Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:36 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.004 en c2020.009

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:36
Datum uitspraak: 29-01-2021
Datum publicatie: 29-01-2021
Zaaknummer(s): c2020.004 en c2020.009
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen gynaecoloog. De dochter van klagers is anderhalve week na de bevalling overleden. De klacht (bestaande uit 27 onderdelen) gaat onder meer over het medisch handelen, de samenwerking tussen de gynaecologen, de dossier-, informatie- en geheimhoudingsplicht, de nazorg na de bevalling en de afwikkeling van de melding van de calamiteit. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht deels gegrond verklaard, aan de gynaecoloog de maatregel van waarschuwing opgelegd en het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Beide partijen komen in beroep. Het Centraal Tuchtcollege herformuleert de vaste rechtspraak over de taken en verantwoordelijkheden van verschillende zorgverleners bij de behandeling van één patiënt, verklaart beide beroepen deels gegrond, vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verklaart de klacht, deels op andere gronden, gedeeltelijk gegrond. Het Centraal Tuchtcollege wijst het verzoek om veroordeling in de proceskosten in beroep af, handhaaft de maatregel van waarschuwing en gelast publicatie van de beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.004 van:

A. en B., wonende in C., appellanten, klagers in eerste aanleg, gemachtigde: D., verbonden aan E. in F. (G.),

tegen

H., gynaecoloog, werkzaam in I., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat in Utrecht,

en in de zaak onder nummer C2020.009 van:

H., gynaecoloog, werkzaam in I., appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat in Utrecht,

tegen

A. en B., wonende in C., verweerders, klagers in eerste aanleg, gemachtigde: D., verbonden aan E, in F. (G.).

1.         Verloop van de procedure

A. en B. – hierna klagers – hebben op 13 september 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven tegen H. – hierna de gynaecoloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 november 2019, onder nummer 18149-1, heeft dat College de klacht deels gegrond verklaard en voor het overige afgewezen. Het College heeft aan de gynaecoloog voor het gegrond verklaarde deel de maatregel van waarschuwing opgelegd en het verzoek tot veroordeling van de gynaecoloog in de kosten van de procedure afgewezen.

In de zaak met nummer C2020.004 zijn klagers op tijd in beroep gekomen en heeft de gynaecoloog een verweerschrift ingediend. In de zaak met nummer C2020.009 is de gynaecoloog op tijd in beroep gekomen en is van klagers een verweerschrift ontvangen. In beroep hebben klagers een (tweede) door J. opgesteld deskundigenrapport overgelegd. Van de gynaecoloog is in beroep een (tweede) deskundigenrapport, opgesteld door K. ontvangen.

De beide zaken zijn in beroep samen en tegelijkertijd maar niet gevoegd met de beroepen in de zaken van klagers tegen L. (C2020.005), M. (C2020.006), N. (C2020.007 en C2020.010) en O. (C2020.008) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 oktober 2020, waar is verschenen klaagster, bijgestaan door D. voornoemd, en de gynaecoloog, bijgestaan door mr. Nunes voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten bij de mondelinge behandeling over en weer verder toegelicht aan de hand van notities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de gynaecoloog aangeduid als verweerder.

“2.      De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster is op 3 oktober 2013 bij een termijn van 18 weken en 5 dagen gezien op de polikliniek van het ziekenhuis waaraan verweerder als gynaecoloog is verbonden (hierna te noemen: het ziekenhuis), na verwijzing door de eerstelijnsverloskundige vanwege toenemende oedemen aan handen, benen en voeten. Zij is toen gezien door een collega van verweerder. Na het afnemen van de anamnese, lab- en lichamelijk onderzoek concludeerde de collega blijkens het medisch dossier van klaagster:

“Voelt goed leven, geen bloed of vruchtwaterverlies. Geen contracties. Bloeddruk 130/80. Iets oedeem aan handen en voeten. Laboratorium ongestoord, behalve een albumine van 30. Urine: EKR niet te meten ivm laag eiwit. Conclusie: oedeem eci. Gezien de klachten van patiënte zullen wij haar over 3 weken nogmaals terug zien op de polikliniek.”

Bij een zwangerschap van 20 weken werd een structurele echo gemaakt. Daarbij is vermeld dat de placenta zich op de achterwand en zijwand rechts van de uterus bevindt. Op 14 november 2013 is, bij een zwangerschap van 24 weken en 5 dagen, een verloskundig echoscopisch onderzoek uitgevoerd. Daarop werd gezien dat de locatie van de placenta dorsaal met lateraal/ventrale lob was. De conclusie van de echo was: “geen bijzonderheden”.

Op 18 november 2013 zag verweerder klaagster voor het eerst op zijn poliklinisch spreekuur. Bij brief van dezelfde datum stelde verweerder - als hoofdbehandelaar van klaagster - bij een zwangerschap van 25 weken en 2 dagen aan de eerstelijnsverloskundigenpraktijk voor om de begeleiding over te laten nemen door de tweede lijn. Redenen hiervoor waren dat het de eerste zwangerschap van klaagster was, zij inmiddels 25 kilo was aangekomen en zij een wat “geprikkelde” tensie had. Klaagster heeft daarna diverse keren het poliklinische spreekuur bezocht, soms bij collega’s van verweerder, op 2 december 2013, 12 december 2013, 13 januari 2014, 3 februari 2014, 12 februari 2014, 17 februari 2014 en 24 februari 2014.

Op 2 januari 2014 (termijn 32 weken en 5 dagen) werd klaagster op de triage in het ziekenhuis gezien. De decursus vermeldt:

“Pte komt via poli ivm hypertensie 150/94-96 en klachten. Patiënte heeft al sinds begin van de zwangerschap veel last van oedeem, in gewicht 30 kg aangekomen. Heeft al geruime tijd diverse klachten van pijn in rechterbovenbuik, is sinds twee weken weer wat afgezakt. Kortademigheid is er al maanden, neemt iets toe, geen pijn op de borst. Tintelingen in de vingers verminderd met fysiotherapie. Geen hoofdpijn, geen visusklachten, niet misselijk, braakt niet.

Leven+, geen bloed/vochtverlies

ONDERZOEK: RR handmatig 140/80

RR automaat 129-157/66-91

CTG: bhf 140, var+, acc+, dec- toco onregelmatig contractief

toxlab ongestoord

EKR 21 CONCLUSIE: geen hypertensie, geen PE, geen HELLP

medisch beleid: Pte gaat naar huis met instructies,  op de poli reeds stoppen met werken besproken, komt eerder retour bij toename van klachten. 13/1 poli afspraak.”

Op 13 januari 2014 (termijn 33 weken en 2 dagen) werd klaagster door verweerder op de polikliniek gezien. Er werd verloskundig echoscopisch onderzoek uitgevoerd. De volgende poliklinische controle vond plaats op 28 januari 2014 door een collega van verweerder.

Op 31 januari 2014 (termijn 36 weken en 2 dagen) werd klaagster op de triage van het ziekenhuis gezien vanwege klachten van (mogelijk) vaginaal bloedverlies. De decursus vermeldt:

“Mw heeft ook last van hemorroïden en komt nu bloedverlies. Mw twijfelt of het vaginaal of van de hemorroïden is, geen overige klachten.

ONDERZOEK: RR 140/80, P84

CTG: BHF 130, acc+, dec-, var+, toco irr contracties niet pijnlijk

C/normaal CTG (nog extra stukje CTG ingescand in Mosos O)

IS: actief bloedverlies gezien, kleine stolselstje ook

TAE: mooi beweeglijk kind, normaal vruchtwater

LO: grote uitzetting, cbibi CONCLUSIE: actief bloedverlies met een goede foetale conditie

medisch beleid: iom met [naam van een collega-gynaecoloog, tegen wie onder zaaknummer 18149-2 ook een klacht bij het college is ingediend; hierna: gynaecoloog 2]

- opname A6 ter observatie bloedverlies

- 2x dd CTG

- stolling wordt geprikt

- W+T

Opname volgens protocol: 024780 Vaginaal bloedverlies 2e helft zwangerschap

Weekend samenvatting: G1, AD 35+6 MI: oedemen (handen, gelaat, benen en voeten). RvO/pijnloos. BV 2e helft graviditeit. A/heeft ook hemorroïden, weet niet zeker of BV vaginaal/rectaal is. O/ RR 140/80. CTG optimaal. UZO: grote uitzetting, cbibi. IS: actief BV, klein stolseltje. TAE: kb+, nl vrw, groei p90. B/ opname ter obs, W + T”

Op 1 februari 2014 werd om 02.36 uur in de decursus gerapporteerd:

“Geroepen wegens anamnestisch fors helder rood bloedverlies bij toiletgang. Bij aankomst geen klachten. Geen actief bloedverlies. Voelt geen contracties.

LO/ soepele buik. IN verbandje zit inderdaad weinig rood bloed.

TAE/ placenta vw (bilobata?) ligt goed aan. Normaal vw. Vochtblaas nog onder hoofd

CTG fraai

C/ wederom helder rood bloedverlies. Geen aanwijzingen voor (partiele) abruptio, praevia. Niet in partu. Goede maternale en foetale conditie.

B/ inbrengen waakinfuus met afname kruisbloed en Hb. Expectatief”

In de loop van 2 februari 2014 (termijn 36 weken en 1 dag) is klaagster door een collega-gynaecoloog (tegen wie onder zaaknummer 18149-5 ook een klacht bij het college is ingediend; hierna: gynaecoloog 5) uit het ziekenhuis ontslagen. De decursus vermeldt:

“Gaat naar huis. Geen bloedverlies meer. CTG 130/min. acc+ dec – var goed. co 2 dagen dkt [naam verweerder]”

Op 3 februari 2014 vond een poliklinische controle plaats door verweerder. De conclusie van het verloskundig echoscopisch onderzoek was “ positieve discongruentie”.

Op 6 februari 2014 (termijn 36 weken en 5 dagen) werd klaagster wederom op de triage van het ziekenhuis gezien vanwege bloedverlies thuis. In het ziekenhuis werd geen bloedverlies meer geconstateerd. Zij werd ter observatie opgenomen. De decursus vermeldt:

“Pte heeft vanmorgen ruim helderrood bloedverlies gehad, stolsel verloren, in tooilet dus grootte niet kunnen beoordelen, bloedverlies liep er uit volgens pte. Gisteren contracties gehad nu niet meer, leven+, geen vochtverlies. Pte heeft verder geen klachten. ONDERZOEK: RR 130/85 P 68 T 36.8

UO:3/4 nx cbibi, soepele buik

CTG: bhf 140, var+, acc+, dec- toco vlak

TAE: hoofdligging, kindsbewegingen+, hartactie+, vruchtwater normaal, placenta bilobata, placenta normaal aanliggend

nu geen actief bloedverlies in maandverband

Ivm geen bloedverlies alhier niet meer in speculo gekeken CONCLUSIE: bloedverlies bij AD 36+5wk

Opname volgens protocol: 024780 Vaginaal bloedverlies 2e helft zwangerschap

medisch beleid: iom dr. [naam collega-gynaecoloog, tegen wie onder zaaknummer 18149-3 ook een klacht bij het tuchtcollege is ingediend; hierna: gynaecoloog 3]

- opname op A6 volgens protocol

- pte mag al mobiliseren

- indien geen vbv vandaag, evt eind vd middag naar huis

- geen waakinfuus

- arts ass A6 op de hoogte

pte en partner beleid uitgelegd, willen graag weten waar het bloedverlies vandaag komt, nu niet te zeggen

pte en partner vinden het fijn om vandaag even hier te blijven en bloedverlies alhier te observeren

Med.rap.: VBV -, irr contracties. Patiente en partner voelen zich onrustig omdat VBV altijd ’s nachts is begonnen. Pte wil graag een nachtje blijven: akkoord.”

Op 7 februari 2014 werd het CTG ’s ochtends als normaal beoordeeld. Klaagster werd, met instructies, ontslagen. Er werd een controleafspraak gemaakt voor 12 februari 2014.

Op 12 en 17 februari 2014 werd klaagster door verweerder voor controle gezien op de polikliniek. Er waren geen bijzonderheden. Ook op 24 februari 2014 bezocht klaagster het poliklinisch spreekuur van verweerder. De decursus vermeldt:

“geen PE klachten

wat nu? pos. dys./veel oedeem

overleg RRS: niet te veel overtijd”

Op 25 februari 2014 werd klaagster opnieuw in het ziekenhuis opgenomen door de dienstdoende gynaecoloog (tegen wie onder zaaknummer 18149-4, ook een klacht bij het tuchtcollege is ingediend; hierna gynaecoloog 4). De decursus vermeldt:

“medische bevindingen: anamnese: dienst door [namen klinisch-verloskundige en gynaecoloog 4]. G1p0, AD 39+3 wkn A pos.

MI: oedeem + bloedverlies 2e helft zws. Hiervoor 2 maal eerder opname.

RvK: bloedverlies e.c.i., geen buikpijn, leven +, vocht -.

Allergie: geen, medicatie: geen

Groei: AD 36 weken FAC p97, GG 3200 gram.

ONDERZOEK: CTG: BHF 130 bpm, var+, acc+, dec-, toco: wat contracties. Mw. voelt deze niet.

C/ normaal CTG

RR 135/100, 142/100

P:92, AHF 16

Alhier een klein beetje helder vbv in verband, thuis doordrenkt en broek ook nat.

Oogt niet in partu, niet ziek. Oedeem +++, een overige PE klachten, niet zieke mevrouw.

UO: zeer grote uitzetting, rug links, cvibi.

TAE: plac VW, bilobata, ligt goed aan, niet laag, AFI 21 cm, kbb ++

2e keer RR 142/100, automatisch lager 142/ 85-95

IS: opnieuw actief bloedverlies, kleine stolseltjes, helder. cervix normaal uiterlijk.

VT: 1/2 verstr, geen ontsluiting, medio sacraal.

leven +, vbv +, vocht -.

Toxlab: ongestoord, Hb 8.1, MCV 93, tr 159, uz 0,31, ASAT 19, ALAT 12

EKR 35.

CONCLUSIE: goede foetale conditie. Pre-eclampsie. Flinke oedemen. Bloedverlies e.c.i.”

Om 10.25 uur werd in de decursus genoteerd:

“Med. Rap.: RR 142/100 oedeem++, geen overige PE klachten. Niet zieke Mevrouw

TAE: plac VW, bilobata, ligt goed aan, niet laag, AFI 21 cm, kb++. Mw. voelt geen contracties, alhier opnieuw helder rood bloedverlies.”

Om 11.27 uur werd in de decursus genoteerd:

“medisch beleid: Overleg met DD [naam gynaecoloog 4].

Opname A5 i.v.m. bloedverlies, oedemen en PE (alhier A5 voldoende plek en volgende dag inleiding), drie maal daags CTG controle, bij herhaling van bloedverlies eerder. Drie maal daags tensie controle, zn eerder bij tensie > 140/90. Inleiding staat gepland voor 26/02. Uitleg over inleiding gegeven, inleiding middels prostin gezien bloedverlies. Dhr en Mw op de hoogte. Nu geen noodzaak tot start met medicatie. 48 uur post partum observatie.”

En in het Mosos-dossier (p. 31 van het medisch dossier) vermeldde de klinisch verloskundige:

“Opname i.v.m. vbv, tevens toxlab controle i.v.m. RR142/100.

Opname A6.

26/02 inleiding i.v.m. pos. dys, oedeem, PIH en bloedverlies.”

Tijdens de medische overdracht die dag werd met gynaecoloog  4 het volgende besloten:

“Medisch beleid iom dr [naam  gynaecoloog 4]:

- geen medicatie mbt RR

- stolling nu bepalen niet nodig. Morgenvroeg beperkt toxlab + stolling laten bepalen”

Op 26 februari 2014 is de bevalling van klaagster ingeleid vanwege de verdenking pre-eclampsie. De dienstdoende gynaecoloog is gynaecoloog 5. De decursus vermeldt:

“Med.rap.: G1PO, D 39+4wkn

RvK: Inleiding PIH en verdenking PE

pte is gisteren opgenomen op A6

forse oedemen, 40 kg aangekomen

2x vaginaal bloedverlies

gisteren PIH en EKR 35

NB: placenta bilobata!!!”

Om 09.45 uur werd in het medisch dossier genoteerd:

“mw heeft redelijk geslapen

geen PE-klachten, behoudens fors oedeem gehele lichaam, mw voelt zich goed

veegje bloedverlies

RR 130/95 mmHg (7.45 uur)

Lab: Hb 7,7, Tr: 166

fibrinogeen: 5,5, d-dimeer: 3,75

VT: Psacraal, staand, vinger top toegankelijk (iets bloedverlies aan handschoen)

UO: zeer ruime uitzetting, EFW lastig te schatten, lijkt wel 8 pond!

RR nu 140/95 mmHg

B/ 1 mg prostin in FP ingebracht, over 3uur herbeoordelen

waaknaald ivm oplopende tensie

CTG handhaven

tensie over 1 uur handmatig overmeten”

En om 10.58 uur noteerde de klinisch verloskundige in het medisch dossier:

“Med. Rap.: RR 130/95, geen PE-klachten`

B/overleg met Dkt [naam gynaecoloog 5] gezien tensie

Start labetalol 3x dd 100mg oraal   

pte mag even douchen, over 1uur tensie overmeten en CTG weer aansluiten”

Gedurende de dag bleef het CTG aangesloten. De tensie schommelde. Uit de medische notities blijkt dat de tensie schommelde tussen 115/65 en 130/95 (om 10.58 uur) en uit de verpleegkundige notities blijkt dat de tensie schommelde tussen 115/65 en 135/95 (om 07.44 uur). Er werd nog tweemaal prostaglandine gel ingebracht. In de avond werd besloten dat het CTG werd afgesloten.

Op 27 februari 2014 (00.34 uur) verloor klaagster vaginaal helderrood bloed. De dienstdoende gynaecoloog is een collega-gynaecoloog (tegen wie onder zaaknummer 18149-8 ook een klacht bij het college is ingediend; hierna: gynaecoloog 8). Het CTG werd aangesloten. Om 01.55 uur was bij het vaginaal toucher sprake van helderrood bloedverlies.

In de verpleegkundige notities is om 02.54 uur vermeld:

“iom vlk [naam verloskundige] als CTG accelartief is mag deze afgesloten worden.”

Om 03.07 uur is vermeld: “iom arts [naam arts] CTG afgesloten.”  

Er is in de ochtend gestart met het bijhouden van een vochtbalans vanwege de persisterende klachten van kortademigheid. Het CTG werd aan- en weer afgesloten.

Om 13.27 uur vermeldt de decursus:

“heeft geslapen. Voelt geen contracties. O/ CTG; toco irr, 2 contr/10 min. BHF 130 bpm, var+, acc+, dec- C/ normaal CTG VT: onveranderd, nog steeds sacraal, niet verder doorgevoeld.

B/2 mg prostin

Over 3 uur herbeoordelen.”

Om 17.30 uur vermeldt de decursus:

“NB: Dhr maakt een gespannen en bezorgde indruk, wil er niet over praten. Na het VT alleen met mw gesproken. Gevraagd of dhr alles wel begrijpt. Mw. geeft aan dat dhr het Nederlands nu niet goed kan volgen. Aangegeven dat we dhr ook graag willen begeleiden dus ook alle uitleg willen geven die hij nodig heeft. Mw vertelt dat dhr zich afvraagt waarom er geen keizersnede gedaan gaat worden. Info gegeven over dat sectio ook nadelen heeft voor kraambed en volgende zwangerschap. Ook uitleg gegeven over waarom start vochtbalans. Afhankelijk avond/nacht en conditie moeder en kind zal morgen verder beleid besproken worden. Mw zal dit alles met meneer terug koppelen. Als mw verduidelijking nodig heeft komt ze er op terug bij mij.”

Om 20.20 uur staat er:

“Med. rap.: Mw heeft met dhr gesproken. Dhr. geeft aan extra uitleg nodig te hebben over het beloop en verdere beleid. Mw. heeft het zwaar en moeite met de pijn en dyscomfort vanwege forse oedemen Uitgelegd dat ik het gesprek samen zal doen met [naam gynaecoloog 8]”

Gynaecoloog 8 sprak met klagers over het beloop en beleid. Zij rapporteerde om 22.15 uur in de decursus:

“Med. rap.: Na uitgebreid gesprek met echtpaar besloten om voor de nacht nog te toucheren na applicatie van Instilagel vulvair ivm pijn bij VT bij patiënte met seksueel trauma in de anamnese.

CTG optimaal

RR 125/80, vochtbalans heden 450 ml positief.

VT: sacrale weke half verstreken portio, niet uitgebreid naar eventuele ontsluiting gevoeld i.v.m. nog oud bloed verlies, maar ostium ext. lijkt toegankelijk.

B: proberen te slapen met PCM 100 mg en Normison 20 mg indien wakker dan CTG en RR

28/2 ochtend toxlab cito

Morgenochtend VT door [naam gynaecoloog 8] zelf en eventueel vliezen breken”

Vanaf de ochtendoverdracht op 28 februari 2014 tot en met de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 is een collega-gynaecoloog (tegen wie onder zaaknummer 18148-6 ook een klacht bij het tuchtcollege is ingediend; hierna gynaecoloog 6) de dienstdoende gynaecoloog. Tijdens de ochtendoverdracht van 28 februari 2014 werd besloten dat het een rustdag zou worden. Om 16.38 uur werd het CTG als normaal beoordeeld. In de avond lijkt klaagster in partu te komen. De decursus vermeldt om 21.15 uur:

“Pte oogt in partu, ervaart veel pijnklachten. Na overleg besloten (mede ivm drukte op verkoever) 150 mg pethidine te geven, vervolgens in de loop van de avond EDA.”  

Het epiduraal katheter (hierna: EDA) werd ingebracht. Klaagster was rond 00.00 uur weer op de afdeling. Het CTG werd opnieuw aangesloten.

Op 1 maart 2014 om 00.36 uur noteerde de arts-assistent onder meer in de decursus:

“V: gebroken (…) VT: 3 cm, AROM, veel helder vruchtwater, SE plaatsen niet gelukt”

Het CTG werd om 00.40 uur en 01.22 uur beoordeeld als suboptimaal. Om 01.58 uur vermeldt de decursus:

“A: hoofd S: Positie: sacraal, Opm: VT ivm aanhoudend strak CTG, sinusoidaal patroon langer dan 60 minuten; var 2-5/min; C/abnormaal CTG

Bij het VT: veel helderrood vloedverlies. synto op 1 mlE/min; tocgram: 2a3 contr/10 min

C/helderrood bloedverlies, stagnatie baring

B/ dkt [naam  gynaecoloog  6] op de hoogte gebracht van bloedverlies en abnormaal CTG.

SE plaatsen wederom niet gelukt.”

Gynaecoloog 6 noteerde om 02.11 uur in de decursus:

“Gevraagd mee te kijken ivm ruim bloedverlies en twijfel over CTG.

In het matje veel bloedverlies met bijmenging van vruchtwater. Nu normaal bloedverlies i het matje.

CTG: goede variabiliteit geen acceleraties. Tgv pethidine?

lijkt een verlaging in basishart frequentie van 135 sl/min naar 120 sl/min.

nu weer goed herstel. nu bhf 140??

C/ geen reden voor interventie

syntho verder ophogen, expectatief”

Om 03.47 uur werd in de decursus genoteerd:

“VT 4 cm, verstreken, SE geplaatst CTG: iom dkt [naam  gynaecoloog 6] normaal CTG, dus varen op STAN.

C: stagnatie baring B: synto verder ophogen, 2 uur herbeoordelen.”

Om 04.44 uur werd door de arts-assistent genoteerd:

“CTG beoordeeld op 01-03-2014 04.44: tocogram:4a5 contr/10 min; gepaarde contracties met tussendoor niet meer halen van de basislijn; bhf 140/min; var 5/min; acc-; gecompl var dec sinds 04.30; C/abnormaal sinds 04.30. STAN goede reg, geen events.”

Om 05.39 uur staat er:

“CTG beoordeeld op 01-03-2014 05.41:tocogram 4 contr/10min; bhf 140/min; var 5bpm; acc-; een gecompliceerde variabele deceleratie; STAN goede registratie, geen events; C/ suboptimaal CTG”

In klaagsters medisch dossier ontbreekt de verslaglegging van het CTG tussen 05.39 uur en 12.00 uur. De STAN-registratie ontbreekt tussen 05.39 uur en 11.29 uur.

Om 06.28 uur staat er:

“Toucher, povias: P:verstreken O:6 cm V:gebroken I: H1 A:hoofd S: Positie: sacraal, Weekheid: matig week, Opm: ophogen EDA heeft gewerkt. VT: progrressie, rjuim 6 cm. C: progressie B: 2 uur herbeoordelen.”

Om 08.34 uur noteerde de arts-assistent in de decursus:

“Toucher, povias: P:verstreken O:8 cm V:gebroken I:H2 A:hoofd S:Positie:symfysair, Weekheid:week, Opm: C/mooie progressie B/2 uur herbeoordelen”

Tijdens de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 is de situatie van klaagster besproken. Hiervan is geen dossieraantekening gemaakt. Verweerder, die vanaf 09.00 uur dienst had als (tweede) achterwacht, was daarbij aanwezig. Ook gynaecoloog 6 en de collega-gynaecoloog (tegen wie onder zaaknummer 18149-7 ook een klacht bij het tuchtcollege is ingediend; hierna: gynaecoloog 7) die na de ochtendoverdracht de dienstdoende gynaecoloog was, waren daarbij aanwezig. Er werd besloten een microbloedonderzoek (hierna: MBO) te laten uitvoeren.

Om 10.40 uur werd in de decursus genoteerd:

“Toucher, povias: P:verstreken O:9cm V:I:A: S: Opm: Flink drukgevoel Blijft helderrood bloedverlies houden, +stolsels VT: soepel afschuifbaar randje voor, CH2+ Proefpersen niet succesvol”

In het dossier is vermeld dat het MBO is afgenomen om 11.29 uur. In de decursus noteerde de arts-assistent:

“Toucher, povias: P: O:10 cm V:I:H2 A:S:Opm: Flink drukgevoel

Aanhoudend helderrood bloedverlies, + stolsels

VT: VO, CH2+

MBO afgenomen, vlotte afname, uitslag pH 7,31

Dkt [gynaecoloog 7] geïnformeerd

STAN goede registratie, geen events

B/start actief persen”

Omdat de uitdrijving/indaling niet vorderde, heeft de arts-assistent om 12.00 uur gynaecoloog 7 geïnformeerd. Op dat moment was de STAN-registratie goed (“geen events”) . Het CTG vertoonde op dat moment geen acceleraties, matige variabiliteit, deceleraties met vlot herstel, bhf 140 bpm.

Gynaecoloog 7 zag klaagster voor het eerst om 12.05 uur toen sprake was van een niet vorderende uitdrijving. Zij besloot tot een secundaire sectio vanwege een niet vorderende uitdrijving/indaling en het aanhoudende suboptimale CTG. Zij noteerde in de decursus:

“VT: VO caput suc op H2, sacraalholte nog leeg, stand niet te bepalen. Conclusie: NVU bij beeld passend bij CPD. Advies: sec SC, uitleg, echtpaar akkoord.”                                        

Zij voerde samen met een arts-assistent en de anesthesioloog (tegen wie onder zaaknummer 18149-10 ook een klacht bij het college is ingediend; hierna: de anesthesioloog) de sectio uit. De sectio verliep moeizaam. Om 13.14 uur is de dochter van klagers (hierna: de dochter) geboren. De dochter was slap, bleek en ademde niet. De navelstreng had een pH van 7.27. De dochter is direct gereanimeerd. In het operatieverslag van de arts-assistent van 1 maart 2014 (p. 46/47 van het medisch dossier) staat:

“(..) Bij het openen van de fascie geeft patiënte veel pijn aan. Opvallend is de uitgebreide pre-peritoneale vascularisering. Het peritoneum wordt hoog stomp geopend, waarbij de pijnklachten verder toenemen. Patiënte wenst niet onder narcose. Het blaasperitoneum wordt geopend en afgeschoven. Hierna krijgt patiënte extra pijnstilling in de vorm van Sufenta en Ketanest. Er wordt een dwarse incisie in het onderste uterussegment gemaakt, welke digitaal wordt verbreed. Het caput ligt diep in het bekken en is lastig te ontwikkelen, doordat het niet goed lukt grip op het caput te krijgen. Dr [naam gynaecoloog 7] neemt over en er wordt AAV een dochter ontwikkeld, bleek en niet huilend. Zij wordt afgenaveld en direct overgedragen aan de kinderarts. Er wordt een astrupp afgenomen uit de navelstreng. Antibioticaprofylaxe en 5 IE syntocinon iv worden gegeven. Het lukt niet om de placenta volgens controlled cord te verwijderen ten gevolge van een velamenteuze insertie van de navelstreng. Uiteindelijk wordt de placenta manueel verwijderd, hetgeen lastig gaat. Hierna is sprake van een atonie, waarbij ruim bloedverlies. Syntocinon pomp fluxus behandeling vlgs protocol. Uterus contracteert nu goed. (…)”

Bij onderzoek van de placenta na de bevalling bleek één arterie te zijn beschadigd. In geschil is of dit vat is afgescheurd (verweerder) of is doorgesneden/afgekliefd (klagers).

In de vroege ochtend van 2 maart 2014 wordt besloten de dochter over te plaatsen naar een ander ziekenhuis met een NICU-afdeling (hierna te noemen: het tweede ziekenhuis). De dochter is aldaar op de NICU-afdeling opgenomen.

In de brief van 2 maart 2014 aan de verloskundigenpraktijk heeft gynaecoloog 7 onder meer het volgende geschreven:

“In verband met niet vorderende uitdrijving en indaling, met een onvoldoende diepstaand caput voor een vaginale kunstverlossing, werd besloten tot een secundaire sectio. Hierbij was bloedverlies van 2000 ml op basis van atonie. Er werd een dochter [naam dochter] geboren met een slechte start, met een apgar score van 1/5/7. Zij werd kortdurend gereanimeerd door de kinderarts, waarbij zij snel bijkwam. Gezien de bleekheid van [naam dochter] en een Hb 5,3 bestond de verdenking op foetale verbloeding, waarvoor zij een transfusie kreeg. Er was sprake van een placenta bilobata met een velamenteuze insertie van de navelstreng, waarbij 1 van de verbindende vaten doorgescheurd was, mogelijk is dit tijdens de sectio gebeurd en is dit de oorzaak van de slechte start van [naam dochter]. Dit zou ook bij het verwijderen van de placenta gebeurd kunnen zijn aangezien 1 van de lobben manueel verwijderd moest worden.”

Gynaecoloog 7 noteerde op 4 maart 2014 in het medisch dossier (p. 31):

“(…) Gebeld met [naam tweede ziekenhuis], via verpleegkundige die mevrouw daar verzorgt doorgegeven dat [initialen verweerder] en ik morgenavond rond 20 uur langskomen. Indien niet gewenst door patiënte dit graag aan ons doorgeven.”

In een brief van 27 maart 2014 van het tweede ziekenhuis aan de kinderarts van het (eerste) ziekenhuis schreven de kinderarts-neonatoloog en verpleegkundig specialist neonatologie i.o:

(pag. 211-213 van het medisch dossier)

“Er werd een dochter geboren, [naam dochter]. Zij kwam bleek, slap en niet ademend, zonder hartactie ter wereld. Er werden 3x5 insufflatie beademingen gegeven. Er was geen verbetering van de hartactie waarop werd gestart met hartmassage. [naam dochter] werd 3 minuten post partum geïntubeerd, 5 minuten post partum was de hartactie > 60 slagen per minuut en ademde [naam dochter] spontaan waarop ze gedetubeerd is. Apgarscores waren 1, 5 en 7 na respectievelijk 1, 5 en 10 minuten. [naam dochter] werd met CPAP ondersteuning naar de couveuse afdeling getransporteerd. Het geboortegewicht bedroeg 4070 gram (p90).

Navelstreng PH: 7.27

(…)

MRI cerebrum:

04-03: uitgesproken diffuus oedeem van de grote hersenen corticaal-subcorticaal met sterk verlaagde diffusiewaarden (0,3-0,4) en licht verlaagde diffusiewaarden in de centrale witte stof (1,0-1,2). Tevens in Corpus Callosum en Cortico-spinale banen. Putamen en Thalami beiderzijds deels verlaagde diffusie. Zeer slanke ventrikels.

Conclusie: beeld passend bij hypoxie-ischemie en epilepsie.

(…)

Diagnose:

Ernstige hypoxisch-ischemische encefalopathie met epilepsie door perinataal bloedverlies.”

In het tweede ziekenhuis heeft tweemaal een moreel beraad plaatsgevonden. Als casusomschrijving is daarbij vermeld (p. 304 van het medisch dossier):

“Ernstige asfyxie tgv bloedverlies tijdens sectie. Sterk convulsief. Oedeem witte stof, verdwenen (sub)corticale aftekening, infarcering, beschadiging cortex” .

In overleg met klagers is besloten af te zien van verdere behandeling van hun dochter.

Op 11 maart 2014 is hun dochter thuis overleden.

Naar aanleiding van een interne melding van het beloop van de bevalling als mogelijke calamiteit bij de medisch specialist patiëntveiligheid van het ziekenhuis, heeft op 11 maart 2014 een multidisciplinair overleg plaatsgevonden. Daarbij waren onder meer verweerder, gynaecoloog 7, de anesthesioloog en de kinderarts aanwezig. Gynaecoloog 6 was wegens vakantie afwezig. Geconcludeerd werd dat geen sprake was van een calamiteit (in de zin van de tot dan toe geldende Kwaliteitswet Zorginstellingen, thans: Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg) en dat geen de melding aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (thans: Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd, hierna: Inspectie) behoefde te worden gedaan.

Op 15 juli 2014 heeft gynaecoloog 8 namens de vakgroep gynaecologie/verloskunde de Inspectie op de hoogte gesteld van het beloop van de gebeurtenissen. De brief aan de Inspectie is gedateerd op 6 juni 2014. Desgevraagd heeft de Raad van Bestuur van het ziekenhuis de Inspectie laten weten dat niet werd voldaan aan de definitie van calamiteit in de zin van de wet. Per brief van 29 september 2014 heeft de Inspectie het ziekenhuis verzocht onderzoek te doen naar het verloskundig traject. Verweerder heeft als hoofdbehandelaar de huisarts van klagers geïnformeerd dat er een SIRE-onderzoek ging plaatsvinden. Het onderzoek resulteerde in het SIRE-rapport van 11 maart 2015. Onder meer verweerder, gynaecoloog 6, gynaecoloog 7, de anesthesioloog en de kinderarts zijn in het kader van dit onderzoek geïnterviewd. Het rapport is, desgevraagd, op 20 juni 2016 aan klagers gezonden. Een kopie is aan hun huisarts gestuurd. 

3.         Het standpunt van klagers en de klacht

Klagers verwijten verweerder dat hij:

a.      klaagsters klachten en zorgen en de problemen bij hun dochter tijdens de klinische behandeling niet serieus heeft genomen;

b.      niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn informatieplicht (zie ook artikel 7:448 BW), aangezien hij:

-      klaagster niet op zorgvuldige wijze heeft geïnformeerd over de onderzoeken, de uitslagen daarvan en de behandelingen die zij en de dochter ondergingen en wat de mogelijke opties waren, ook met betrekking tot vervolgonderzoeken;

-      klaagster de diagnose placenta bilobata niet heeft meegedeeld;

-      niet, althans onvoldoende, de mogelijke oorzaken van klaagsters vaginaal bloedverlies heeft besproken;

-      klaagster voor de bevalling niet, althans onvoldoende, heeft gewezen op de mogelijke complicaties voor moeder en dochter;

-      klaagster niet in staat heeft gesteld een weloverwogen besluit te nemen over (voorgestelde) onderzoeken en behandeling voor moeder en dochter, waaronder de wijze van bevallen;

-      klaagster niet, althans niet voldoende heeft geïnformeerd wie de leiding of de eindverantwoordelijkheid had;

-      de huisarts, althans de eerstelijns zorg waaronder ook de verloskundige niet heeft geïnformeerd;

c.       onvoldoende onderzoek en diagnostiek heeft verricht en een al met al te afwachtend en onjuist beleid heeft gevoerd, aangezien hij:

-      geen, althans onvoldoende, differentiaal diagnostiek heeft verricht;

-      geen nader echoscopisch onderzoek door middel van een kleurendoppler met pulsed dopplertechniek heeft verricht naar de oorzaak van klaagsters vaginaal bloedverlies en geen nader onderzoek heeft verricht naar het verloop van de verbindende vaten tussen de placentadelen, al dan niet laag in utero, en de bevindingen onvoldoende onderling heeft geëvalueerd;

-      klaagsters vaginaal bloedverlies tijdens de verschillende opnames niet heeft geobjectiveerd;

-      geen bloedtest (bv. de Kleihauer Betke test) heeft gedaan om te bepalen of het vaginaal bloedverlies van moederlijke of kinderlijke oorsprong is;

-      de NVOG-richtlijn “Bloedverlies in de tweede helft zwangerschap” niet heeft nageleefd en de diagnose vasa previa, die ten onrechte ook niet differentiaal diagnostisch is overwogen, heeft gemist;

d.      een onvolledige en onjuiste overdracht aan de andere (kinder)artsen heeft gedaan en de casus van klaagster onvoldoende onderling heeft besproken en onvoldoende (onderlinge en zelf-)reflectie heeft;

e.       de geheimhoudingsverplichting heeft geschonden;

f.        geen juiste uitvoering heeft gegeven aan het hoofdbehandelaarschap;

g.      in strijd met artikel 38 Wet BIG aan een klinische verloskundige een opdracht tot het verrichten van een in artikel 36 Wet BIG beschreven handeling heeft gegeven;

h.      niet, althans onvoldoende heeft voldaan aan zijn dossierplicht, aangezien:

-      hij op niet adequate en juiste wijze het medisch dossier van klaagster en de dochter heeft bijgehouden en daarin tegenstrijdigheden heeft opgenomen;

-      het medisch dossier geen blijk geeft van het toezicht op de klinisch verloskundige door een arts;

i.        de praktijkorganisatie onvoldoende op orde had aangezien hij:

-      geen, althans een onvoldoende, werkplan had;

-      twee ANIOS/AIOS gelijktijdig dienst heeft laten doen in de nacht voorafgaande aan de bevalling;

-      de operatiekamer niet op orde had;

j.        te laat en geantedateerd een calamiteit aan de Inspectie heeft gemeld en de Inspectie onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd;

k.       in strijd heeft gehandeld met de GOMA door niet (direct volledige) openheid van zaken te geven na de geboorte van de dochter en lange tijd te ontkennen dat medisch verwijtbare fouten zijn gemaakt;

l.        klaagsters klachten en zorgen en de problemen bij de dochter tijdens de poliklinische behandeling niet serieus heeft genomen;

m.    klaagster de geconstateerde velamenteuze insertie van de navelstreng (resulterend in een vasa previa) niet heeft meegedeeld;

n.      na het artificieel breken van de vliezen bij klaagster niet, althans onvoldoende, het vaginaal bloedverlies heeft besproken;

o.      de CTG-afwijkingen niet, althans onvoldoende, met klaagster heeft besproken, hetgeen ook niet tot vervolgonderzoek leidde;

p.      in strijd heeft gehandeld met de NVOG-richtlijn “Inductie van de baring”, omdat hij de baring ten onrechte kunstmatig op gang heeft gebracht door middel van prostaglandinen en de consequenties en de mogelijke tijdsduur daarvan niet met klaagster heeft besproken;

q.      de vliezen ten onrechte artificieel liet breken;

r.       de diagnose foetale anemie niet eerder heeft overwogen en ten onrechte alleen ten gevolge van het doorsnijden of verscheuren van een vat in de navelstreng tijdens de keizersnede de diagnose foetale anemie heeft gesteld;

s.       het CTG onjuist heeft geïnterpreteerd en onvoldoende (frequent) heeft beoordeeld en geclassificeerd en niet eerder heeft besloten tot een (spoed)keizersnede;

t.        bij afwezigheid van acceleraties bij de foetus heeft verzuimd met de echo te onderzoeken of er foetale bewegingen waren;

u.      het op 1 maart 2014 aan enige vorm van regievoering heeft ontbroken;

v.       het heeft ontbroken aan (voldoende) nazorg na de bevalling tot aan de overplaatsing van klaagster en de dochter naar het andere ziekenhuis;

w.     gynaecoloog sub 7 klaagster niet tijdig zelf heeft beoordeeld, zij mocht dat gezien de hele voorgeschiedenis niet overlaten aan een klinisch verloskundige. Gynaecoloog sub 7 had de keizersnede niet door een arts-assistent moeten laten aanvangen;

x.       de keizersnede onder verantwoordelijkheid van gynaecoloog sub 7 is gestart zonder (voldoende) overleg met de anesthesioloog;

y.       gynaecoloog sub 7 vóór de geboorte van de dochter een bloedvat van de navelstreng heeft doorgesneden/beschadigd en onduidelijkheid heeft gecreëerd over de oorzaak van het ernstig bloedverlies bij de dochter;

z.       gelet op de bijzonderheden van deze casus, de placenta en de vruchtzak zijn weggegooid die daardoor niet meer beschikbaar zijn geweest voor onderzoek;

aa.  gynaecoloog sub 7 na de bevalling onjuiste en misleidende informatie aan klagers heeft gegeven over de gezondheidstoestand van hun pasgeboren dochter.

Klagers hebben voorts verzocht om, bij (geheel of gedeeltelijke) gegrondverklaring van de ingediende tuchtklachten met oplegging van een maatregel, in de beslissing op te nemen dat de kosten die zij in verband met de behandeling van de klachten redelijkerwijs hebben moeten maken door verweerder worden vergoed.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De overwegingen van het college

Het college heeft er begrip voor dat het overlijden van hun dochter voor klagers zeer aangrijpend is geweest. Dat doet er niet aan af dat het tuchtcollege het beroepsmatig handelen van verweerder zakelijk dient te beoordelen. Bij deze tuchtrechtelijke beoordeling gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar dient te worden beoordeeld of verweerder als gynaecoloog en hoofdbehandelaar van klaagster heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend, redelijk bekwaam gynaecoloog/hoofdbehandelaar in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard. Voorts staat bij deze tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van verweerder alleen het persoonlijk handelen van verweerder centraal.

Persoonlijke betrokkenheid verweerder

Vaststaat dat verweerder als gynaecoloog, tevens hoofdbehandelaar, klaagster heeft gezien op zijn poliklinische spreekuren van 18 november en 12 december 2013 en 13 januari, 3, 12, 17 en 24 februari 2014 en dat hij daarnaast bij de klinische behandeling van klaagster enkel (als tweede achterwacht) aanwezig geweest bij de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 (zie onder 2. Feiten) en verder heeft hij geen zorg aan klaagster verleend op 1 maart 2014. De klachtonderdelen n t/m aa hebben betrekking op het professioneel handelen rondom de bevalling van klaagster. Verweerder was daar, met uitzondering van de ochtendoverdracht op 1 maart 2014, niet bij betrokken. De in deze klachtonderdelen vervatte verwijten, met uitzondering van de klachtonderdelen r, s, u en v, treffen verweerder niet rechtstreeks, ook niet in zijn hoedanigheid van hoofdbehandelaar. De klachtonderdelen n t/m q, t en w t/m aa missen daarom een feitelijke grondslag en zijn ongegrond.

Klachtonderdeel a

Het eerste klachtonderdeel – en wat betreft klagers ook het belangrijkste klachtonderdeel – kort en zakelijk weergegeven inhoudende dat klaagster zorgen en problemen bij de dochter tijdens de klinische behandeling door verweerder niet serieus zijn genomen, is door klagers nader geconcretiseerd in de klachtonderdelen b en c. Klachtonderdeel a heeft daarom geen zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen afzonderlijke bespreking.

De klachtonderdelen b en c zullen hierna, na de klachtonderdelen f, u en v, worden besproken.

Klachtonderdelen f, u en v

Deze klachtonderdelen zullen vanwege de samenhang tezamen worden behandeld.

Deze klachtonderdelen, waarin verweerder in de kern wordt verweten dat hij geen juiste uitvoering heeft gegeven aan het hoofdbehandelaarschap, kleuren mede de andere aan verweerder gemaakte verwijten en wordt daarom voorafgaand aan de andere klachtonderdelen besproken.

Verweerder erkent dat hij de hoofdbehandelaar van klaagster was, hij heeft de intake gedaan en aan de eerstelijnsverloskundige voorgesteld de behandeling over te nemen. Naast de zeven poliklinische controlebezoeken bij verweerder werd klaagster ook door andere gynaecologen en klinisch verloskundigen op de polikliniek gezien. Er was sprake van een zogenaamde teambehandeling, waarbij de controles door roulerende gynaecologen en verloskundigen werden gedaan. Verweerder heeft toegelicht dat dit te maken heeft met het feit dat de termijnen voor controles tijdens de zwangerschap nauw luisteren en het daarom niet altijd mogelijk is om op vaste tijdstippen steeds terug te komen bij (alleen) de hoofdbehandelaar.

Het college overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG 17 april 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1952 en YG1953) dient als uitgangspunt te worden genomen dat de hoofdbehandelaar, naast de zorg die hij als hulpverlener ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen heeft te betrachten, is belast met de regie van de behandeling van de patiënt. De regie houdt in algemene zin in dat de hoofdbehandelaar:

1.      ervoor zorg draagt dat de verrichtingen van allen die beroepsmatig bij de behandeling van patiënt zijn betrokken op elkaar zijn afgestemd en gecoördineerd, in zoverre als een en ander vereist is voor een vakkundige en zorgvuldige behandeling van de patiënt en tijdens het gehele behandelingstraject voor hen allen het centrale aanspreekpunt is;

2.      voor de patiënt en diens naaste betrekkingen ten aanzien van informatie over (het verloop van) de behandeling het centrale aanspreekpunt vormt.

a)      door adequate communicatie en organisatie de voorwaarden en omstandigheden schept waaronder de behandeling verantwoord kan worden uitgevoerd;

b)      de betrokken zorgverleners in staat stelt een deskundige bijdrage te leveren aan een verantwoorde behandeling van de patiënt;

c)      in de mate die van hem beroepsmatig verwacht mag worden alert is op aspecten van de behandeling die mede liggen op andere vakgebieden dan het zijn en zich over die aspecten laat informeren door de specialisten van de andere vakgebieden;

d)      toetst of de door de betrokken zorgverleners geleverde bijdragen aan de behandeling van de patiënt met elkaar in verhouding zijn en passen binnen zijn eigen behandelplan en in overeenstemming hiermee ervoor heeft gezorgd dat de bij de verschillende zorgverleners ingewonnen adviezen zijn opgevolgd;

e)      in overleg met de desbetreffende bij de behandeling betrokken zorgverleners erop toeziet dat in alle fasen van het traject dossiervoering plaatsvindt die voldoet een de daaraan te stellen eisen;

f)       als hoofdbehandelaar de patiënt en zijn naaste betrekkingen voldoende op de hoogte houdt van het beloop van de behandelingen en hun vragen tijdig en adequaat beantwoordt.

Naast het feit dat volgens deze overweging van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de hoofdbehandelaar voor de patiënt het centrale aanspreekpunt is, ziet de regiefunctie van de hoofdbehandelaar voor het overige vooral op het overleggen over en afstemmen van de behandeling van de patiënt met behandelaars c.q. specialisten van (voornamelijk) andere vakgebieden. Wat dat laatste betreft, is de situatie van een gynaecoloog als hoofdbehandelaar naar het oordeel van het college niet geheel te vergelijken met bijvoorbeeld een cardioloog die hoofdbehandelaar is van een patiënt die tevens in behandeling is bij een internist. Gelet op het feit dat zwangere vrouwen in geval van klachten of bij aanvang van de bevalling zich op ieder moment in het ziekenhuis kunnen melden bij de afdeling gynaecologie en/of verloskunde, zijn deze afdelingen niet alleen continu (24/7) bereikbaar, maar worden de patiënten alsdan behandeld door de dienstdoende gynaecoloog en/of klinisch verloskundige. Zo heeft klaagster zich op 31 januari, 6 en 25 februari 2014 op de triage van het ziekenhuis gemeld in verband met bloedverlies. Drie collega-gynaecologen van verweerder hadden toen dienst en dus hadden zij op dat moment de regie over de behandeling c.q. het in te zetten beleid. Het organiseren van de gynaecologische-obstetrische zorg in het ziekenhuis door middel van de een zogenoemde “teambehandeling” is daarom verklaarbaar en tuchtrechtelijk niet verwijtbaar. Vanwege de met een teambehandeling gepaard gaande betrokkenheid van verschillende gynaecologen en klinisch verloskundigen let een goede verslaglegging en zorgvuldige overdracht extra nauw.  Het college gaat daar hierna bij de klachtonderdelen b, d en h nader op in.

Wat betreft het hoofdbehandelaarschap van verweerder is het college van oordeel dat niet ten aanzien van alle klachtonderdelen geoordeeld moet worden dat hij niet als redelijk handelend, redelijk bekwaam hoofdbehandelaar heeft gehandeld. Zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt en ook uit het medisch dossier valt af te leiden (zie onder 2. Feiten) zijn de poliklinische bezoeken voor zoveel als mogelijk bij hem gepland, namelijk zeven van de vijftien. Verweerder stelt dat hij de klachten en zorgen van klaagster tijdens die consulten wel degelijk serieus heeft genomen en om die reden ook een aantal keer extra tijd voor klaagster heeft gereserveerd, hetgeen niet is betwist.

Ook ten aanzien van het klinische traject en tijdens de bevalling is het onmogelijk om de regie alleen bij de hoofdbehandelaar te laten. Het kan niet anders dan dat de regie dan wordt overgenomen door de dienstdoende gynaecoloog. Dat doet er niet aan af dat verweerder als hoofdbehandelaar van klaagster zo nodig beschikbaar dient te zijn als aanspreekpunt.

Volgens verweerder heeft hij klaagster tijdens haar opnames in het ziekenhuis bezocht als hij in huis was. Daarnaast is na overplaatsing van klaagster naar het tweede ziekenhuis via het personeel van dat ziekenhuis aan klagers bericht dat verweerder hen samen met gynaecoloog 7 wilde bezoeken. Naar het college aanneemt, met de bedoeling om het verloop van de gebeurtenissen rondom de bevalling en de bij klagers levende vragen en onduidelijkheden te bespreken. Aldus heeft verweerder zich jegens klaagster gedragen als hoofdbehandelaar en zijn taak als centraal aanspreekpunt serieus vorm gegeven. Mogelijk is verweerder in de communicatie daarover aan klaagster niet geheel duidelijk geweest. Uit het medisch dossier blijkt in ieder geval niet dat hij klaagster heeft meegedeeld dat hij hoofdbehandelaar was. Deze omissie is evenwel te gering om verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Ook zijn anders dan klagers stellen de huisarts en verloskundigenpraktijk van klaagster geïnformeerd over het beloop van de bevalling en de situatie/overplaatsing van hun dochter.

De klachtonderdelen f, u en v zijn ongegrond.

Klachtonderdeel b

Dit klachtonderdeel, toegespitst op verweerder, bevat in de kern het verwijt dat hij klaagster als hoofdbehandelaar niet heeft geïnformeerd over de geconstateerde placenta bilobata. Volgens klagers had verweerder deze complicatie aan klaagster moeten meedelen en door dat na te laten heeft hij haar niet in staat gesteld weloverwogen een besluit te nemen over de voorgestelde onderzoeken, behandelingen en de wijze van bevallen.

Volgens verweerder was het niet nodig klaagster hierover in te lichten omdat de placenta bilobata bij klaagster niet laag gelegen was.

Het college overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Een placenta bilobata bestaat uit twee delen (lobben) waarbij tussen de twee lobben vaatverbindingen ontstaan. Deze vaten bevinden zich in de vliezen en bevatten kinderlijk bloed. Als deze vaatverbindingen zich laag in de baarmoeder bevinden waar de ontsluiting optreedt dan spreekt men van vasa previa. Bij een placenta bilobata ontspringt de navelstreng uit één van de twee lobben en kan dan centraal uit een lob ontspringen. Ook kan de navelstreng eerst gedeeltelijk door de vliezen lopen en vanuit de vliezen ontspringen. Dan spreekt men van een velamenteuze insertie van de navelstreng.

In het naar aanleiding van het op 14 november 2013 verrichte echoscopisch onderzoek gemaakte verslag (p. 207 medisch dossier) is genoteerd: “Locatie placenta: dorsaal met lat/ventrale lob” . Hieruit leidt het college af dat bij klaagster sprake was van een placenta bilobata waarbij één lob van de placenta aan de rugzijde lag en de andere lob aan de voorzijde van de baarmoeder. Uit echoscopisch onderzoek, verricht op 1, 6 en 24 februari 2014, blijkt dat de placentalobben niet laag in de baarmoeder lagen, waardoor de kans op vasa previa zeer klein was. Ook was bij deze echoscopische onderzoeken geen aanwijzing voor vasa previa gevonden. De velamenteuze insertie van de navelstreng werd bij de keizersnede vastgesteld.

Een baby heeft circa 300 ml bloed bij de geboorte. Al bij gering foetaal bloedverlies zijn er gevolgen voor de foetale conditie. Dit kan zich uiten in het minder voelen van bewegingen van de baby of in een veranderd hartfrequentiepatroon op het CTG. Herhaald vaginaal bloedverlies in de zwangerschap is vrijwel nooit van foetale origine. Bij klaagster was sprake van herhaald vaginaal bloedverlies met flinke intervallen zonder dat dit effect had op de foetale conditie, zoals geobjectiveerd bij alle onderzoeken.

Uit artikel 7:448 lid 2 BW volgt dat een hulpverlener een patiënt moet informeren over wat de patiënt redelijkerwijze dient te weten over de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling, over de gevolgen en de risico’s ervan, over eventuele alternatieven en over de vooruitzichten.

Voor verweerder als hoofdbehandelaar geldt ten aanzien van de op hem rustende informatieplicht geen strengere maatstaf. Uit het medisch dossier (p. 30 en 31) volgt dat verweerder tijdens de poliklinische bezoeken de klachten van klaagster - met name de oedeemvorming - heeft besproken en haar voor zover nodig heeft geïnformeerd over het in dat verband te volgen beleid. Anders dan klagers veronderstellen, is een placenta bilobata geen afwijking. Een placenta bilobata moet worden gezien als een variatie op een normaliter uit één geheel bestaande placenta. Nu uit de echoscopische onderzoeken bleek dat de placenta bilobata bij klaagster niet laag was gelegen, volgt uit de (toen geldende) NVOG-richtlijn “Bloedverlies in de tweede helft van de zwangerschap” dat er geen sprake was een risicofactor. Er was daarom geen aanleiding om klaagster daarover te informeren omdat het risico op vasa previa in dat geval zeer klein is. De geconstateerde placenta bilobata had daarom geen gevolgen voor het te volgen beleid. Een behandelaar dient er bovendien voor te waken een patiënt onnodig ongerust te maken. Door verweerder is gelet hierop niet in strijd met het bepaalde in art. 7:448 lid 2 BW gehandeld.

De vermelding in het medisch dossier dat sprake is van een placenta bilobata is daarentegen niet overbodig; die vermelding moet worden bezien in het licht van de bevalling die, mede gelet op de teambehandeling in het ziekenhuis, door een ander dan degenen die een dergelijke vermelding in het dossier hebben aangebracht, kan worden begeleid. Deze gynaecoloog (of klinisch verloskundige) moet er namelijk op letten dat de volledige placenta wordt geboren. Naar het college aanneemt, heeft de klinisch verloskundige op 26 februari 2014 daarom in de decursus genoteerd: “NB: placenta bilobata!!!”

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c

Volgens dit klachtonderdeel, kort samengevat en wederom toegespitst op verweerder, had hij als hoofdbehandelaar direct na het vaststellen van de placenta bilobata uitgebreid echoscopisch onderzoek moeten (laten) doen om het verloop van de bloedvaten in de navelstreng vast te stellen en vasa previa uit te sluiten.

Verweerder betwist dat nader onderzoek in het geval van klaagster geïndiceerd was.

Ook dit klachtonderdeel moet worden beoordeeld in het licht van de hiervoor onder klachtonderdeel b vermelde feiten en omstandigheden. Het college verwijst daarnaar.

Tijdens het op 1, 6 en 25 februari 2014 verrichte echoscopisch onderzoek is gekeken naar de ligging van de placenta bilobata en toen is vastgesteld dat deze niet laag gelegen was (zie hiervoor onder 2. Feiten). Dat maakte dat de kans op vasa previa zeer klein was. In 2014 en ook nu is in de NVOG richtlijn “Bloedverlies in de tweede helft van de zwangerschap” niet opgenomen dat er in dat geval een kleurendoppler echo gemaakt moet worden. Er was daarom voor verweerder geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten dan wel dat, als hoofdbehandelaar van klaagster, binnen het team te bespreken of aan te dringen op nader onderzoek. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d

In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat sprake is geweest van een onvolledige en onjuiste overdracht aan de andere artsen, de situatie van klaagster onvoldoende is besproken alsook dat sprake was van onvoldoende (zelf)reflectie.

Verweerder heeft toegelicht dat de overdracht door de week drie keer op een dag plaatsvindt en in het weekend twee keer en dat tijdens die overdrachten op een groot scherm van iedere patiënt de relevante uitslagen en beeldvormend onderzoek (zoals een CTG) aan de opvolgend dienstdoende gynaecologen en verloskundigen worden getoond, toegelicht en besproken. Verweerder is als (tweede) achterwacht - en ten aanzien van klaagster tevens als haar hoofdbehandelaar - betrokken geweest bij de ochtendoverdracht op 1 maart 2014.

Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de ochtendoverdracht van

1 maart 2014 op dezelfde wijze is verlopen en dat de bespreking van klaagsters situatie toen ongeveer tien minuten heeft geduurd. Tijdens deze bespreking werd het CTG niet herkend als een sinusoïdaal patroon: er was geen verandering van de basishartfrequentie, er waren geen afwijkingen van de STAN registratie. Vermoed werd dat het CTG niet optimaal was door het toedienen van Pethidine (hetgeen invloed kan hebben op het CTG) en mogelijk duimzuigen van de baby. Besloten werd om die dag een MBO uit te voeren, aldus verweerder.

Naar het oordeel van het college is het voorstelbaar dat de ochtendoverdracht op

1 maart 2014, en meer in het bijzonder de bespreking van de situatie van klaagster, is verlopen zoals door verweerder in het verweerschrift (zie m.n. nummer 67) en ter zitting nader is toegelicht. Het college is van oordeel dat tijdens die overdracht de verwerping van de mogelijkheid van een sinusoïdaal patroon van het CTG om circa 02.11 uur die nacht door gynaecoloog 6 (zie onder 2. Feiten) op goede gronden is geaccordeerd. Daarbij is van belang dat een CTG als sinusoïdaal kan worden beoordeeld indien het patroon aan zes cumulatieve criteria voldoet, te weten: 1. stabiele basisfrequentie; 2. een amplitude van 5-15 per minuut; 3. een frequentie van 2-5 cycli als lange termijn variabiliteit; 4. een gefixeerde of vlakke korte termijn variabiliteit 5. oscillatie van de sinusvorm boven en onder de basisfrequentie; 6. geen deel van het CTG met normale variabiliteit of reactiviteit. Uit het medisch dossier blijkt dat daar in dit geval ten tijde van de beoordeling die nacht door gynaecoloog 6 niet aan werd voldaan. Ook is tijdens de ochtendoverdracht (mede) op grond van de CTG-registraties gedurende die nacht terecht besloten tot een MBO. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

Ingevolge artikel 7:454 BW is de arts verplicht om een dossier in te richten met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Daarin dient hij onder meer aantekening te houden van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is.

Adequate dossiervoering dient de kwaliteit en continuïteit van de zorgverlening, vergemakkelijkt de overdracht en is van zeer groot belang bij een teambehandeling. Hierdoor zijn alle bij de teambehandeling betrokken zorgverleners, zoals opvolgend artsen, eventuele supervisoren en achterwachten, in staat om eerder ingezet beleid te beoordelen en zo nodig bij te stellen. Bovendien vergemakkelijkt adequate dossiervoering in geval van complicaties of incidenten de reconstructie van de toedracht. Ten slotte stelt het de behandelaar in staat – waar nodig – verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid.

Indien een goede verslaglegging ontbreekt, kan het handelen van zorgverleners niet goed worden beoordeeld.

Met in achtneming van het voorgaande overweegt het college over de CTG-registratie als volgt.

Vooropgesteld wordt dat ten tijde van het handelen van verweerder de NVOG-richtlijn “Intrapartum foetale bewaking à terme” (vastgesteld op 14 november 2013) gold. In deze richtlijn staat het volgende:

“Het verdient aanbeveling om het CTG tijdens ontsluiting tenminste elk uur (…) te classificeren en vervolgens de hierop gebaseerde conclusie en het beleid te documenteren (in de uitdrijving documentatie achteraf).

(…)

Overwegingen

(…)

De aanbeveling is gebaseerd op consensus binnen de werkgroep, rekening houdend met haalbaarheid en pathofysiologische achtergronden. (....)

Indien het CTG niet normaal is, wordt geadviseerd om de frequentie van CTG-beoordeling aan te passen.”  

Opvallend in deze zaak is dat tot 05.39 uur – dus gedurende de nachtdienst – de uitslagen van het CTG regelmatig zijn genoteerd in het dossier, maar dat tussen 05.39 uur en 12.00 uur de verslaglegging van het CTG in klaagsters dossier ontbreekt (zie onder 2. Feiten). Dit terwijl volgens genoemde richtlijn de CTG-uitslagen tijdens de ontsluiting tenminste ieder uur dienden te worden geclassificeerd en gedocumenteerd. Daar was in dit geval zeker alle aanleiding toe. Immers, eerder die nacht waren de CTG-uitslagen abnormaal, de baring vorderde niet en na het artificieel breken van de vliezen trad bij klaagster om 01.58 uur veel helderrood bloedverlies op. Waarom de classificatie en registratie achterwege is gebleven, is door verweerder niet duidelijk gemaakt. Daarom is niet te beoordelen welke CTG’s over die periode tijdens de ochtendoverdracht zijn getoond en wat de uitslagen daarvan waren. Om die reden kan het college niet vaststellen dat tijdens deze ochtendoverdracht op juiste en deugdelijke gronden is besloten tot voortzetting van het beleid om het beloop van de baring bij klaagster gecontroleerd af te wachten. Verweerder was bij de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 aanwezig en had dit gat in de CTG-registratie moeten signaleren en aan de orde moeten stellen of op deugdelijke gronden werd besloten tot voortzetting van het beleid. Op dit punt treft verweerder een tuchtrechtelijk verwijt en is de klacht gegrond.

Het verwijt dat het verweerder heeft ontbroken aan (zelf)reflectie faalt. Verweerder heeft direct na de overplaatsing van klaagster naar het tweede ziekenhuis via het personeel van dat ziekenhuis een afspraak gemaakt om klagers aldaar te bezoeken. Verweerder heeft voorts, zo staat onbestreden vast, een bijdrage geleverd aan de nabespreking op 11 maart 2014, is betrokken geweest bij het opstellen van de notitie die aan de Inspectie is verstrekt en heeft meegewerkt aan het SIRE-rapport. Ook is verweerder begin april aanwezig geweest bij een uitgebreide bespreking met de huisarts van klagers over de gebeurtenissen rondom de bevalling. Tijdens die bespreking heeft verweerder (nogmaals) aangegeven graag met klagers in contact te komen om een en ander ook met hen te bespreken. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel e

Klagers verwijten verweerder, kort gezegd, dat hij de dossiers van klaagster en hun dochter bij hun overplaatsing naar het tweede ziekenhuis zonder toestemming van klaagster aan een vriend heeft meegegeven. Daardoor zou verweerder zijn geheimhoudingsplicht hebben geschonden.

Het college stelt vast dat door verweerder niet is weersproken dat beide dossiers, althans het dossier van klaagster, aan een vriend van klagers zijn/is meegegeven teneinde deze dossiers/het dossier te doen bezorgen bij het andere ziekenhuis nadat verzuimd was deze dossiers/het dossier van klaagster mee te geven met de ambulance. Onduidelijk is of hiervoor toestemming aan klaagster is gevraagd. In het kader van de overplaatsing van de dochter en de daarmee gepaard gaande overplaatsing van klaagster, hadden de dossiers direct aan de ambulanceverpleegkundige moeten worden overhandigd. Bij afgifte van het dossier aan een derde (niet betrokken zorgverlener) had klagers hiervoor om toestemming moeten worden gevraagd. Dat dit beide (mogelijk) niet is gebeurd, kan aan het ziekenhuis als zorgaanbieder worden verweten. Het hoofdbehandelaarschap van verweerder brengt evenwel niet mee dat ook hij voor dit onderdeel van de (organisatie van de) zorgverlening een verantwoordelijkheid draagt. Hij was ook niet als gynaecoloog bij de overplaatsing betrokken.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel g

Met dit klachtonderdeel wordt verweerder (als hoofdbehandelaar) verweten in strijd met artikel 38 Wet BIG aan een klinisch verloskundige een opdracht tot het verrichten van een in artikel 36 Wet BIG beschreven handeling te hebben gegeven. Klagers hebben in het klaagschrift naar voren gebracht dat dit klachtonderdeel concreet ziet op ‘het (zelfstandig) beoordelen van een CTG’ door een klinisch verloskundige. Voor zover door klagers nog andere handelingen zijn bedoeld, is niet duidelijk geworden welke handelingen dat zijn. Het college beperkt zich in de beoordeling dan ook tot de handeling ‘het (zelfstandig) beoordelen van een CTG’.

Verweerder betwist dat de verloskundigen buiten hun deskundigheid voorbehouden handelingen hebben verricht, terwijl ook uit het SIRE-rapport blijkt dat de zorgverleners, en dus ook de klinisch verloskundigen, (voldoende) bekwaam en bevoegd waren.

Het college overweegt als volgt.

Voor zover zou moeten worden aangenomen dat het beoordelen van het CTG een aan artsen voorbehouden handeling is (zie het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 24 maart 2015, ECLI:NL:TGZCTG:2015:99), zijn klinisch verloskundigen bevoegd, mits hiertoe bekwaam, deze uit te voeren indien en voor zover is voldaan aan de “tenzij-bepaling” in art. 38 van de Wet BIG. Uit dit artikel volgt immers dat het gynaecologen is toegestaan een voorbehouden handeling aan een ander op te dragen indien a) in gevallen waarin zulks redelijkerwijs nodig is aanwijzingen worden gegeven omtrent het verrichten van de handeling en toezicht door de opdrachtgever op het verrichten van die handeling en de mogelijkheid tot tussenkomst van een zodanig persoon voldoende zijn verzekerd en b) hij redelijkerwijs mag aannemen dat degene aan wie opdracht wordt gegeven, in aanmerking genomen het onder a) bepaalde, beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van de handeling. Uit de stukken, waaronder ook het medisch dossier en de toelichting ter zitting, leidt het college af dat de gynaecologen in het ziekenhuis aan de klinisch verloskundigen de opdracht hebben gegeven om tijdens de begeleiding van de bevalling de CTG-registraties te beoordelen en zo nodig de dienstdoende gynaecoloog te consulteren, hetgeen op laagdrempelige wijze kon geschieden. Voorts volgt uit hetgeen hiervoor over de wijze van overdracht is overwogen, dat de gynaecologen toezicht houden/hebben op die beoordeling. Voorstelbaar is dat tijdens de overdrachten op een groot scherm van iedere patiënt de relevante uitslagen en beeldvormend onderzoek (zoals een CTG) aan de opvolgend dienstdoende gynaecologen en verloskundigen zijn getoond en dat de gezondheidstoestand van de patiënt wordt toegelicht en besproken. Dit betekent dat aan voorwaarde a) is voldaan. Nu gesteld noch gebleken is dat de klinisch verloskundigen tot het beoordelen van de CTG-registraties niet bekwaam zijn, is ook aan voorwaarde b) voldaan.

Dit betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel h

In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij niet heeft voldaan aan zijn dossierplicht, omdat hij het dossier van klaagster en de dochter niet op adequate en juiste wijze heeft bijgehouden en daarin voorts tegenstrijdigheden zijn vermeld.

Verweerder stelt dat niet is toegelicht welke informatie ontbreekt of welke tegenstrijdigheden het dossier bevat. Voor zover klagers doelen op de tegenstrijdigheden betreffende het gescheurde bloedvat merkt verweerder op dat hij niet betrokken was bij de bevalling.

Het college overweegt als volgt.

Nog daargelaten dat jegens verweerder onvoldoende is geconcretiseerd op welke punten hij niet aan zijn dossierplicht heeft voldaan, is het college van oordeel dat het (poliklinisch) dossier voor zover bijgehouden door verweerder (zie p. 30 en 31 van het medisch dossier) wat beknopt is, maar niet zodanig dat voor opvolgend behandelaren niet duidelijk is wat klaagsters klachten waren en welke behandelingen naar aanleiding daarvan zijn ingezet of welk beleid is gevolgd. Dit klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

Ten aanzien van het verwijt dat het dossier tegenstrijdigheden bevat, gaat het college, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, er ook van uit dat daarmee wordt gedoeld op het gescheurde dan wel doorsneden bloedvat. Nu verweerder niet bij de bevalling was betrokken, mist dit verwijt feitelijke grondslag. Dit klachtonderdeel is ook in zoverre ongegrond.

Klachtonderdeel i

Volgens dit klachtonderdeel had verweerder de praktijkorganisatie onvoldoende op orde omdat hij geen, althans een onvoldoende werkplan had, twee ANIOS/AIOS gelijktijdig dienst heeft laten doen in de nacht voorafgaande aan de bevalling en de operatiekamer niet op orde was.

Verweerder merkt op dat niet duidelijk is wat klagers bedoelen met het ontbreken van een werkplan. Verweerder stelt dat een uitgebreid medisch dossier is bijgehouden op grond waarvan inzichtelijk is wat het beleid was. Wat betreft het gelijktijdig dienst doen door twee ANIOS/AIOS is verweerder van mening dat hem daarvan persoonlijk geen verwijt valt te maken omdat hij die nacht geen dienst had. Daarnaast wijst verweerder erop dat de arts-assistenten onder voortdurende supervisie van een gynaecoloog staan die altijd in het ziekenhuis aanwezig is, zodat het altijd mogelijk is te overleggen en er ook altijd een tweede gynaecoloog als achterwacht bereikbaar is. Ook wat betreft het niet op orde hebben van de operatiekamers is verweerder van mening dat hem daarvan geen persoonlijk verwijt valt te maken.

Het college overweegt als volgt.

Voor zover klagers met het ontbreken van een werkplan hebben bedoeld dat geen sprake was van een uitgezet beleid ten aanzien van klaagsters klachten, blijkt uit het dossier dat daarvan wel degelijk sprake was. Zoals hiervoor overwogen, heeft verweerder tijdens de poliklinische consulten de problemen van klaagster met haar besproken. Ook blijkt uit het medisch dossier dat klaagster op 25 februari 2014 door de klinisch verloskundige is meegedeeld dat de bevalling op 26 februari 2014 zou worden ingeleid in verband met positieve discongruentie, oedeemvorming, PIH en bloedverlies. Dit klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

Wat betreft de andere twee verwijten - het twee ANIOS/AIOS gelijktijdig dienst laten doen en het niet op orde hebben van de operatiekamer - mist het klachtonderdeel feitelijke grondslag aangezien verweerder de nacht voorafgaande aan de bevalling geen dienst had en bij de bevalling zelf niet was betrokken. Ook in zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel j

In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij te laat en geantedateerd de calamiteit aan de Inspectie heeft gemeld en de Inspectie onvoldoende en onjuist heeft geïnformeerd.

Verweerder betwist dit klachtonderdeel en wijst erop dat de meldingsplicht niet bij verweerder maar bij de zorgaanbieder, het ziekenhuis, ligt. Desondanks heeft de vakgroep aanleiding gezien om de Inspectie toch zelf te informeren. Voorts merkt hij op dat het beloop van de bevalling conform het interne protocol direct als mogelijke calamiteit is gemeld bij de medisch specialist patiëntveiligheid van het ziekenhuis en dat tijdens de nabespreking op 11 maart 2014 door alle betrokken hulpverleners een uitgebreide notitie is opgesteld. Verweerder betwist dat dat die notitie onjuist of onvolledig is.

Het college overweegt als volgt.

Ten tijde van het handelen van verweerder was de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kzi) van kracht. In die wet was destijds de wettelijke meldplicht inzake calamiteiten neergelegd. Artikel 4a van die wet verplichtte de zorgaanbieder tot onverwijlde melding bij de Inspectie van iedere calamiteit die in de instelling had plaatsgevonden. Onder zorgaanbieder werd verstaan (art. 1 sub 1c Kzi): 1) de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een instelling in stand houdt en 2) de natuurlijke personen of rechtspersonen, die gezamenlijk een instelling vormen. Onder instelling werd verstaan een organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van zorg (art. 1 sub 1b Kzi), waarbij echter een maatschap binnen een ziekenhuis was uitgesloten (art. 1 sub 3 Kzi). Nu verweerder niet als zorgaanbieder in de zin van de Kwaliteitswet zorginstellingen kan worden aangemerkt, rustte op hem inderdaad geen wettelijke meldplicht. Verweerder wordt ook verweten dat hij de Inspectie onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Klagers hebben dit verwijt onderbouwd door te stellen dat verweerder mede heeft nagelaten correcte en relevante informatie te verstrekken:

-          in de notitie die naar aanleiding van het multidisciplinair overleg op 11 maart 2014 over de gebeurtenissen is opgesteld en die aan de Inspectie is gestuurd en

-          in het ingestelde SIRE-onderzoek.

Het college stelt vast dat klagers het niet eens zijn met bovengenoemde notitie en het SIRE-onderzoek. Zij hebben daarover diverse punten van kritiek in het klaagschrift opgenomen. Klagers hebben echter niet, althans onvoldoende, onderbouwd op grond waarvan en ten aanzien van welke concreet geformuleerde kritiekpunten verweerder een individueel tuchtrechtelijk verwijt treft. Wat betreft het SIRE-onderzoek merkt het college nog op dat klagers waren uitgenodigd om mee te werken aan de totstandkoming daarvan. Klagers hebben daar echter vanaf gezien (zie onder 2. Feiten). Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel k

In dit klachtonderdeel wordt verweerder kort gezegd verweten dat hij in strijd heeft gehandeld met de GOMA door niet (direct volledige) openheid van zaken te geven na de geboorte van de dochter en lange tijd te ontkennen dat medisch verwijtbare fouten zijn gemaakt.

Klagers hebben dit verwijt onderbouwd door te stellen dat verweerder na de geboorte en het overlijden van klagers dochter ruim een jaar en acht maanden heeft ontkend dat hij medisch verwijtbare fouten had gemaakt. Voorts stellen klagers dat verweerder niet, laat staan adequaat, gereageerd heeft op de emotionele aspecten en de klachten van klagers. Zij stellen dat verweerder voortdurend heeft ontkend dat er ook maar iets mis was gegaan rondom de behandeling van klaagster tijdens haar zwangerschap en bij en na de bevalling.

Verweerder betwist, kort gezegd, dat hij (individueel) aan de GOMA gebonden is, Hij wil desalniettemin graag openheid van zaken geven, maar hij heeft hiervoor niet de mogelijkheid gekregen.

Het college overweegt als volgt.

De ‘Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid’ (GOMA, versie 2012) bevat aanbevelingen betreffende het handelen van degenen die betrokken zijn bij de afwikkeling van de gevolgen voor een patiënt van een incident in de gezondheidszorg. De aanbevelingen beogen openheid over incidenten te bevorderen.

De GOMA is van toepassing op zorgaanbieders, te weten (pagina 10): “Met ‘zorgaanbieder’ wordt gedoeld op zowel de verantwoordelijke zorginstelling als op de betrokken individuele beroepsbeoefenaren.”

Anders dan door verweerder betoogd, is verweerder gebonden aan de GOMA.

Een incident wordt in de GOMA omschreven als “Een onbedoelde gebeurtenis tijdens het zorgproces die tot schade aan de patiënt heeft geleid of (nog) kan leiden.” Het college interpreteert deze omschrijving zo dat de gang van zaken rondom de bevalling en de onverwachte slechte start van klagers dochter als incident dient te worden aangemerkt.

Verweerder heeft betwist dat hij lange tijd het maken van ‘medisch verwijtbare fouten’ heeft ontkend. Hij heeft onder verwijzing naar pagina 26 van het SIRE-rapport van 11 maart 2015 voorts gesteld dat:

-          hij nog tijdens het verblijf van klagers en hun dochter in het tweede ziekenhuis heeft geprobeerd contact met klagers te leggen, maar dat klagers dat afhielden en dat

-          de gynaecologen contact hebben gezocht met klaagsters huisarts, waarmee een goed gesprek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft de huisarts geïnformeerd over het uitvoeren van een intern (SIRE) onderzoek. De huisarts heeft een e-mail gestuurd naar verweerder waarin werd aangegeven dat de familie niet wil meewerken aan het onderzoek.

In het SIRE-rapport staat voorts “De zorgverleners geven unaniem aan dat zij het als moeilijk ervaren dat de familie geen contact wil met de betrokken zorgverleners. De gynaecologen willen heel graag in gesprek met [klagers]. Tijdens dit gesprek willen zij graag vertellen wat er is gebeurd en hun spijt betuigen. De onderzoekers ervaren de gynaecologen als zeer betrokken bij deze casus.”

Ook in de brief gedateerd 6 juni 2014 van gynaecoloog 8 aan de Inspectie staat: “De reden dat de vakgroep ervoor heeft gekozen u van deze casus in kennis te stellen, is dat het de betrokken gynaecologen tot op heden, ondanks herhaalde pogingen daartoe, helaas niet is gelukt met de ouders in contact te treden. Het echtpaar is ervan overtuigd dat er fouten zijn gemaakt die tot het overlijden van hun kind geleid hebben. Wel hebben de behandelaars de casus uitgebreid nabesproken met de huisarts.”

De GOMA (o.a. pagina 7) gaat uit van contact en samenwerking tussen betrokken partijen (waaronder dus ook de patiënt en/of zijn belangenbehartiger) bij de behandeling van de zaak. Uit het bovenstaande maakt het college op dat verweerder zich als hoofdbehandelaar heeft ingespannen om contact met klagers te krijgen en dat hij hen wilde informeren over het incident. Gebleken is echter dat klagers communicatie met verweerder daarover niet op prijs stelden. Het college kan dit aan verweerder gemaakte verwijt daarom niet goed plaatsen.

Dat verweerder overigens het maken van medisch verwijtbare fouten zou hebben ontkend, is uit de stukken niet gebleken. Verweerder heeft meegewerkt aan onderzoek naar het incident. Voor het college is onduidelijk gebleven wat klagers precies nog meer van verweerder verwachtten op dit punt. Het college is op grond van het bovenstaande van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. 

Klachtonderdeel l

Verweerder wordt verweten dat hij klaagsters klachten en zorgen en de problemen bij de dochter tijdens de poliklinische behandeling niet serieus heeft genomen.

Uit hetgeen hiervoor bij klachtonderdeel f is overwogen, volgt dat verweerder klaagster tijdens de poliklinische behandeling serieus heeft genomen. Zo heeft hij onder meer vanwege haar zorgen een aantal keer extra tijd voor klaagster gereserveerd.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel m

In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij klaagster de geconstateerde velamenteuze insertie van de navelstreng niet heeft meegedeeld.

Dit verwijt treft geen doel. Het college verwijst naar de medische toelichting bij klachtonderdeel b. Uit die toelichting blijkt dat de velamenteuze insertie niet heeft geresulteerd in vasa previa. Om die reden waren mededeling van de velamenteuze insertie en nader onderzoek naar vasa previa niet nodig.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel r

In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij de diagnose foetale anemie niet eerder heeft overwogen en die diagnose ten onrechte alleen ten gevolge van het doorsnijden of verscheuren van een vat in de navelstreng tijdens de keizersnede heeft gesteld.

Verweerder was niet betrokken bij de bespreking van het CTG in de nacht van 1 maart 2014 en evenmin bij de keizersnede. In zoverre mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag en is het ongegrond. Verweerder was wel aanwezig bij de ochtendoverdracht op 1 maart 2014. Zoals hiervoor uiteengezet, is tijdens deze overdracht de verwerping van het sinusoïdaal patroon door gynaecoloog 6, op basis van de (wel) beschikbare CTG-registraties gedurende de nacht, op goede gronden geaccordeerd. Zoals hiervoor onder klachtonderdeel d is overwogen, heeft het college echter vanwege het ontbreken van (verslaglegging van) CTG-registraties in de decursus tussen 05.39 uur en 12.00 uur niet kunnen vaststellen dat tijdens deze ochtendoverdracht terecht is geconcludeerd om het beloop van de baring gecontroleerd af te wachten. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond.

Klachtonderdeel s

In dit klachtonderdeel, toegespitst op verweerders betrokkenheid, wordt hem verweten dat hij in de nacht van 1 maart 2014 het CTG onjuist dan wel onvoldoende (frequent) heeft beoordeeld en geclassificeerd en niet eerder heeft besloten tot een (spoed)keizersnede.

Zoals reeds overwogen, was verweerder alleen bij de ochtendoverdracht betrokken. Hij heeft de CTG-registraties van die nacht dus pas achteraf gezien. Zoals hiervoor bij klachtonderdeel d en r is overwogen, was de accordering tijdens de ochtenddienst van de verwerping van het sinusoïdaal patroon van de (wel) beschikbare CTG-registraties door gynaecoloog 6 verdedigbaar. In zoverre treft verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt. Nu hij slechts als achterwacht op 1 maart 2014 bij de bevalling was betrokken, niet gebleken is dat hij in zijn hoedanigheid van achterwacht of hoofdbehandelaar door gynaecoloog 7 na de ochtendoverdracht is geconsulteerd, treft ook het verwijt dat hij niet eerder tot een (spoed)keizersnede heeft besloten geen doel.

Voor zover het klachtonderdeel betrekking heeft op de beoordeling van de CTG-registraties na 05.39 uur tijdens de ochtendoverdracht heeft het volgende te gelden. Op gronden zoals hiervoor bij klachtonderdeel d en r uiteengezet, kan het college niet vaststellen dat tijdens de ochtendoverdracht op juiste gronden is geconcludeerd tot het voortzetten van het ingezette beleid om het beloop van de baring gecontroleerd af te wachten. Verweerder had dit gat in de CTG-registratie moeten signaleren en aan de orde moeten stellen of op deugdelijke gronden werd besloten tot voortzetting van het beleid. Op dit punt treft verweerder een tuchtrechtelijk verwijt.

Dit klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

De maatregel

Klachtonderdelen d, r en s zijn (gedeeltelijk) gegrond. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat verweerder tijdens de ochtendoverdracht van 1 maart 2014 aanwezig was en ten onrechte niet het gat in de CTG-registratie heeft gesignaleerd en niet aan de orde heeft gesteld of op deugdelijke gronden werd besloten tot voortzetting van het beleid. Op dit punt treft verweerder een tuchtrechtelijk verwijt. Het college legt verweerder de maatregel van waarschuwing op.

Kostenveroordeling

Sinds 1 april 2019 is in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg opgenomen dat het college in geval van een geheel of gedeeltelijk gegronde klacht kan beslissen dat de aangeklaagde partij de kosten dient te vergoeden die de klagende partij in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken. Op basis van intern beleid van de tuchtcolleges wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt als de klacht vóór 1 april 2019 is ingediend. Hiervoor is gekozen, omdat er geen overgangsrecht is bepaald en deze nieuwe regeling nadelig uitpakt voor de verwerende partij. Het is in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel om de regeling dan ook toe te passen op klachten die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de kostenveroordelingsregeling. Aangezien klagers hun klachten hebben ingediend vóór 1 april 2019 zal dit verzoek dan ook worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1  De klacht zoals die in eerste aanleg is behandeld bestond uit 27

klachtonderdelen, sommige onderverdeeld in (in totaal 17) sub-onderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen d, r en s alle gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de gynaecoloog de maatregel van waarschuwing opgelegd.

4.2       In de zaak met nummer C2020.004 hebben klagers in beroep 21 grieven geformuleerd. Hiermee willen klagers de klachtonderdelen a, b, c, d (voor zover niet gegrond bevonden), e, f, j (deels), k, l, m, n, o, p (deels), t, u, v, w (deels), y (deels) en aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voorleggen. Klagers verzoeken het Centraal Tuchtcollege – impliciet – het beroep gegrond te verklaren. Daarnaast verzoeken klagers het Centraal Tuchtcollege te bepalen dat de door hen in verband met de onderhavige procedure in beroep gemaakte kosten door de gynaecoloog vergoed dienen te worden.

4.3       De gynaecoloog voert hiertegen verweer en maakt daarbij bezwaar tegen het door klagers in beroep aanvoeren van nieuwe verwijten. Voor wat betreft de door klagers aangevoerde grieven 12 en 13 (die betrekking hebben op klachtonderdeel d) en de grieven 20 en 21 (die betrekking hebben op de klachtonderdelen r en s) stelt de gynaecoloog zich primair op het standpunt dat klagers in deze grieven niet ontvankelijk moeten worden verklaard omdat deze klachtonderdelen door het Regionaal Tuchtcollege gegrond zijn verklaard. Verder verzoekt de gynaecoloog het Centraal Tuchtcollege het beroep van klagers en het verzoek tot veroordeling van de gynaecoloog in de door klagers in beroep gemaakte kosten af te wijzen, dan wel bij toewijzing van dit laatste verzoek de te vergoeden kosten – kort gezegd – te matigen.

4.4       In de zaak met nummer C2020.009 komt de gynaecoloog onder aanvoering van vier grieven in beroep tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van de gynaecoloog richt zich tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring door het college in eerste aanleg van de klachtonderdelen d, r en s. De gynaecoloog verzoekt het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog in zijn geheel ongegrond te verklaren. 

4.5       Klagers hebben in dit beroep verweer gevoerd. Zij verzoeken het Centraal Tuchtcollege het beroep van de gynaecoloog te verwerpen en te bepalen dat de door hen in verband met de onderhavige procedure in beroep gemaakte kosten door de gynaecoloog vergoed dienen te worden.

4.6       Beide zaken lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Waar namens de gynaecoloog is betoogd dat klagers niet in hun beroep kunnen worden ontvangen voor zover dit beroep klachtonderdelen betreft die door het Regionaal Tuchtcollege gegrond zijn bevonden oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat met de gezamenlijke behandeling van de beide beroepen ook de in eerste aanleg gegrond verklaarde klachtonderdelen aan de orde zijn, nu de gynaecoloog hiertegen beroep heeft ingesteld. Daarbij komt dat de gegrondverklaring ziet op een gedeelte van de klachtonderdelen, zodat beroep van het niet gegronde deel van die klachtonderdelen openstaat.

4.7       Voor wat betreft het namens de gynaecoloog aangevoerde bezwaar tegen het door klagers in beroep aanvoeren van nieuwe verwijten geldt dat de gemachtigde van klagers tijdens de terechtzitting in beroep heeft verklaard ermee bekend te zijn dat de klacht in beroep niet kan worden uitgebreid of aangevuld en dat klagers dit met hun beroep ook niet hebben willen doen. Voor zover er in beroep dus sprake is van verwijten die in eerste aanleg niet zijn geuit, zijn partijen het erover eens dat die buiten het bestek van dit beroep vallen en dus niet door het Centraal Tuchtcollege in de beoordeling zullen worden betrokken.

4.8       Het Centraal Tuchtcollege oordeelt als volgt.

Regiebehandelaarschap

4.9       In beroep komen klagers op tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klachtonderdelen n tot en met q, t en w tot en met aa feitelijke grondslag missen nu deze klachtonderdelen de gynaecoloog niet rechtstreeks en ook niet in zijn hoedanigheid van hoofdbehandelaar treffen. Voor wat betreft het hoofdbehandelaarschap ziet het Centraal Tuchtcollege aanleiding de vaste rechtspraak over de taken en verantwoordelijkheden van verschillende zorgverleners bij de behandeling van één patiënt (zie bijvoorbeeld de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 17 april 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1953) te herformuleren. De toegenomen complexiteit van zorg, die soms door zorgverleners van verschillende instellingen wordt verleend, vereist uitgangspunten die meer flexibel toegepast kunnen worden. Daarom zal hierna ook worden gesproken over “de regiebehandelaar”. 

4.10     In gevallen waarin twee of meer zorgverleners betrokken zijn bij de behandeling van één patiënt, moet als uitgangspunt worden genomen dat elke bij die behandeling betrokken zorgverlener een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft en houdt jegens die patiënt.

In gevallen waarin de aard en/of complexiteit van de behandeling dat nodig maakt, dragen deze (individuele) zorgverleners er steeds zorg voor dat één van hen als regiebehandelaar wordt aangewezen.

De regiebehandelaar ziet er in ieder geval op toe, dat:

-           de continuïteit en de samenhang van de zorgverlening aan de patiënt wordt bewaakt en dat waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet;

-           er een adequate informatie-uitwisseling en voldoende overleg is tussen de bij de behandeling van de patiënt betrokken zorgverleners;

-           er één aanspreekpunt voor de patiënt en diens naaste betrekking(en) is voor het tijdig beantwoorden van vragen over de behandeling.

Ter nadere toelichting overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de regiebehandelaar niet zelf het aanspreekpunt hoeft te zijn. Het aanspreekpunt hoeft voorts niet zelf alle vragen van de patiënt en diens naaste betrekkingen te kunnen beantwoorden, maar moet wel de weg naar de antwoorden weten te vinden. Deze norm ziet niet op het actief informeren van de patiënt en diens naaste betrekkingen. De plicht van de zorgverlener om actief informatie te geven volgt immers al uit de eigen verantwoordelijkheid die de zorgverlener jegens de patiënt heeft.

4.11     In deze zaak betekenen de hiervoor genoemde uitgangspunten het volgende. Hoewel dit in de richting van klagers destijds niet specifiek door de gynaecoloog is benoemd had hij tijdens het poliklinisch traject de regie over de behandeling van klaagster. Uit de stukken en uit hetgeen tijdens de terechtzitting in beroep aan de orde is gekomen is het Centraal Tuchtcollege gebleken dat in ieder geval klaagster dit ook zo had begrepen. In het poliklinisch traject is klaagster tweemaal korte tijd opgenomen geweest vanwege (in ieder geval) bloedverlies en ter terechtzitting in beroep heeft de gynaecoloog verklaard dat hij steeds van (de reden van) deze opnames op de hoogte is gesteld en dat hij het eens was met het bij die opnames gevoerde beleid. Ook is hij, kennelijk vanuit zijn rol van regiebehandelaar in het poliklinisch traject, tijdens een van de opnames een keer bij klaagster langsgegaan. Hij had aldus een “helicopterview”.

4.12     Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing terecht geoordeeld dat het, vanwege het onregelmatig en niet te voorziene verloop van gynaecologisch-obstetrische zorg, onvermijdelijk is dat de regie van de behandeling tijdens het klinisch traject en tijdens de bevalling wordt overgenomen door de dienstdoende gynaecoloog. Voor wat betreft de hiervoor onder 4.9 genoemde klachtonderdelen geldt dat de gynaecoloog hier niet bij betrokken was en dat de regie op die momenten bij de dienstdoende gynaecoloog lag. De genoemde klachtonderdelen zijn daarom terecht ongegrond verklaard.

4.13     Met inachtneming van hetgeen hiervoor over de verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar is overwogen oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat ook de klachtonderdelen f, u en v door het Regionaal Tuchtcollege op juiste gronden ongegrond zijn verklaard.

Klachtonderdeel d - ochtendoverdracht

4.14     Ter terechtzitting in beroep is de wijze waarop de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 is verlopen door de (gemachtigde van de) gynaecoloog (nogmaals) uitvoerig besproken. Hetgeen besproken is komt overeen met de beschrijving waarvan het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing is uitgegaan en wordt ondersteund door de namens de gynaecoloog ingebrachte getuigenverklaringen van de bij deze overdracht aanwezige arts-assistent P. en de klinisch verloskundige Q. Hoewel in het medisch dossier geen aantekening is gemaakt van hetgeen tijdens de overdracht aan de orde is gesteld acht het Centraal Tuchtcollege het, op basis van het voorgaande, aannemelijk dat klaagsters situatie bij die overdracht voldoende is besproken en dat daarbij het CTG en de STAN-registratie van de voorafgaande nacht zijn bekeken en besproken.  

Klachtonderdeel d - CTG-registratie

4.15     Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing over klachtonderdeel d met betrekking tot de CTG-registratie aansluiting gezocht bij wat hierover in de NVOG-richtlijn “Intrapartum foetale bewaking à terme” wordt bepaald. Namens de gynaecoloog is in beroep betoogd dat deze richtlijn pas op 19 mei 2014 officieel is gepubliceerd en dus op 1 maart 2014 nog niet van kracht was. Klagers stellen hiertegenover dat in de betreffende richtlijn is vastgelegd waarover binnen de beroepsgroep destijds consensus bestond. Het Centraal Tuchtcollege voegt hieraan toe dat concept-richtlijnen enige tijd voor zij van kracht worden in het kader van het vaststellingsproces binnen de beroepsgroep plegen te circuleren. Ter terechtzitting in beroep is gebleken dat de gynaecoloog zich niet kan herinneren of deze specifieke concept-richtlijn destijds binnen de maatschap is besproken. Wat hier ook verder van is, het Centraal Tuchtcollege overweegt aanvullend als volgt.

4.16     Ter beantwoording van de vraag of een of meer van de behandelend gynaecologen een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken van het feit dat in het medisch dossier de verslaglegging op 1 maart 2014 van het CTG in de periode tussen 05.39 en 12.00 uur ontbreekt heeft het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing uit de hiervoor genoemde richtlijn (onder andere) het volgende gedeelte geciteerd: “Het verdient aanbeveling om het CTG tijdens ontsluiting tenminste elk uur […] te classificeren en vervolgens de hierop gebaseerde conclusie en het beleid te documenteren.”   Verderop in de beslissing concludeert het Regionaal Tuchtcollege dan dat “volgens genoemde richtlijn de CTG-uitslagen tijdens de ontsluiting tenminste ieder uur dienden te worden geclassificeerd en gedocumenteerd.” (onderstreping toegevoegd door het Centraal Tuchtcollege).

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat hiermee sprake is van een onjuiste uitleg van (dit gedeelte van) deze richtlijn, nu in de richtlijn wordt gesproken van een aanbeveling en niet van een verplichting. Gelet op de voorliggende vraag kan daarom in het midden blijven of de richtlijn op 1 maart 2014, voorafgaand aan de officiële publicatie op 19 mei 2014, al gevolgd moest worden.

4.17     Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de gynaecoloog tuchtrechtelijk verweten kan worden dat hij bij de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 heeft nagelaten het gat in de CTG-registratie te signaleren en aan de orde te stellen of op deugdelijke gronden werd besloten tot voortzetting van het beleid. Gelet op wat hiervoor onder 4.16 is overwogen, bestond er op grond van de genoemde richtlijn geen verplichting om de waarden van het CTG ieder uur in het medisch dossier te (laten) noteren. Overigens is op basis van het medisch dossier vast komen te staan dat in de periode van 05.39 tot 12.00 uur wel CTG-registraties zijn gedaan. Het beroep van de gynaecoloog slaagt op dit punt.

Klachtonderdelen r en s

4.18     Het voorgaande heeft gevolgen voor hetgeen het Regionaal Tuchtcollege met betrekking tot de, eveneens deels gegrond verklaarde, klachtonderdelen r en s heeft overwogen.

4.19     Met klachtonderdeel r wordt de gynaecoloog verweten dat hij de diagnose foetale anemie niet eerder heeft overwogen en die diagnose ten onrechte alleen ten gevolge van het doorsnijden of verscheuren van een vat in de navelstreng tijdens de keizersnede heeft gesteld. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met hetgeen het Regionaal Tuchtcollege over de gedeeltelijke ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel heeft overwogen en geoordeeld, en neemt deze overweging en dit oordeel over, met uitzondering van het laatste gedeelte dat begint met “Zoals hiervoor onder”. Dit laatste gedeelte vloeit voort uit het door het Regionaal Tuchtcollege gegrond verklaarde klachtonderdeel d. Over dit klachtonderdeel heeft het Centraal Tuchtcollege anders geoordeeld en als gevolg daarvan wordt klachtonderdeel r ook in zijn geheel ongegrond bevonden.

4.20     Voor wat betreft het verwijt van klagers dat het CTG van 28 februari op 1 maart 2014 onjuist is geïnterpreteerd en onvoldoende (frequent) is beoordeeld en geclassificeerd en niet eerder is besloten tot een (spoed)keizersnede (klachtonderdeel s) oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

4.21     Bij de ochtendoverdracht op 1 maart 2014 was de gynaecoloog als achterwacht aanwezig. De CTG-registratie van de voorafgaande nacht is beoordeeld en bij het bepalen van het beleid betrokken. Uit het dossier blijkt dat er vanaf 00.03 uur geen sprake meer is geweest van een CTG dat als geruststellend of normaal kon worden geclassificeerd. Vanaf dat tijdstip ontbraken acceleraties volledig en was er een te lage variabiliteit. De STAN-registratie die om 03.57 uur bij een (op zijn best) suboptimaal CTG was aangevangen acht het Centraal Tuchtcollege ongeschikt voor het beoordelen van de foetale conditie, nu voor het starten van een dergelijke registratie een normaal CTG (waarvan al bijna vier uur geen sprake was) vereist is. De foetale bewaking vanaf middernacht heeft derhalve niet voldaan aan wat van een redelijk bekwaam gynaecoloog moet worden verwacht. Ten tijde van de ochtendoverdracht had de gynaecoloog dat moeten opmerken.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat op basis van het CTG, op een aanmerkelijk eerder moment gedurende de nacht, rond 02.11 uur, en anders bij de heroverweging tijdens de ochtendoverdracht, (op dat moment) ofwel een MBO ofwel een sectio had moeten worden uitgevoerd.

4.22     De uiteindelijke beslissing over het in te zetten beleid, en dus ook over het al dan niet besluiten tot een (spoed)sectio bij de ochtendoverdracht, lag bij de (twee) voorwachten. Als gezegd was de gynaecoloog tijdens die overdracht (slechts) als achterwacht aanwezig. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt echter dat in dit geval aan de gynaecoloog, vanuit zijn rol als regiebehandelaar tijdens het poliklinisch traject (gedurende welk traject klaagster al tweemaal vanwege (in ieder geval) bloedverlies was opgenomen), een grotere rol dan alleen die van achterwacht toekwam bij het bepalen van het te volgen beleid. Waar de gynaecoloog bij de twee eerdere opnames zelf niet rechtstreeks als behandelaar betrokken was en om die reden alleen op de hoogte gesteld is van de (reden van die) opnames en het gevoerde beleid, was hij deze keer wèl aanwezig, heeft hij met alle andere aanwezige gynaecologen het gehele CTG van de nacht opnieuw beoordeeld en kon hij zich dus tijdens de ochtendoverdracht een zelfstandig oordeel vormen over het in te zetten beleid. Nu niet is gebleken dat de gynaecoloog een ander beleid voor ogen stond dan het beleid zoals dat op 1 maart 2014 is ingezet gaat het Centraal Tuchtcollege ervan uit dat de gynaecoloog zich (naar het Centraal Tuchtcollege oordeelt: ten onrechte) in het bij de ochtendoverdracht ingezette beleid kon vinden. Voor zover het beroep van de gynaecoloog zich tegen de gegrondverklaring van dit deel van de klacht richt faalt het.

Overige klachtonderdelen

4.23     Voor het overige heeft de behandeling van de zaak in beroep geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over die klachtonderdelen en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over.

Conclusie

4.24     Al het voorgaande tezamen leidt tot de conclusie dat het beroep van klagers faalt en dat het beroep van de gynaecoloog slaagt waar het zich richt tegen de gedeeltelijke gegrondverklaring van klachtonderdeel d en r, maar faalt voor wat betreft klachtonderdeel s.

Dat de klacht in beroep nu op één in plaats van op drie onderdelen gegrond is bevonden, is voor het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding een andere maatregel op te leggen. De door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van waarschuwing acht het Centraal Tuchtcollege passend en wordt dan ook gehandhaafd.

Kostenveroordeling

4.25     Met betrekking tot het verzoek van klagers om de gynaecoloog te veroordelen in de vergoeding van de door hen ter zake van de behandeling van de klacht in beroep gemaakte kosten oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Sinds 1 april 2019 is in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg opgenomen dat het college in geval van een geheel of gedeeltelijk gegronde klacht kan beslissen dat de aangeklaagde partij de kosten dient te vergoeden die de klagende partij in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien klagers hun klacht hebben ingediend vóór 1 april 2019 kan dit verzoek niet worden toegewezen. 

4.26     Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

In de zaak met nummer C2020.004:

verwerpt het beroep van klagers;

In de zaak met nummer C2020.009:

verklaart het beroep van de gynaecoloog deels gegrond als onder 4.17 en 4.19 overwogen;

verwerpt het beroep voor het overige;

In beide zaken:

vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij de klachtonderdelen d en r deels gegrond zijn verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de klachtonderdelen d en r alsnog, deels onder verbetering van gronden, ongegrond;

handhaaft de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van waarschuwing;

wijst het verzoek om een kostenveroordeling af;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter;

B.J.M. Frederiks en Y.A.J.M. van Kuijck, leden juristen en A. Franx en P.J.Q. van der Linden, leden beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2021.

Voorzitter   w.g.                     Secretaris   w.g.