ECLI:NL:TGZCTG:2021:29 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.022
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:29 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-01-2021 |
| Datum publicatie: | 29-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | c2020.022 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen anesthesioloog. Klaagster is vanwege klachten aan haar rechterknie in 2008 verwezen naar het ziekenhuis waar verweerder als anesthesioloog werkzaam was. Er werd een indicatie voor een electieve operatie gesteld. Na preoperatief bloedonderzoek is de operatie vanwege een contra-indicatie uitgesteld. Tijdens het preoperatief spreekuur voor de uitgestelde operatie is klaagster gezien door een arts in opleiding tot anesthesioloog. Deze heeft tijdens het spreekuur met verweerder, die destijds als supervisor optrad, overlegd. Het bloed van klaagster is opnieuw onderzocht. Door een internist is een ‘expresbrief’ opgesteld en een maand later is klaagster geopereerd. Klager verwijt verweerder – kort gezegd – onvoldoende zorg en slechte dossiervoering. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.022 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
H., anesthesioloog, werkzaam in D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat in Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 9 april 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in
Den Haag tegen H. – hierna de anesthesioloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 26 november 2019, onder nummer 2019-097a, heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster heeft op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. De anesthesioloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de beroepen in de zaken van klaagster tegen C. (C2020.017), E. (C2020.018), F. (C2020.019) G. (C2020.021),
I. (C2020.023) en J. (C2020.024) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 november 2020, waar zijn verschenen klaagster, en namens de anesthesioloog mr. Nunes voornoemd. De anesthesioloog is met kennisgeving niet ter zitting verschenen.
Klaagster en mr. Nunes hebben hun standpunten tijdens de terechtzitting verder toegelicht. Zij hebben dat mede gedaan aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klaagster, geboren op 14 februari 1956, is in 2008 wegens - onder meer - klachten aan de rechterknie verwezen naar het K. te D. (hierna: het ziekenhuis). Na onderzoek en een kijkoperatie, is de operatiedatum voor een standsveranderende tibiakoposteotomie van het rechteronderbeen aanvankelijk vastgesteld op
20 juli 2009.
2.2 Op 26 mei 2009 heeft anesthesioloog J. (beklaagde in zaak 2019-098) klaagster gezien op het preoperatief spreekuur. Op 15 juni 2009 is de operatie - op advies van de cardioloog waar klaagster sinds 2008 na een hartinfarct onder behandeling was - uitgesteld tot 18 januari 2010, vanwege de noodzaak van het voortgezette gebruik van bloedverdunners.
2.3 In een brief van 16 november 2009 van een neuroloog van een ander ziekenhuis, waar klaagster op 10 november 2009 voor een second opinion was, is onder meer vermeld: “(…) ten derde vraagt zij zich af waar haar continue licht verhoogde leverenzymen en trombocytose vandaan komen. Als dit voorheen niet geanalyseerd is, is een analyse door de huisarts of evt internist gerechtvaardigd. (…) ”. Naar aanleiding van deze brief heeft klaagster al haar tot dan toe bekende bloeduitslagen opgevraagd en haar huisarts een verwijzing naar een internist gevraagd, die zij ook heeft gekregen.
2.4 Op 19 november 2009 is [het CTG leest:] klaagster met het oog op de op
18 januari 2010 geplande operatie tijdens het preoperatief spreekuur gezien door een arts in het tweede jaar van zijn opleiding tot anesthesioloog (beklaagde in de zaak 2019-097b, hierna: de AIOS). De AIOS heeft tijdens het spreekuur telefonisch overlegd met beklaagde, die als anesthesioloog in het ziekenhuis werkt en destijds als supervisor optrad. De aantekeningen van de AIOS van dat consult houden onder meer in: “ geen druk op de borst klachten meer, geen dyspnoe. Beperkte inspanning door pijnklachten been. Zwemmen gaat goed. OK nu gepland 18 januari (ruim 1 jaar na stentplaatsing). Plavix kan dan gestaakt worden. Iom H.: ascal continueren. Derhalve met pte spinaal met femoraalcatheter besproken .”
2.5 Na afloop van dat spreekuur heeft klaagster bloed laten prikken, omdat er preoperatief bloedonderzoek door de operateur/orthopedisch chirurg was aangevraagd. Een uitdraai uit de loggegevens van het ziekenhuis van 19 november 2009 vermeldt als aantekening bij de naam van de AIOS op die datum:
“reden (nog) niet akkoord: lab” .
De bloedwaarden van dit laboratoriumonderzoek bedroegen Hb 10.1, hematocriet 0.50, leukocyten 11.3 en trombocyten 737.
2.6 Op 10 december 2009 is klaagster naar aanleiding van de onder 2.3 vermelde verwijzing op consult geweest bij een internist, waarna uitgebreid bloedonderzoek heeft plaatsgevonden. Op 14 december 209 kwam de uitslag dat sprake was van een mutatie van het JAK2-gen. In verband daarmee vond op 8 januari 2010 een consult plaats bij de destijds in het ziekenhuis werkzame internist-hematoloog G. (beklaagde in zaak 2019-111e). Zij vermoedde dat sprake was van polycythaemia vera (hierna: PV), een aandoening die wordt gekenmerkt door een overproductie in het beenmerg van rode en witte bloedcellen en vaak ook bloedplaatjes. In een zogenaamde expresbrief heeft zij de huisarts van klaagster hiervan op de hoogte gesteld en gewezen op het bijbehorende verhoogde risico op trombose. Deze brief was via het elektronisch patiëntendossier ook door de specialisten in het ziekenhuis te raadplegen. Anesthesioloog F. (beklaagde in zaak 2019-111c) heeft op diezelfde datum in het dossier op het preoperatief screeningsformulier van klaagster vermeld: “ Brief IG, policythemia vera, ascal continueren ”.
2.7 Op 14 december 2009 is de diagnose PV definitief bij klaagster gesteld.
2.8 Op 18 januari 2010 heeft klaagster de geplande operatie ondergaan. Op
23 februari 2010 is het osteosynthesemateriaal verwijderd. Nadien bleef klaagster veel (pijn)klachten houden. In verband daarmee vond op 14 november 2011 een tweede operatie aan haar rechteronderbeen in het ziekenhuis plaats door een andere operateur en een derde operatie in januari 2013, in een ander ziekenhuis.
3. De klacht
De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt:
1) Beklaagde heeft klaagster, de huisarts en hoofdbehandelaar/operateur niet in kennis gesteld van de afwijkende uitslag van het preoperatieve bloedonderzoek van
19 november 2009. De verantwoordelijkheid daarvoor lag bij hem als anesthesioloog. Door dat niet te doen was sprake van een onacceptabel risico tijdens de operatie op 18 januari 2010.
2) Beklaagde heeft geen navraag gedaan naar eerder bloedonderzoek.
3) Er is sprake van slechte dossiervoering door in het dossier niet de preoperatieve bloeduitslag van 19 november 2009 te vermelden, waardoor de hoofdbehandelaar deze blijkbaar niet heeft gezien.
4. Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College stelt voorop dat duidelijk is dat klaagster veel te verduren heeft gehad. Zij heeft jarenlang vele medische klachten en beperkingen ondervonden, en heeft meerdere behandelingen (moeten) ondergaan.
5.2 Als uitgangspunt bij beoordeling van de klacht geldt dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.3 Beklaagde is als supervisor medeverantwoordelijk voor het handelen van de AIOS, gezien de fase van de opleiding waarin die zich bevond. In de beslissing van vandaag in de zaak van de AIOS (zaak 2019-097b) oordeelt het College dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen, die in die zaak hetzelfde luiden als in de onderhavige zaak. Dit betekent reeds dat ook aan beklaagde in zijn rol van supervisor ter zake geen verwijt kan worden gemaakt.
De persoonlijke betrokkenheid van beklaagde bij klaagster is beperkt gebleven tot het telefonisch overleg van de AIOS met hem tijdens het spreekuur. Daarin is afgesproken dat de gebruikte medicatie Plavix zeven dagen voor de operatie kon worden gestaakt en dat de Ascal moest worden gecontinueerd. Er zijn geen aanwijzingen dat dit een onjuist advies was of dat beklaagde tijdens het telefonisch contact anderszins onzorgvuldig zou hebben gehandeld.
5.4 Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege – impliciet – het beroep gegrond te verklaren.
4.2 De anesthesioloog voert hiertegen verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege
primair klaagster in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair het beroep te verwerpen.
4.3 Uit het verweerschrift van de anesthesioloog blijkt niet, althans onvoldoende, op grond waarvan hij klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep acht. Wel stelt de anesthesioloog, meer algemeen, dat de oorspronkelijke klacht in beroep niet mag worden uitgebreid of aangevuld. Hij stelt dat zijn betrokkenheid zich heeft beperkt tot een pre-operatieve screening op 19 november 2009, terwijl klaagster in haar beroepschrift ook gebeurtenissen noemt die zich voor en na die datum hebben afgespeeld. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover als volgt.
4.4 In beroep geldt dat een klager alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor kan leggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd, en dan alleen voor zover hij in die klachten niet ontvankelijk is verklaard of die klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen bevat kan klaagster daarin dus niet worden ontvangen.
4.5 In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de anesthesioloog nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk (en mondeling) gevoerde debat.
4.6 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2020 is dat debat voortgezet.
4.7 De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep voor zover daarbij de klacht is uitgebreid of aangevuld;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter; Y.A.J.M. van Kuijck en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en T.J.M. Tobé en C.J. van Oort, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 29 januari 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.