen en armen, ontstaan na vertillen op het werk, heeft klager na overleg met de werkgever contact gezocht met de arbodienst van zijn werkgever met het verzoek een bedrijfsarts te consulteren.
2.3. Klager heeft een afspraak gekregen met verweerster op 1 augustus 2017. Verweerster is als Anios werkzaam voor de arbodienst.
2.4. Op het spreekuur is gebleken dat klager op 31 juli 2017 door zijn werkgever was ziekgemeld.
2.5. Verweerster heeft na het spreekuur de volgende terugkoppeling aan de werkgever gegeven:
“Op basis van de spreekuurbevindingen adviseer ik het volgende:
Betrokkene heeft kennelijk 3 weken geleden een incident doorgemaakt op het werk waardoor hij zich nu in behandeling bevindt in de curatieve sector. Betrokkene gaf aan dat hij ondanks zijn lichamelijke klachten zijn werk tot vorige week heeft uitgevoerd en sinds afgelopen vrijdag, in overleg met u, doet hij lichter fysiek werk. Betrokkene is mijns inziens in staat om zijn eigen werk in aangepaste vorm uit te voeren. Er moet wel rekening gehouden (...) worden met zijn fysieke beperkingen t.a.v. statische houdingen en dynamisch handelen, te weten: gebogen en getordeerd werken, boven schouderhoogte actief zijn, het hoofd lang in een bepaalde stand houden, frequent reiken, frequent buigen, duwen/trekken, zwaar tillen, hoofdbewegingen maken, klimmen, klauteren, op hoogte werken.”
3. De klacht van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster klager ten onrechte geen rust heeft gegund doordat zij heeft voorgeschreven dat hij 40 uur per week moest werken.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Het college stelt voorop dat het er bij een tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2. Verweerster voert aan dat zij klager op 1 augustus 2017 heeft gezien op het arbeidsomstandighedenspreekuur. Hij heeft toen aangegeven dat hij zich drie weken geleden had vertild en sindsdien nekklachten had en klachten aan zijn armen en handen. De huisarts had hem op 27 juli 2017 onderzocht en dacht aan een nekhernia. Klager wilde advies over de vraag of hij aangepast werk kon en moest doen. Verweerster heeft op basis van de uitvoerige anamnese – in welk kader onder meer de bevindingen van de huisarts op basis van het door hem verrichte lichamelijke onderzoek aan de orde kwamen - beperkingen vastgesteld. Die heeft zij met klager besproken en zij heeft de beperkingen – met instemming van klager – gecommuniceerd met de werkgever van klager. Het verwijt van klager dat verweerster hem geen rust heeft gegund, is onterecht. Niet alleen omdat na een bezoek aan het arbeidsomstandighedenspreekuur geen werkhervattingsadvies wordt gegeven, maar ook omdat verweerster de beperkingen van klager nauwkeurig in kaart heeft gebracht en met de werkgever heeft gedeeld. Verweerster merkt hierbij nog op dat klager op het spreekuur heeft aangegeven dat hij van zijn werkgever niet hoefde te werken, maar dat hij zelf graag wilde werken omdat hij denkt dat niet werken hem geen goed doet. Ook in dit licht begrijpt verweerster niet dat klager haar nu verwijt dat zij hem geen rust heeft gegund, aldus verweerster.
5.3. Het college overweegt als volgt. Verweerster heeft – na een ananmese waarbij zij naar behoren alle informatie heeft meegewogen – een advies over de mogelijkheden en beperkingen van klager gegeven dat niet onredelijk voorkomt. Dat verweerster klager niet zelf heeft onderzocht maakt niet dit anders. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat een bedrijfsarts niet altijd lichamelijk onderzoek doet, maar alleen op indicatie. In dit geval was klager een paar dagen voor zijn bezoek aan verweerster onderzocht door de huisarts, die een nekhernia vermoedde. Verweerster kon in dit geval dan ook volstaan met een anamnese. Dat verweerster de arbeidsduur kennelijk niet als medische arbeidsbeperking ziet omdat dit volgens haar bij een werkhervattingsadvies hoort is weliswaar onjuist, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat zij geen algemene urenbeperking heeft aangenomen, is, gelet op het dossier, niet onredelijk. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.
Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave is in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege deze beslissing te vernietigen en de klacht alsnog ongegrond te verklaren.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de bestreden beslissing te handhaven en het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2021 is dat debat voortgezet.
4.4 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Dit betekent dat de arts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.5 Uit het vorenstaande volgt dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen en dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; H. de Hek en H.M. Wattendorff,
leden-juristen en W.A. Faas en M.L. van den Kieboom-de Groen, leden-beroepsgenoten en
E.D. Boer, secretaris. Uitgesproken ter openbare zitting van 23 april 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.