ECLI:NL:TGZCTG:2021:21 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.301
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-01-2021 |
| Datum publicatie: | 29-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | c2019.301 |
| Onderwerp: | Onjuiste declaratie |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen kaakchirurg. Klagers zijn beiden ook kaakchirurg en hebben met beklaagde in een samenwerkingsverband gewerkt. Klagers verwijten beklaagde dat hij door zijn wijze van declareren fraude heeft gepleegd en dat hij daardoor de dossiers van zijn patiënten heeft gecorrumpeerd. Klagers stellen dat zij hierdoor schade hebben geleden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klagers. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2019.301 van:
A., en B., beiden wonende in C., appellanten, klagers in eerste aanleg,
tegen
D., kaakchirurg, wonende in E., F., verweerder in beroep, beklaagde in eerste aanleg, gemachtigde: mr. M.H.J. van Rest, advocaat in Den Haag.
1. Verloop van de procedure
A. en B. – hierna klagers – hebben op 11 februari 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag tegen D. – hierna de kaakchirurg – een klacht ingediend. Bij beslissing van 20 augustus 2019, onder nummer 2019-042, heeft dat College klagers niet-ontvankelijk verklaard.
Klagers hebben op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. De kaakchirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klagers nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 december 2020, waar zijn verschenen klagers, en de kaakchirurg, bijgestaan door mr. Van Rest voornoemd.
Als getuige aan de zijde van klagers is gehoord de heer G., tandprotheticus in H..
Partijen hebben hun standpunten bij de mondelinge behandeling over en weer verder toegelicht. Klagers hebben dat mede gedaan aan de hand van notities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klagers zijn kaakchirurgen en hebben met beklaagde vanaf 2014 een samenwerkingsverband, in de vorm van een BV (I.), waarin zij door middel van hun persoonlijke holding BV’s deelnemen. Tussen deze I. en de betrokken ziekenhuizen zijn samenwerkingsovereenkomsten gesloten. Partijen oefenden in het J. en het
K.- Ziekenhuis een praktijk voor mondziekten en kaakchirurgie uit.
2.2. Beklaagde heeft gedurende enige tijd, in de periode vóór mei 2017, een methode van declareren gehanteerd die er op neer kwam dat hij bij extracties van tanden of kiezen, waarbij een of meer tanden of kiezen niet konden worden gedeclareerd, zijn declaraties zo inrichtte dat hij de al getrokken kiezen of tanden op een later tijdstip alsnog als op dat moment getrokken declareerde. Niet in geschil is dat deze methode van declareren onrechtmatig was.
2.3 Beklaagde heeft zijn wijze van declareren in maart 2017 bij klagers gemeld. Toen deze aangaven dat deze wijze van declareren onrechtmatig is, heeft beklaagde deze handelwijze gestaakt. Klagers hebben in juni 2017 de Raad van Bestuur van het J. van de wijze van declareren van beklaagde in kennis gesteld. Het J. heeft daarop aan beklaagde een waarschuwing gegeven en gevraagd om een overzicht van de onjuiste declaraties. Daarnaast heeft het J. van I. verlangd een aantal acties uit te voeren. Beklaagde heeft een overzicht met de onjuiste declaraties aan het J. verstrekt, waarna het ziekenhuis deze door een onafhankelijke derde heeft laten verifiëren. Het door deze derde vastgestelde bedrag aan onjuiste declaraties (in totaal € 7.320,61) heeft beklaagde terugbetaald.
2.4 Beklaagde heeft in oktober 2017 zijn werkzaamheden in het J. beëindigd. Hij heeft besloten om niet langer in Nederland als kaakchirurg werkzaam te zijn en heeft Nederland verlaten. Verder heeft de Raad van Bestuur van het J. bij brief van
12 oktober 2017 besloten om de samenwerkingsovereenkomst met I. op te zeggen. Voorts heeft de Raad van Bestuur klagers de toegang tot het ziekenhuis ontzegd. Laatstgenoemde maatregel is door de voorzieningenrechter opgeheven.
2.5 Klagers hebben in oktober en december 2017 strafrechtelijke aangifte tegen beklaagde gedaan. Beklaagde heeft een schikkingstransactie van € 4000,- betaald, waarna het Openbaar Ministerie van verdere vervolging heeft afgezien.
2.6 Vanaf het moment dat de Raad van Bestuur van het J. aan klagers een waarschuwing had opgelegd en ook van I. een aantal acties verlangde, is tussen partijen een conflict ontstaan dat steeds verder is geëscaleerd. Tussen partijen zijn diverse procedures gevoerd, onder meer bij de civiele rechter en bij de Ondernemingskamer van het Hof L.. De Ondernemingskamer heeft op
23 oktober 2017 onder meer een onderzoek naar het beleid van I. vanaf maart 2017 gelast en een bestuurder met een beslissende stem bij I. benoemd.
2.7 Daarnaast hebben partijen intensief onderhandeld over de overdracht door beklaagde van aandelen in I. en van zijn praktijk aan klagers. Die onderhandelingen, die in een onprettige sfeer zijn verlopen, hebben nog niet tot resultaat geleid. Klagers hebben vervolgens de onderhavige tuchtklacht ingediend.
3. De klacht
Klagers verwijten beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij door zijn wijze van declareren, fraude heeft gepleegd en dat hij daardoor de dossiers van zijn patiënten heeft gecorrumpeerd. Verder zijn volgens klagers patiënten met een indicatie voor antistolling aan nodeloos extra gevaar blootgesteld door extra behandelbezoeken voor vervolgextracties in hetzelfde kwadrant.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft primair een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klagers en subsidiair de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat beklaagde de betreffende declaraties onrechtmatig en in strijd met de waarheid heeft opgesteld en ingediend. Beklaagde heeft dat erkend en daarover meermalen, ook ter zitting, zijn spijt betuigd. De vraag is of klagers een voldoende relevant belang hebben bij een uitspraak van de tuchtrechter over het declaratiegedrag van beklaagde. Naar het oordeel van het College is dat niet het geval.
5.2 Artikel 65, eerste lid, onder a, Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: wet BIG), bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Om als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet BIG te kunnen worden aangemerkt, dient waar de klacht het handelen in strijd met artikel 47, eerste lid, onder a, Wet BIG (de eerste tuchtnorm) betreft, volgens vaste rechtspraak sprake te zijn van een rechtstreeks bij een handeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg betrokken belang. Klagers stellen dienaangaande dat de patiënten die door beklaagde zijn behandeld en ten aanzien van welke behandeling onjuist is gedeclareerd, gedurende enige tijd een onjuist dossier hebben gehad. Bij patiënten die niet meer bij beklaagde zijn teruggekomen bevat hun dossier blijvende onjuistheden. Zij stellen voorts dat sommige patiënten met antistollingsmedicatie een groter risico hebben gelopen door onnodig lang deze medicatie te staken. Wat daar ook van zij, dit is geen eigen belang van klagers. Het enkele feit dat klagers met beklaagde samenwerkten is onvoldoende voor het aannemen van een rechtstreeks belang.
5.3 Voor zover klagers stellen dat beklaagde door zijn wijze van declareren heeft gehandeld in strijd met artikel 47, eerste lid, onder b, Wet BIG (de tweede tuchtnorm) geldt hetzelfde. Voor toepassing van de tweede tuchtnorm is noodzakelijk dat het gaat om een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt dat zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Degene die klaagt over schending van deze norm zal dan ook aannemelijk moeten maken dat hij rechtstreeks door de wijze waarop het handelen of nalaten zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg is getroffen. Ook te dien aanzien is het College niet gebleken van enig eigen belang van klagers. Klagers hebben ter zitting desgevraagd hun belang toegelicht door te wijzen op het feit dat het J. de samenwerking met hen heeft beëindigd, de gevolgen daarvan voor hun privé-situatie en het feit dat zij een groot financieel nadeel hebben geleden. Daargelaten of deze omstandigheden kunnen worden toegerekend aan het onjuiste declaratiegedrag van beklaagde, volgt hieruit dat de klacht veeleer is ingegeven door het zakelijke, ernstig geëscaleerde, conflict tussen klagers en beklaagde. Ook het tijdstip waarop de tuchtklacht is ingediend - ruim anderhalf jaar na het gewraakte handelen - wijst daar op. Dit belang raakt niet de individuele gezondheidszorg. Klagers zijn dus geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a Wet BIG.
5.4 Klagers zijn derhalve niet-ontvankelijk hun klacht.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klagers verzoeken het Centraal Tuchtcollege klagers in hun klacht te ontvangen en de zaak voor inhoudelijke afdoening terug te verwijzen naar een Regionaal Tuchtcollege. Bovendien zijn klagers van mening dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht niet adequaat heeft geformuleerd.
4.2 De kaakchirurg voert hiertegen verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege
het beroep van klagers te verwerpen.
4.3 Het is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken dat de klachtenformulering zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg geen recht doet aan de door klagers in eerste aanleg ingediende klacht. Het Centraal Tuchtcollege zal bij de beoordeling van het beroep dan ook uitgaan van de klachten zoals geformuleerd door het Regionaal Tuchtcollege.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het schriftelijk en mondeling debat ter terechtzitting in beroep omtrent de ontvankelijkheid van klagers tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder 5.1 tot en met 5.3 heeft overwogen hier over, met uitzondering van het gedeelte onder 5.3 dat begint met “Daargelaten of deze omstandigheden”, welk gedeelte verband houdt met de stelling van klagers dat aan hen door de Raad van Bestuur, als gevolg van het handelen van de kaakchirurg, de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover als volgt.
4.5 De brief waarin de Raad van Bestuur klagers van de toegangsontzegging tot het ziekenhuis op de hoogte heeft gesteld is door klagers niet overgelegd, zodat deze brief geen deel uitmaakt van de processtukken en daaraan - in dit geding - geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag waarom klagers de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd. Uit de door de kaakchirurg in eerste aanleg overgelegde brief van de Raad van Bestuur van 12 oktober 2017 en uit hetgeen hierover ter terechtzitting in beroep is besproken, is evenwel expliciet naar voren gekomen dat de toegangsontzegging aan klagers door de Raad van Bestuur van het ziekenhuis geheel is gebaseerd op het gedrag en het handelen van klagers zelf.
4.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege klagers terecht niet-ontvankelijk in hun klacht heeft verklaard, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; A. Smeeïng-van Hees en M.W. Zandbergen, leden juristen en J. de Lange en A. Vissink, leden beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 29 januari 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.