Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:157 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.218

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:157
Datum uitspraak: 10-09-2021
Datum publicatie: 10-09-2021
Zaaknummer(s): c2020.218
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen gz-psycholoog. Klaagster is in het verleden bij de gz-psycholoog onder behandeling geweest en staat onder curatele. De gz-psycholoog heeft op klaagsters verzoek een brief geschreven die zij aan de gemeente kon overhandigen. Vervolgens heeft de gz-psycholoog ook aan klaagster zelf en aan haar huisarts een brief geschreven. Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat hij heeft gesteld dat er bij haar sprake was van paranoïde wanen en dat hij negatieve informatie over klaagster aan psychiaters heeft verstrekt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.218 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., gz-psycholoog, destijds werkzaam te B., beklaagde in beide instanties.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 24 april 2019 en opnieuw op 3 februari 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de gz-psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 25 augustus 2020, onder nummer 2020/055, heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 augustus 2021. Klaagster was aanwezig. De gz-psycholoog is op juiste wijze uitgenodigd voor de zitting, maar niet verschenen.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.       De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

Klaagster is in het verleden bij verweerder in behandeling geweest.

Op 11 september 2009 heeft verweerder op verzoek en ten behoeve van klaagster een brief geschreven, die klaagster aan de gemeente B. kon overhandigen. De inhoud van deze brief luidt als volgt:

“Hierbij verklaar ik dat bovengenoemde patiënt is ingestort wegens psychische overbelasting. De spanningen waaraan zij onderhevig is geweest houden verband met haar wedervaren als beheerder en eigenaar van een paar woningen en met een beslaglegging door de gemeente B..

Omdat bovengenoemde patiënt overspannen is, is ze niet in staat om te reageren op diverse bezoeken die haar bereiken in verband met haar functie, waaronder ook uw verzoek om een uitbouwtje van een woning af te breken. Ze is niet in staat om dat te regelen, ook niet als zij dit geheel uit handen zou geven omdat niemand op dit moment iets in haar opdracht wil doen omdat ze over geen liquiditeiten beschikt. Mede daardoor kan de ook niet de huurder van de betreffende woning elders huisvesten en ze kan ook geen aannemer in de arm nemen.

Maar voor alles kan ze door overspannenheid geen beslissingen meer nemen en niet meer functioneren.

Ik heb haar dringend aangeraden gedurende enkele maanden geen zaken meer te doen, en alleen ontspannende activiteiten te ondernemen. Ik hoop dat u in verband hiermee bereid bent bovengemelde patiënt enige tijd met rust te laten

Op 1 mei 2010 heeft verweerder de huisarts van klaagster bericht als volgt:

“Bovenvermelde cliënt, door u op 9-12-2008 verwezen, is door mij sinds die datum maandelijks gezien voor psychologische hulp.

Begin van dit kalenderjaar heb ik de behandeling in telefonisch overleg met cliënt en met de bij haar thuis aanwezige collega’s van het ‘vangnet’ 2de lijns ggz-D. overgedragen. Inmiddels heeft cliënt zich echter weer bij mij aangemeld omdat ze de indruk heeft dat “vangnet” met de gemeente samenwerkt. Zij heeft een conflict met de gemeente in haar hoedanigheid als eigenares van haar woning. In verband met de behandeling zou “bouw en woning toezicht” tijdens haar afwezigheid de deur hebben opengebroken.

BEHANDELPLAN

Haar vermogen tot het toetsen van haar ervaring met de realiteit krijgt de aandacht.

BEOOGDE RESULTATEN

“succesvolle overdracht van de behandeling naar de specialistische 2de lijns GGZ voor een intensievere begeleiding.” Een goed vertrouwen is hierbij een voorwaarde.

Aan klaagster heeft verweerder op die datum geschreven:

“Hierachter het briefje gericht aan de huisarts, dat mij gisteren verzocht te schrijven.

Brieven van behandelaars die als bewijs dienen worden gericht aan de huisarts omdat die de spilfunctie heeft bij de behandeling. Als het goed is komen brieven van ‘vangnet’ daar ook terecht, en die kunt u inzien, omdat het over u gaat.

Op 21 oktober 2010 heeft verweerder de verklaring uit 2009 en de brief aan de huisarts van 1 mei 2010 in kopie aan de psychiater van de tweedelijns GGZ toegezonden.

Op 10 januari 2011 heeft verweerder klaagster het volgende geschreven:

“Hierachter nogmaals het briefje gericht aan de huisarts, dat mij een klein jaartje geleden verzocht te schrijven.

Ik heb verder geen brieven aan de huisarts geschreven, ik heb wel [ook op uw verzoek] in 2009 een ‘verklaring’ voor u geschreven, die u zou kunnen gebruiken om uitstel te krijgen van de gemeente.

Verder heeft de psychiater dossier informatie gevraagd, en ik heb haar alleen deze brieven toegestuurd, plus een begeleidend briefje dd. 21 okt.’10 [copie hierachter]. Uw heeft de psychiater op het spoor gezet om deze briefjes aan mij te vragen, en ik heb geoordeeld dat dit niet een uw nadeel zou zijn.

Tot slot een klein technisch detail: De huisarts verwijst. De psycholoog verwijst niet. Verwijzing heeft alleen te maken met vergoeding van zorgkosten, en met het idee dat de huisarts moet weten bij wie de cliënt in behandeling is, en bij wie niet meer.

U bent de baas over uw behandeling en over wie wat mag weten. Dit houdt pas op als de rechter vindt dat u zichzelf te veel benadeelt, maar dat is nog niet zover. Als het wel zover komt zal ik me daarvan echter afzijdig houden.

Vriendelijke groeten en sterkte in de rechtszaal!

Klaagster is op 18 april 2011 onder curatele gesteld op grond van “een geestelijke stoornis, waardoor zij, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar eigen belangen behoorlijk waar te nemen.” Klaagster staat nog steeds onder curatele.

Verweerder is sinds 2014 met pensioen.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

Zakelijk weergegeven en voor zover het college begrijpt verwijt klaagster verweerder dat hij met de zin “Haar vermogen tot het toetsen van haar ervaring met de realiteit krijgt de aandacht” heeft gesteld dat bij klaagster sprake was van paranoïde wanen en dat hij (telefonisch) negatieve informatie over klaagster aan psychiaters heeft verstrekt, waardoor die psychiaters dat hebben overgenomen en klaagster levenslang handelingsonbekwaam is verklaard.

Ter toelichting heeft klaagster onder meer aangevoerd dat geen sprake is geweest van een behandeling, maar van gesprekken. Verweerder is in gebreke gebleven om een psychologisch rapport op te stellen en kon niet zomaar met één brief vaststellen dat klaagsters vermogen om met de realiteit om te gaan aandacht krijgt. Dat is identiek aan het stellen dat er sprake is van waanideeën. Verweerder heeft dit uit de lucht gegrepen, maar het ligt nu wel vast in de beschikking waarbij klaagster onder curatele is gesteld, wat door het gerechtshof in een beschikking van 17 januari 2012 is bekrachtigd. Klaagster heeft wekelijks bij de rechtbank gevraagd de curatele op te heffen en van de weigering om dat de doen ligt de oorzaak bij verweerder.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Hij heeft in dat kader onder meer aangevoerd dat hij niet meer dan drie brieven heeft geschreven en dat hij met niemand over klaagster heeft gesproken of gemaild. Klaagster is op verwijzing van haar huisarts in december 2008 bij verweerder gekomen. Zijn behandelindicatie was: 1. klachtverheldering en 2. onderscheid leren maken tussen de waargenomen feiten en eigen interpretaties (werkterrein cognitief gedragstherapeut). Eind september 2009 is de behandeling in goed onderling overleg beëindigd. In januari 2010 heeft verweerder telefoon gekregen van een collega van de tweedelijns GGZ, die bij klaagster op huisbezoek was. Deze collega heeft hem in aanwezigheid van klaagster gezegd dat zij de behandeling ter hand nam. In april 2010 heeft de huisarts opnieuw naar verweerder verwezen omdat klaagster vermoedde dat de tweedelijns GGZ samenspande met de gemeente. De behandeling is eind juni 2010 opnieuw in goed onderling overleg beëindigd. Verweerder heeft nadien nog de psychiater het behandelverslag opgestuurd en op verzoek van klaagster aan haar kopieën van de brieven uit zijn dossier verstrekt.

Vanaf 2017 heeft verweerder van klaagster nog enkele e-mails ontvangen. Hij heeft haar medegedeeld dat hij inmiddels met pensioen was.

5.         De beoordeling

Het college stelt voorop dat het b ij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Met inachtneming van deze uitgangspunten is het college van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten van verweerder. De door verweerder geschreven brieven zijn in lijn met wat er van een GZ-psycholoog in een eerstelijns praktijk verwacht wordt. Klaagster heeft (direct en/of korte tijd later) kopieën van de brieven ontvangen en nergens blijkt uit dat zij indertijd bezwaren tegen de inhoud daarvan had.

Onder behandeling wordt in de GGZ ook verstaan het voeren van gesprekken. Deze gesprekken hadden ook een doel, dat in het behandelplan is neergelegd. Anders dan klaagster meent, blijkt nergens uit de stukken dat verweerder waanideeën bij klaagster heeft vastgesteld, noch dat verweerder zich jegens wie dan ook negatief over klaagster zou hebben uitgelaten. De formulering in het behandelplan is bepaald niet gelijk te stellen met het rapporteren van paranoïde wanen.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt ”.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.

4.         Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

4.1       Het Centraal Tuchtcollege is er ambtshalve mee bekend dat klaagster sinds 2011 onder curatele is gesteld. Bij onder curatele stelling hanteert het Centraal Tuchtcollege als hoofdregel dat een klagende partij die onder curatele staat zonder toestemming van de curator een tuchtklacht kan indienen, tenzij aannemelijk is dat die partij niet in staat is om de eigen belangen ter zake van die tuchtklacht behoorlijk waar te nemen. Daarbij gaat het Centraal Tuchtcollege uit van bekwaamheid, totdat het tegendeel komt vast te staan.

4.2       De gz-psycholoog heeft de bekwaamheid van klaagster niet betwist. Het Centraal Tuchtcollege is (ook) niet gebleken dat klaagster niet bekwaam is wat betreft haar tuchtklacht tegen de gz-psycholoog. Klaagster wordt dan ook aangemerkt als klachtgerechtigde en is ontvankelijk in de klacht.

5.         Beoordeling van het beroep

5.1              Klaagster wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege haar klacht in volle omvang beoordeelt en in beroep alsnog gegrond verklaart.

5.2              De gz-psycholoog heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege (impliciet) om het beroep te verwerpen.

5.3              Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

5.4              In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 augustus 2021 is dat debat voortgezet.

5.5              De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege . Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten van gz-psycholoog. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij dat wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ heeft overwogen en neemt dat over.

5.6              Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel is dat de gz-psycholoog geen verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

5.7              Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep verwerpen.

6.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; Y. Buruma en

J. Legemaate, leden-juristen en F.D.F. Steenbakkers en A. de Keijser, leden-beroepsgenoten en D. Brommer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 10 september 2021.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.