We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:35 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.335

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:35
Datum uitspraak: 29-01-2021
Datum publicatie: 29-01-2021
Zaaknummer(s): c2019.335
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een neurochirurg. Klaagster lijdt sinds haar vroege jeugd aan epilepsie. Zij is in  2014 verwezen naar een gespecialiseerde instelling, ter beoordeling van onder meer de vraag of epilepsiechirurgie bij klaagster een optie was. Klaagster is besproken in de multidisciplinaire werkgroep Epilepsiechirurgie. Bij klaagster is de diagnose chronische slaapkwabepilepsie gesteld en haar is een operatie aanbevolen. Klaagster is in verband hiermee door een collega van de neurochirurg gezien. Zij is vervolgens door de neurochirurg geopereerd. Klaagster verwijt de neurochirurg dat hij haar, zonder haar ooit te hebben gezien, met een verkeerde diagnose heeft geopereerd, dat hij haar na de operatie niet heeft verteld dat haar schedel verbrijzeld is en dat hij haar na de operatie heeft gezegd dat de epilepsie niet meer zichtbaar was op de MRI-scan, terwijl zij nog steeds last heeft van epilepsie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. 

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.335 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

B., neurochirurg, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniëls, advocaat, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 11 december 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de neurochirurg – een klacht ingediend. Bij beslissing van 20 november 2019, onder nummer 18193, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De neurochirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2019.334 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 november 2020, waar zijn verschenen klaagster, in persoon, en de neurochirurg, in persoon en bijgestaan door mr. V.C.A.A.V. Daniëls, voornoemd. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

            “2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster lijdt sinds haar vroege jeugd aan epilepsie. In 2004 is klaagster onderzocht in het kader van de vraag of operatief ingrijpen geïndiceerd was. Operatief ingrijpen heeft op dat moment niet plaatsgevonden. Klaagster is vervolgens in andere instellingen behandeld.

Op 14 augustus 2010 heeft klaagster als gevolg van een auto-ongeluk een fors aangezichtsletsel opgelopen. Zij is aan dit letsel geopereerd door een kaakchirurg en er heeft een repositie en fixatie van de botfragmenten plaatsgevonden. Omdat de klachten van klaagster toenamen, is klaagster bij brief van 28 februari 2014 opnieuw verwezen naar de instelling waar klaagster in 2004 was onderzocht. Klaagster is besproken binnen de werkgroep Epilepsiechirurgie. Deze werkgroep komt maandelijks bijeen en hierin worden multidisciplinair alle patiënten besproken met chronische epilepsie die in aanmerking komen voor een eventuele hersenoperatie. Tijdens deze bijeenkomsten wordt de situatie van de betreffende patiënt besproken en genoteerd in het Epilepsie Chirurgie Formulier (hierna: ECF). Ook staan alle vooronderzoeken, om de focus van de epilepsie op te sporen, in het ECF vermeld. In dit medisch dossier met de titel Epilepsiechirurgie staat over klaagster onder meer:

“Bespreking AWEC 04-11-2016 concept

Voor voorgeschiedenis: zie ECF.

MRI laat alleen de hippocampale afwijking zien rechts.

PET laat een duidelijke hypometabolisme temporaalkwab rechts, in mindere mate temporaal pool links zien.

EEG-fMRI: rechts mesiotemporaal.

SPECT: injectie na 13 sec. epilepsie focus rechts anterieure temporale pool, uitbreidend tot in het insulagebied en de basale kernen rechts.

AWEC 04-11-2016:

Voorgesteld wordt met deze bevindingen een standaard resectie rechts temporaal voor te stellen.”

De neuroloog heeft de gestelde diagnose chronische slaapkwabepilepsie op basis van mesiotemporale sclerose rechts aan klaagster meegedeeld met daarbij het advies een standaard anterieure temporaalkwab resectie rechts uit te voeren. Vervolgens is klaagster voor de aanbevolen operatie verwezen naar de afdeling van de instelling waar verweerder werkzaam is. In de aanloop naar en ten behoeve van de operatie zijn bij klaagster meerdere onderzoeken uitgevoerd.

Op 10 januari 2017 is klaagster gezien door een collega neurochirurg en de verpleegkundig specialist voor een preoperatief gesprek.

Op 31 maart 2017 is klaagster op de afdeling neurochirurgie opgenomen en op

3 april 2017 is klaagster door verweerder geopereerd door middel van een standaard anterieure temporaalkwab resectie met amygdalohippocampectomie rechts. Verweerder heeft klaagster direct postoperatief op de recovery afdeling gezien waarbij geen sprake was van neurologische uitval.

Op 22 augustus 2017 heeft verweerder, samen met de verpleegkundig specialist, klaagster op controle gezien. Op die dag werd met klaagster geëvalueerd hoe het herstel is geweest na de operatie. Ook heeft verweerder de controle MRI-scan aan klaagster getoond en de bevindingen met haar besproken.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij:

1.      haar op 3 april 2017, zonder hem ooit gezien te hebben, met een verkeerde diagnose heeft geopereerd.

2.      haar na de operatie niet kenbaar heeft gemaakt dat haar schedel verbrijzeld is. Klaagster is later zelf door middel van de foto’s hierachter gekomen.

3.      haar op 22 augustus 2017 heeft gezegd dat de epilepsie niet meer zichtbaar was op de MRI-scan, terwijl klaagster na de operatie nog steeds last heeft van epilepsie.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder voert – kort samengevat – het volgende verweer:

1.      Verweerder heeft klaagster niet geopereerd met een verkeerde diagnose. De symptomatologie die bij klaagster al vanaf haar kinderjaren is geobserveerd en vastgelegd, de diagnose en het operatieadvies was bij verweerder volledig bekend.

De diagnose chronische slaapkwab epilepsie op basis van mesiotemporale sclerose rechts is op een juiste manier geïndiceerd en door verweerder door middel van een lege artis uitgevoerde operatie, een standaard anterieure temporaalkwab resectie met amygdalohippocampectomie rechts, uitgevoerd. Wellicht is bij klaagster verwarring ontstaan omdat in de brief d.d. 18 september 2018 het begrip ‘resectie anteromesiotemporaal’ is opgenomen. Dat is echter inhoudelijk evenwel precies hetzelfde als hetgeen bij klaagster is uitgevoerd.

Binnen het ziekenhuis van verweerder zijn er twee neurochirurgen werkzaam die de operatie waarvoor klaagster geïndiceerd was, kunnen uitvoeren. Er is op 10 januari 2017 door de collega van verweerder en de verpleegkundig specialist aan klaagster uitgelegd dat de neurochirurg die klaagster gaat opereren, niet de neurochirurg hoeft te zijn die op dat moment de patiënt preoperatief op de polikliniek ziet. Op maandag 3 april 2017 heeft verweerder de operatie lege artis uitgevoerd. Klaagster was reeds op vrijdag 31 maart 2017 opgenomen bij de afdeling neurochirurgie. Verweerder kon klaagster echter niet die dag bezoeken omdat verweerder op vrijdag werkzaam is in een ander ziekenhuis. Klaagster heeft wel de verpleegkundig specialist, de verpleging en de zaalarts gezien. Als klaagster vragen had gehad over de diagnose of de ingreep, had zij toen de gelegenheid om die te stellen, ook tijdens de time-out procedure voorafgaand aan de operatie.

2.      Na de operatie was er voor verweerder geen aanleiding om met klaagster te spreken over de oude aangezichtsfracturen. De verbrijzeling van de schedel is geen gevolg van de operatie van 3 april 2017, maar was het gevolg van het al in 2010 opgelopen trauma. De zeven jaar eerder opgelopen fracturen hebben geen invloed gehad c.q. waren niet relevant voor de beslissing om al dan niet te gaan opereren, en ook niet voor de wijze waarop de operatie is uitgevoerd.

3.      Verweerder betwist dat hij in het gesprek van 22 augustus 2017 zou hebben gezegd dat er geen epilepsie meer zichtbaar was op de MRI-scan. Het is onmogelijk om op een anatomische opname als een MRI een functionele afwijking zijnde epilepsie te zien.

Verweerder betreurt het om te vernemen dat klaagster nog steeds last zou hebben gehad van epilepsie. Patiënten met een duidelijke slaapkwabepilepsie en een mesiotemporale sclerose hebben een kans op aanvalsvrijheid van ongeveer 60 tot 80 procent in de eerste jaren. Het is goed mogelijk dat klaagster tot de groep van 20 tot 40 procent van de patiënten behoort die helaas niet aanvalsvrij worden.

5. De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Met betrekking tot de klachtonderdelen oordeelt het college als volgt.

1.      Bij het antwoord op de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld staat het persoonlijk handelen van verweerder centraal. Iedere hulpverlener draagt de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen.

Het college ziet geen reden voor verweerder om te twijfelen aan de door de werkgroep vastgestelde diagnose. De wijze waarop de werkgroep tot de diagnose chronische slaapkwabepilepsie is gekomen, is (gelet op de inhoud van de ECF waarin de voorgeschiedenis met onderzoeksresultaten is beschreven alsmede de daaropvolgende onderzoeken) concludent en eenduidig. De collega van verweerder heeft op 10 januari 2017 het gesprek met klaagster gevoerd waarin hij uitleg heeft gegeven over de operatie, aard en risico’s. Ook heeft hij tijdens dat gesprek de werkwijze tussen de twee neurochirurgen met klaagster heeft besproken. Het feit dat verweerder klaagster voorafgaand aan de operatie niet heeft gezien, betekent geenszins dat de zorgvuldigheid waarmee verweerder op 2 april 2017 de operatie heeft uitgevoerd, in twijfel moet worden getrokken. Integendeel, naar het oordeel van het college is de operatie lege artis en zonder complicaties door verweerder uitgevoerd. Het college volgt verweerder bovendien in zijn stelling dat klaagster voorafgaand aan de operatie tijd en mogelijkheid heeft gehad om eventuele vragen over de diagnose of de operatie aan andere specialisten, zoals de verpleegkundig specialist, de verpleging en de zaalarts, te kunnen stellen. De diagnose was overigens eerder al door de neuroloog en de verpleegkundig specialist epilepsiechirurgie aan klaagster meegedeeld. Tijdens de time-out procedure had klaagster aan verweerder persoonlijk nog vragen kunnen stellen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Niet is gebleken dat verweerder op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

2.      Er is naar het oordeel van het college geen sprake van weigering van verweerders kant om de door klaagster benoemde verbrijzelde schedel met klaagster te bespreken, aangezien het te berde brengen hiervan niet aan de orde was. Niet valt in te zien dat enig verband bestaat tussen de verbrijzelde schedel, die als gevolg van een auto-ongeluk in 2010 reeds als een fors aangezichtsletsel was geconstateerd, en de door verweerder uitgevoerde operatie van 2 april 2017. Voor dit vermeende verband zijn in het medisch dossier ook geen aanknopingspunten te vinden. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.      Het college volgt verweerder in zijn stelling dat het niet mogelijk is dat epilepsie op een MRI-scan zichtbaar is. Verweerder betwist dan ook dat hij in het gesprek van 22 augustus 2017 tegen klaagster zou hebben gezegd dat er geen epilepsie meer zichtbaar was op de MRI-scan. Nu alleen klaagster, verweerder en de verpleegkundig specialist aan die gesprekken hebben deelgenomen, is voor het college niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.

Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan onzorgvuldig en/of verwijtbaar handelen of nalaten door verweerder jegens klaagster kan worden vastgesteld en wordt de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden. In aanvulling hierop stelt het Centraal Tuchtcollege vast dat klaagster in 2014 is verwezen naar een gespecialiseerde instelling, (mede) omdat zij ontevreden was over de wijze waarop de instelling waar zij op dat moment onder behandeling was reageerde op de toename van haar epilepsieaanvallen. Klaagster vond deze reactie niet adequaat en wilde om die reden daar niet langer onder behandeling blijven.  

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Zij verzoekt dit college om de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te vernietigen en de klacht alsnog gegrond te verklaren. Klaagster betoogt onder meer dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht niet op een zorgvuldige wijze heeft afgedaan, aangezien aldaar geen behandeling ter zitting heeft plaatsvonden.

4.2       De neurochirurg heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat, indien en voor zover sprake is geweest van een tekortkoming in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege, deze tekortkoming is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep. Klaagster heeft immers in beroep haar standpunten mondeling en schriftelijk naar voren kunnen brengen. Deze beroepsgrond behoeft dus geen bespreking meer.

4.4       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 16 november 2020 is dat debat voortgezet.

4.4       De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Daarbij wordt nog overwogen dat in de aanloop naar de operatie bij klaagster een reeks van onderzoeken is gedaan, waaronder – behalve de onderzoeken genoemd in de bestreden beslissing – ook een SPECT-scan. Op grond van de resultaten van deze onderzoeken en van de eerdere onderzoeken uit 2004 is terecht geconcludeerd dat bij klaagster sprake was van chronische slaapkwabepilepsie. waarbij de focus van de epilepsie rechts zat. De conclusie is dat met recht voor deze operatie is gekozen.

4.5       Het voorgaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard en dat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter,

L.F. Gerretsen‑Visser en J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en C.M.F. Dirven en H.C. Tjeerdsma, leden‑beroepsgenoten, en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2021.

            Voorzitter   w.g.                                                        Secretaris   w.g.