Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:185 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.060

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:185
Datum uitspraak: 05-11-2021
Datum publicatie: 05-11-2021
Zaaknummer(s): C2021.060
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen arts. Klager was uitgevallen voor zijn werk en heeft een aantal telefonische consulten met verweerder gehad. Verweerder heeft twee keer een bijstelling probleemanalyse opgesteld en deze ondertekend als bedrijfsarts. Dat laatste was hij op dat moment sinds korte tijd niet meer. Verweerder heeft een door klager ingestuurde second opinion niet overgenomen.Klager verwijt verweerder dat hij zich ten onrechte als bedrijfsarts heeft voorgedaan, dat hij advies heeft uitgebracht na enkel een kort telefonisch onderhoud zonder medische informatie op te vragen of contact op te nemen met de behandelaars van klager en dat hij het advies van de second opinion arts naast zich neer heeft gelegd. Verder verwijt klager verweerder dat hij zich bij dit alles niet heeft laten bijstaan door een supervisor.Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing, doch uitsluitend waar het de maatregel betreft, en legt de maatregel van waarschuwing op.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2021.060 van:

A., arts, werkzaam in B., appellant, verweerder in eerste aanleg,

tegen

C., wonende in D., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg.

1.         Verloop van de procedure

C. – hierna klager – heeft op 8 juli 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam tegen A. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 5 februari 2021, onder nummer 20/163, heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het gegrond verklaarde deel aan de arts de maatregel van berisping opgelegd.

De arts heeft op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. Van klager is in beroep geen verweerschrift ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 1 oktober 2021. Klager is met kennisgeving niet op de zitting verschenen. De arts was op de zitting aanwezig en heeft zijn standpunt daar verder toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de arts aangeduid als verweerder.

“2.      De feiten

2.1       Klager, thans 49 jaar oud, is sinds 1 juni 2018 werkzaam als regiomanager bij de E.. Op 3 juli 2019 is hij uitgevallen op zijn werk met depressieve klachten. Sinds juni 2019 is [het CTG leest:] klager voor deze klachten onder behandeling bij F..

2.2.      Op 17 juli 2019 is klager op het spreekuur gekomen van de bedrijfsarts G.. In het medisch dossier van klager heeft G. naar aanleiding van dit consult onder meer geschreven dat klager doodop en depressief is, aan suïcide heeft gedacht en onder behandeling is bij F. in H..

2.3.      In de maanden hierna heeft klager langzamerhand zijn werkzaamheden hervat. In december 2019 heeft hij zich vanwege depressieve klachten opnieuw ziek gemeld.

2.4.      Op 28 januari 2020 heeft klager een telefonisch consult bij verweerder gehad. In de ‘Bijstelling probleemanalyse’ heeft verweerder naar aanleiding van dit consult

– kort samengevat – opgenomen dat klager adequaat wordt behandeld, een opbouwplan is opgesteld waarbij klager geleidelijk aan meer eigen werkzaamheden mag oppakken en wordt een vervolgconsult geadviseerd. Verweerder heeft deze ‘Bijstelling probleemanalyse’ ondertekend als bedrijfsarts.

2.5.      Verweerder is in verband met medische en persoonlijke omstandigheden per

1 december 2019 zijn registratie als bedrijfsarts kwijtgeraakt.

2.6.      Op 21 april 2020 heeft verweerder opnieuw een telefonisch consult met klager gehad. Naar aanleiding van dit consult heeft verweerder wederom een ‘Bijstelling probleemanalyse’ opgesteld. Voorafgaand aan dit verslag heeft hij geen informatie opgevraagd bij de behandelaars van klager. In de ’Bijstelling probleemanalyse’ heeft verweerder – kort samengevat – te kennen gegeven dat betrokkene adequaat wordt behandeld en geadviseerd dat op korte termijn tussen werkgever en werknemer met betrekking tot de werkgerelateerde knelpunten een gesprek plaatsvindt. Verder acht verweerder klager per 25 mei 2020 volledig arbeidsgeschikt. Verweerder heeft ook deze ‘Bijstelling probleemanalyse’ ondertekend als bedrijfsarts.

2.7.      Klager heeft vervolgens een second opinion aangevraagd. In de rapportage second opinion van 20 juni 2020 wordt – kort samengevat – door de second opinion arts geconcludeerd dat bij klager sprake is van ziekte en of gebrek en dat klager niet belastbaar is voor enige vorm van re-integratie. Ook wordt in deze rapportage vermeld dat klager sinds juni 2019 onder behandeling is bij F..

2.8.      De rapportage van de second opinion arts is naar verweerder gestuurd. Verweerder heeft naar aanleiding van deze rapportage in zijn terugkoppeling aan de werkgever van klager te kennen gegeven dat hij dit advies van de second opinion arts niet overneemt. Volgens verweerder is daarin namelijk onvoldoende rekening gehouden met de overwegingen van verweerder bij het opstellen van zijn advies. Verweerder heeft deze terugkoppeling ondertekend als arbo-arts.

2.9.      Op 1 juli 2020 heeft klager een deskundigenoordeel bij het I. aangevraagd. Het I. is in het deskundigenoordeel van 3 september 2020 van oordeel dat klager zijn eigen werk op 25 mei 2020 niet kon doen.

3.         De klacht van klager

3.1.      De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

  1. zich voordoet als bedrijfsarts in plaats van arbo-arts;
  2. zich niet heeft laten bijstaan door een verplichte supervisor;
  3. advies heeft uitgebracht na enkel een kort en gewoon telefonisch onderhoud en  daarbij de supervisor niet heeft betrokken;
  4. advies heeft uitgebracht zonder contact met de behandelaars op te nemen of  medische informatie op te vragen, ook niet na ontvangst van de rapportage van de second opinion arts;
  5. zonder ruggespraak met een supervisor het advies van de second opinion arts  naast zich neer heeft gelegd.

3.2.      Klager heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte zijn brieven en verslagen heeft ondertekend als bedrijfsarts, terwijl hij dat niet was. Volgens klager is een arbo-arts verplicht zich te laten bijstaan door een supervisor, maar heeft verweerder geen enkel overleg gehad met een supervisor.

3.3.      Klager heeft verder gesteld dat het advies van verweerder op slechts twee korte telefonische consulten is gebaseerd, zonder dat een fysieke afspraak heeft plaatsgevonden. Tijdens die gesprekken heeft klager telkens tegen verweerder gezegd dat hij onder behandeling was van een psychiater en psycholoog, hij antidepressiva slikt en suïcidale gedachten heeft. Verweerder heeft echter voorafgaand aan zijn advies niet met deze behandelaren overlegd. Volgens klager is verweerder op grond van de LESA-richtlijn in verband met overspannenheid en burn-out hiertoe echter verplicht. Dit overleg heeft evenmin plaatsgevonden naar aanleiding van het advies van de second opinion arts. Dit advies had verweerder niet zonder ruggespraak met zijn supervisor of behandelaars naast zich kunnen neerleggen, aldus steeds klager.

4.         Het standpunt van verweerder

4.1.      Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

4.2.      Verweerder is sinds 1 december 2019 niet meer geregistreerd als bedrijfsarts en heeft abusievelijk de voorgedrukte titel in de ‘Bijstelling probleemanalyse’, te weten ‘bedrijfsarts’, niet veranderd. Het is echter nooit verweerders bedoeling geweest zich voor te doen als bedrijfsarts. Verweerder erkent dat in de periode van de consulten met klager geen supervisie beschikbaar was. Hij heeft daartoe weliswaar stappen ondernomen, bij de stafarts en de directie van de arbodienst Verzuimmanagement op Maat (VMOM), maar dat heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Verweerder heeft wel supervisie opgezet bij een andere arbodienst waarvoor hij (ook) werkt. Ook heeft hij de casus van klager gesproken in een intercollegiale toetsing.

4.3.      Voorts betwist verweerder dat de telefoongesprekken met klager kort waren. De gesprekken hebben in verband met de corona-epidemie telefonisch plaatsgevonden. Omdat verweerder niet in bezit was van een laptop met camera, was beeldbellen niet mogelijk. Verweerder heeft geen contact opgenomen met de behandelaren van klager, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat klager (alleen) onder behandeling was van een coach. Volgens verweerder heeft klager hem ook nooit duidelijk gemaakt dat klager onder behandeling was van een psychiater en psycholoog.

4.4.      Volgens verweerder was (primair) sprake van een arbeidsconflict. Omdat het beter met klager ging en verweerder signalen van de werkgever had gekregen dat werd gewerkt om tot een oplossing te komen, heeft verweerder geconcludeerd dat klager per 25 mei 2020 volledig arbeidsgeschikt was. Verweerder heeft het advies van de second opinion arts niet overgenomen, omdat hij van mening was dat de second opinion arts overwegend heeft gekeken vanuit het gezichtspunt van klager. Verder heeft verweerder dit advies niet opgevolgd, omdat hij een deskundigenoordeel van het I. wilde verkrijgen. Verweerder heeft immers negatieve ervaringen met het I. gehad over de begeleiding door een bedrijfsarts wanneer sprake was van een onopgelost arbeidsconflict en de bedrijfsarts een re-integratieblokkerend advies heeft afgegeven.

5.         De beoordeling

5.1.      Het college stelt voorop dat het bij een tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houden met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Klachtonderdelen 1 en 2

5.2.      De klachtonderdelen 1 en 2 houden zodanig met elkaar verband dat die gezamenlijk worden behandeld.

5.3.      Verweerder was sinds 1 december 2019 niet meer werkzaam als bedrijfsarts, maar als arbo-arts. Hij heeft echter de ‘Bijstelling probleemanalyse’ van zowel

28 januari 2020 als 21 april 2020 ondertekend als bedrijfsarts. Dit betekent dat verweerder zich daarmee ten onrechte heeft voorgedaan als bedrijfsarts. De omstandigheid dat het woord ‘bedrijfsarts’ in dit formulier voorgedrukt staat, doet daar niet aan af. Van verweerder mag als professioneel handelende arbo-arts immers worden verwacht dat hij erop let in welke hoedanigheid hij een formulier ondertekent en dit, indien nodig, wijzigt. Klachtonderdeel 1 is derhalve gegrond.

5.4.      De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) schrijft voor dat een arbo-arts onder supervisie van een bedrijfsarts dient te werken. In de periode dat klager bij verweerder de twee telefonische consulten heeft gehad, was bij verweerder van supervisie echter geen sprake. Supervisie bij een andere arbodienst of bespreking van de onderhavige casus in een intercollegiaal overleg kan de voorgeschreven supervisie van verweerder voor zijn werkzaamheden als arbo-arts bij de arbodienst VMOM niet vervangen. Verweerder heeft weliswaar aangedrongen op supervisie bij VMOM (zonder resultaat) maar dat ontslaat hem niet van de verplichting zorg te dragen voor supervisie. Verweerder is er immers – anders dan hij heeft gesteld – zelf verantwoordelijk voor dat zijn supervisie goed is geregeld. Bovendien is verweerder in het verleden stafarts geweest en kan van hem in het bijzonder worden verwacht dat hij het belang van deugdelijke supervisie onderkent. Dit betekent dat ook het tweede klachtonderdeel gegrond is.

Klachtonderdeel 3

5.5.      Verweerder heeft betwist dat de telefonische consulten met klager kortdurend zijn geweest. Nu aan deze telefoongesprekken enkel klager en verweerder hebben deelgenomen kan – gelet op deze uitdrukkelijke betwisting van verweerder – niet worden vastgesteld dat slechts van kortdurende telefoongesprekken sprake is geweest. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat aan het woord van klager minder geloof wordt gehecht dan aan het woord van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag liggen, en het college kan deze feiten niet vaststellen. Dit betekent dat verweerder in dit kader geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Nu reeds bij klachtonderdeel 2 is vastgesteld dat geen sprake was van supervisie, acht het college het tweede onderdeel van klachtonderdeel 3 daarmee besproken en zal het dit niet verder bij klachtonderdeel 3 meenemen.

5.6.      Voor zover klager heeft gesteld dat het advies van klager niet had mogen worden gebaseerd op een telefoongesprek en verweerder met klager had moeten videobellen, kan verweerder evenmin een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het is immers aan de arts zelf om te bepalen of hij een fysiek, telefonisch consult of videoconsult geschikt acht. Er is geen voorschrift dat een bepaalde vorm van consult dwingend voorschrijft omdat die beter zou zijn dan een andere.

Klachtonderdelen 4 en 5

5.7.      Klachtonderdelen 4 en 5 worden eveneens gezamenlijk behandeld, omdat die met elkaar verband houden.

5.8.      Verweerder heeft een onvolledig onderzoek verricht doordat hij, voordat hij zijn advies uitbracht, geen informatie bij de behandelaars van klager bij F. heeft opgevraagd. Nu de collega van verweerder, G., in het medisch dossier had genoteerd dat klager onder behandeling was bij F., bestond daar voor verweerder alle aanleiding toe. Ook de klachten van klager hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn bij klager door te vragen of hij voor die klachten onder behandeling stond. Verweerder heeft ter verontschuldiging aangevoerd dat hij voorafgaand aan het eerste telefonische consult met klager onvoldoende tijd had diens medisch dossier goed door te nemen. Dit verweer kan verweerder echter niet baten. Juist als verweerder te weinig tijd heeft gehad het medisch dossier te lezen, mag van hem als zorgvuldig handelend arts worden verwacht dat hij klager hierop nader bevraagt. Gelet hierop had verweerder niet mogen uitgaan van zijn enkele veronderstelling dat klager onder behandeling was van een coach. Bovendien had verweerder op basis van de rapportage second opinion arts, waarin duidelijk wordt gesproken over een behandeling bij F., zich (alsnog) moeten realiseren dat die veronderstelling onjuist was en naar aanleiding van die rapportage alsnog de informatie moeten opvragen. Het voorgaande betekent dat verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.9.      Verweerder heeft eveneens tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onvoldoende te motiveren waarom hij het advies van de second opinion arts naast zich neer heeft gelegd. De rapportage van de second opinion arts betreft een rapportage waarin hij zijn advies duidelijk en goed onderbouwd heeft weergegeven. Dit betekent dat verweerder niet zonder deugdelijke onderbouwing van dit advies mag afwijken. Uit de terugkoppeling blijkt dat verweerder dit advies niet heeft gevolgd, omdat hij van mening was dat zijn eigen advies onvoldoende door de second opinion arts was meegewogen. In het licht van de goed onderbouwde rapportage van de second opinion arts is deze motivering onvoldoende. Verweerder heeft voorts gesteld dat het advies van de second opinion arts te veel zou uitgaan van het gezichtspunt van klager. Deze stelling vindt geen steun in de rapportage van de second opinion arts. Evenmin bestond voor verweerder – zoals hij heeft gesteld – aanleiding een deskundigenoordeel van het I. af te wachten. Uit het verweer van verweerder volgt dat hij zich heeft laten leiden door wat het I. mogelijk met betrekking tot een re-integratieblokkerend advies zou oordelen. Het is niet aan verweerder om bij zijn afweging van een advies van een second opinion arts te anticiperen op een dergelijk oordeel van het I..

Conclusie

5.10.    Het voorgaande brengt met zich dat verweerder met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 2, 4 en 5 heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) jegens klager had behoren te betrachten. Deze klachtonderdelen zijn derhalve gegrond.

5.11.    Wat klachtonderdeel 3 betreft kan verweerder geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 Wet BIG worden gemaakt, zodat dit klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.

Maatregel

5.12.    Verweerder wordt meerdere tuchtrechtelijke verwijten gemaakt die – steeds op zichzelf genomen en ook in onderling verband bezien – naar het oordeel van het college ernstig zijn. Bovendien heeft verweerder onvoldoende blijk gegeven op zijn handelen te hebben gereflecteerd en ziet hij nog altijd niet in dat zijn gedragingen kwalijk zijn geweest. Onder deze omstandigheden zal het college zich niet beperken tot een waarschuwing en legt het verweerder een berisping op.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Na de behandeling ter zitting in eerste aanleg, maar voordat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege was uitgesproken, heeft de arts een brief aan het Regionaal Tuchtcollege gezonden waarin hij – kort gezegd – stelt dat hij tot het besef is gekomen dat hij tekort is geschoten in de zorg voor klager en dat hij daar spijt van heeft. Deze zelfde brief heeft de arts als bijlage bij zijn beroepschrift aan het Centraal Tuchtcollege toegezonden. De arts verzoekt het Centraal Tuchtcollege daarbij de in eerste aanleg opgelegde maatregel van berisping te matigen en te volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing. Klager heeft in beroep geen verweer gevoerd.

4.2       Zowel uit (de bijlage bij) het beroepschrift van de arts als uit de door hem tijdens de terechtzitting in beroep gegeven toelichting komt naar voren dat de arts lering heeft getrokken uit de tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen door het Regionaal Tuchtcollege. Ook beschrijft de arts dat hij, juist in de periode waar de klacht op ziet, op privégebied een zware tijd doormaakte. Overigens benadrukt de arts dit niet als excuus te willen aanvoeren.

De arts heeft verklaard, kennelijk met het oog op het voorkomen van herhaling van hetgeen in dit geval niet goed is gegaan, inmiddels op verschillende aandachtspunten actie te hebben ondernomen, onder meer op het gebied van herscholing en intercollegiale toetsing. Ook is de arts bezig met zijn herregistratie tot bedrijfsarts.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klachtonderdelen 1, 2, 4 en 5 gegrond zijn en dat de arts heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG had behoren te betrachten. Hetgeen de arts tuchtrechtelijk wordt verweten rechtvaardigt op zich de maatregel van berisping. De mate van reflectie door de arts op het eigen handelen en de verschillende door hem ondernomen concrete acties op het gebied van opleiding en toetsing brengen het Centraal Tuchtcollege er, alles afwegende, echter toe om in dit geval te volstaan met de maatregel van waarschuwing.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover daarin de maatregel van berisping is opgelegd;

                                               en, opnieuw rechtdoende:

                                               legt aan de arts de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; Y. Buruma en

H. de Hek, leden-juristen en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk, leden-beroepsgenoten en

M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 5 november 2021.

                        Voorzitter   w.g.                                             Secretaris  w.g.