Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:134 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.230

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:134
Datum uitspraak: 09-07-2021
Datum publicatie: 09-07-2021
Zaaknummer(s): c2019.230
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen bedrijfsarts. Klaagster heeft op verzoek van de verzuimcoach van haar werkgeefster contact met de bedrijfsarts. Er was op dat moment geen sprake van een ziekmelding. De reden voor het contact was dat klaagster zich al jarenlang 7 tot 10 keer per jaar ziekmeldt. Klaagster verwijt de bedrijfsarts onprofessionele en onheuse bejegening, dat zij zich heeft opgesteld als belangenbehartiger van de werkgever en op de stoel van de werkgever is gaan zitten, dat zij de werkgever van klaagster heeft aangezet tot het weren van klaagster op het werk en het op non-actief zetten van klaagster, terwijl zij arbeidsgeschikt is en wil werken, dat zij een wig heeft gedreven tussen klaagster en haar werkgever, en dat zij niet voldoende moeite heeft gedaan zich een juist en volledig beeld te vormen van klaagsters medische situatie door de rapportage van de medisch specialist ter zijde te schuiven, dan wel onjuist te interpreteren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdelen 3 en 5 gegrond verklaard, aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd en klachtonderdelen 1, 2 en 4 ongegrond verklaard. Het beroep van de bedrijfsarts richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen 3 en 5 en tegen de hoogte van de opgelegde maatregel. Het incidenteel beroep van klaagster richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdelen 1 en 2 en bevat een nieuw klachtonderdeel 6. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het principaal beroep van de bedrijfsarts gedeeltelijk slaagt, verklaart klachtonderdeel 5 alsnog ongegrond, legt aan de bedrijfsarts de maatregel van waarschuwing op en gelast de publicatie.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.230 van:

A., bedrijfsarts, werkzaam te B., appellante, tevens verweerster in incidenteel beroep, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mw. mr. S. Dik, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

tegen

C., wonende te D., verweerster in beroep, tevens incidenteel appellante, klaagster in eerste aanleg, gemachtigde:

mr. S.A. Holwerda, verbonden aan HR Legal te Deventer.

1.         Verloop van de procedure

C. – hierna klaagster – heeft op 8 januari 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. – hierna de bedrijfsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

12 juli 2019, onder nummer 004/2019, heeft dat college de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, aan de bedrijfsarts voor het gegrond verklaarde deel de maatregel van berisping opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

De bedrijfsarts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend en heeft daarin incidenteel beroep ingesteld. De bedrijfsarts heeft hierop gereageerd met een verweerschrift in het incidenteel beroep.

Het Centraal Tuchtcollege heeft hierna van beide partijen nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 mei 2021, waar is verschenen de bedrijfsarts, bijgestaan door

mr. Dik. Zowel klaagster als mr. Holwerda zijn met kennisgeving niet op de terechtzitting verschenen. De door het Centraal Tuchtcollege op 18 mei 2021 ontvangen pleitnota van mr. Holwerda is aan het procesdossier toegevoegd. De bedrijfsarts en mr. Dik hebben ter terechtzitting hun standpunten toegelicht. Mr. Dik heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het bedrijfsgeneeskundig dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1958, had op 16 februari 2018 voor het eerst contact met verweerster, op verzoek van klaagsters werkgever (E.). Er was op dat moment geen sprake van een ziekmelding.

Verweerster is zelfstandig bedrijfsarts en aangesloten bij de vereniging van Zelfstandige en Freelance Bedrijfsartsen (ZFB). Verweerster heeft een dienstverleningsovereenkomst met E..

Verweerster voerde vooroverleg met de verzuimcoach van de werkgever en noteerde daaromtrent:

“Meldt zich al jarenlang 7 tot 10 keer per jaar ziek. Heeft in januari een gesprek met F. gehad over mogelijkheden om er eerder uit te gaan, in februari ook met G.. Heeft medische klachten, maar geeft ook aan uit balans te raken door een veel te hoge werkdruk die zij ervaart. Werkt in 2 groepen met 2 duo’s. Dit heeft directeur gedaan om de pijn te spreiden als zij uitvalt. Het krediet van haar collega’s is op, zij ervaren haar als een onbetrouwbare collega omdat ze zo vaak uitvalt. Als ze er wel is, is ze chaotisch, doet niet wat er van haar verwacht wordt. Er ligt geen dossier. Directeur heeft van alles gedaan om het nog enigszins werkbaar te houden.”

Verweerster noteerde naar aanleiding van het eerste consult op 16 februari 2018, voor zover thans van belang:

“Actuele situatie: kort ziek gemeld, terug kijkend tot 2014 jaarlijks 7 tot 10 keer kort ziek. Steeds gerelateerd aan spanningsverschijnselen gerelateerd aan het werk. Voelt zich overbelast in het werk. Voelt verantwoordelijkheid voor beide groepen waar ze in werkt die ze niet meer kan dragen.

Advies: stoppen met steeds kort ziekmelden en dan snel weer beginnen. Time out nemen om te herstellen, balans te hervinden, dan kijken hoe verder. Advies een gesprek aan te gaan met HRM om de mogelijkheden te onderzoeken zoals genoemd in het verslag van de heer H.. Dit bij voorkeur voor 6 maart doen. Komende tijd niet naar school, maar tijd nemen om tot zichzelf te komen om uiteindelijk een keus te kunnen maken om uit deze neerwaartse spiraal te komen.”

Verweerster verzond het verslag van dit consult gelijktijdig naar klaagster en werkgever.

Op 6 maart 2018 vond een tweede consult plaats. Klaagster zat toen thuis in verband met de geadviseerde time-out. Zij had contact gehad met HRM. Na een uitgebreid gesprek adviseerde verweerster een psychodiagnostisch onderzoek door een arbeidspsycholoog met als vraagstelling: is er een psychologische verklaring voor de frequente uitval en is er een interventie mogelijk die maakt dat het werk niet meer leidt tot disbalans en uitval. Na dit onderzoek zou een volgend contact worden afgesproken. Verweerster heeft tijdens het gesprek op 6 maart 2018 genoemd dat de organisatie een probleem ervoer met de frequente uitval van klaagster.

Klaagster heeft verweerster per e-mailbericht van 16 maart 2018 verzocht gerichte informatie op te vragen bij haar behandelend neuroloog, daar deze stelt dat de gezondheidsklachten niet te relateren zijn aan psychische factoren. Verweerster heeft vervolgens per e-mailbericht van 17 maart 2018 klaagster verzocht er zelf zorg voor te dragen dat informatie van haar behandelaar aan verweerster toekomt.

In het e-mailbericht van 27 maart 2018 heeft klaagster, naar aanleiding van een consult bij haar behandelend neuroloog de dag ervoor, aangegeven dat zij de afspraak voor een psychodiagnostisch onderzoek (het haalbaarheidsonderzoek) afzegt.

De behandelend neuroloog zond verweerster op 19 april 2018 informatie over klaagster, voor zover thans van belang inhoudende:

“In antwoord op uw brief dd 07-04-2018 kan ik u het volgende meedelen:

Ik behandel uw cliënt in verband met progressieve klachten van aanvalsgewijze aanvallen (misselijkheid vanuit de maagstreek opstijgend met een stram gevoel tussen de schouderbladen) die ik beschouw als complex partiële insulten bij afwijking rechts temporaal.

(…)

De aanvallen die ik eerder beschreven heb komen de laatste periode weer veelvuldig voor waardoor ze ook sociaal uitgevallen is. De aanvallen zijn voor haar zeer invaliderend.”

Het volgende contact was op 5 juni 2018. Verweerster noteerde – voor zover thans van belang – in het bedrijfsgeneeskundig dossier:

“Komt op het spreekuur met haar man. Besproken dat de diagnose van de neuroloog niet voldoende aanknopingspunten biedt om uit te sluiten dat haar klachten ook deels veroorzaakt worden door mentale disbalans. Geeft aan dat neuroloog mondeling wel heeft gezegd dat haar klachten niet psychisch zijn. Dit staat echter niet in de brief. Uitgelegd dat ik vind dat het niet aan neuroloog is om te constateren dat er geen sprake is van psychische co-morbiditeit, dat is zijn vakgebied niet. De heer en mevrouw [achternaam klaagster, RTC] zijn het niet eens dat ik niet nogmaals met de neuroloog contact wil opnemen om dit aan hem te vragen omdat dit zijn vakgebied niet is.”

Verweerster noteerde in het terugkoppelingsverslag:

“Werkneemster heeft een medische aandoening waardoor zij de afgelopen jaren geregeld kort is uitgevallen. In februari is zij volledig uitgevallen, toen ook met werkgerelateerde problematiek. Om uit te sluiten dat deze emotionele disbalans invloed heeft op haar medische aandoening heb ik informatie opgevraagd bij haar behandelaar en verwezen naar PVA voor een psychodiagnostisch onderzoek.

Mevrouw [achternaam klaagster, RTC] wil niet meewerken aan een psychodiagnostisch onderzoek omdat zij overtuigd is dat haar klachten hierdoor niet beïnvloed worden. De medische diagnose van haar klachten is niet volledig duidelijk.

Advies: de begeleiding zit in een impasse. De medische diagnose is niet volledig duidelijk, derhalve kan ook geen prognose worden gegeven anders dan dat de verwachting is dat de klachten blijven bestaan en dus ook geregeld blijven interfereren met haar werk. Het is aan E. om aan te geven of dit verenigbaar is met haar functie of dat het de gang van zaken op school in die mate verstoort dat mevrouw [achternaam klaagster, RTC] niet kan terugkeren naar haar vaste groep. Mijn advies is gezien de complexiteit van de ontstane situatie een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV met de vraag hoe hier mee om te gaan.”

Na een door de werkgever aangevraagd deskundigenoordeel is klaagster op

20 juli 2018 door een verzekeringsarts van het UWV telefonisch toegelicht dat er op het moment van onderzoek geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte/gebrek en er geen medische contra-indicaties waren voor het verrichten van een psychodiagnostisch onderzoek.

3.         HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven-:

1.         onprofessionele en onheuse bejegening;

2.         dat zij zich heeft opgesteld als belangenbehartiger van de werkgever en op de stoel van de werkgever is gaan zitten;

3.         dat zij de werkgever van klaagster heeft aangezet tot het weren van klaagster op het werk en het op non-actief zetten van klaagster, terwijl zij arbeidsgeschikt is en wil werken;

4.         dat zij een wig heeft gedreven tussen klaagster en de werkgever;

5.         dat zij niet voldoende moeite heeft gedaan zich een juist en volledig beeld te vormen van klaagsters medische situatie door de rapportage van de medisch specialist ter zijde te schuiven, dan wel onjuist te interpreteren.

4.         HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is geweest en zij met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Retrospectief betreurt verweerster dat er mogelijk verwijdering tussen partijen is ontstaan, door een misverstand over het gebruik van het woord ‘onbetrouwbaar’. Verweerster heeft aangevoerd dat zij  informatie had ontvangen dat collega’s van klaagster – geconfronteerd met de frequent onverwachte afwezigheid wegens ziekte van klaagster – de term ‘onbetrouwbare collega’ hebben gebezigd. Op het verweer zal hieronder nader ingegaan worden.

5.         DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1      

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college ziet aanleiding de klachtonderdelen gezamenlijk te bespreken. Het college stelt vast dat klachtonderdeel 1 in het licht van de overige klachtonderdelen, die daarvan de invulling vormen, geen zelfstandige betekenis toekomt.

Klaagster is op verzoek van de werkgever, terwijl zij op dat moment niet verzuimde, op 16 februari 2018 op gesprek geweest bij verweerster. De status van het gesprek is onduidelijk gebleven. Het betrof formeel geen arbeidsomstandighedenspreekuur en evenmin een gesprek in het kader van verzuimbegeleiding. Het lag op de weg van verweerster omtrent de status van het gesprek duidelijkheid te verschaffen aan klaagster, wat zij onvoldoende heeft gedaan. Verweerster heeft daarmee verwarring laten ontstaan over haar rol als bedrijfsarts in deze situatie, waarbij feitelijk sprake was van een arbeidsomstandighedenspreekuur.

In dit gesprek is de term ‘onbetrouwbaar’ gebezigd door verweerster. Klaagster heeft dit opgevat als een waardeoordeel over haar. Verweerster heeft aangevoerd dat collega’s van klaagster deze term hebben gebruikt in verband met het niet kunnen rekenen op klaagster in verband met de regelmatige uitval van klaagster. Hoe dit gesprek exact is verlopen kan het college niet reconstrueren.

Ten onrechte heeft verweerster vervolgens de terugkoppeling gelijktijdig aan klaagster en haar werkgever gestuurd. Verweerster had de inhoud van de terugkoppeling eerst aan klaagster moeten sturen en toestemming moeten vragen om deze ook aan de werkgever te sturen.

Verweerster stelde op 16 februari 2018 tevens een time-out voor, waar klaagster zich in kon vinden. In de time-out kon klaagster dan tot rust komen. Het had op de weg van verweerster gelegen om de regie te houden over de door haar voorgestelde time-out en de duur daarvan. Vervolgens heeft de werkgever klaagster kennelijk ziek gemeld. Dat de werkgever klaagster heeft ziek gemeld kan verweerster niet worden verweten. De rol van verweerster wijzigde daardoor wel. Verweerster had op 6 maart 2018 op basis van de ziekmelding door de werkgever na het arbeidsomstandighedenspreekuur, klaagster moeten informeren over haar gewijzigde rol nu die veranderde naar begeleiding in het kader van verzuim.

In de latere contacten tussen klaagster en verweerster is het accent komen te liggen op het al dan niet opvragen van medische informatie bij klaagsters behandelend neuroloog (klachtonderdeel 5) en het al dan niet meewerken aan een psychodiagnostisch onderzoek. Nu klaagster in kader van verzuimbegeleiding persisteerde in haar verzoek om nogmaals gerichte informatie, namelijk of de neuroloog een psychische component aanwezig achtte, op te vragen bij de neuroloog had verweerster daarin mee moeten gaan, conform de beleidslijn zoals vastgelegd in de standaard ‘Communicatie met behandelaars; richtlijnen voor de communicatie tussen bedrijfs- en verzekeringsartsen met behandelaars’ (LISV, 1996).

Dat verweerster met haar handelen een wig heeft gedreven tussen klaagster en haar werkgever is door het college niet vast te stellen. Het handelen van verweerster wordt door het college getoetst, niet de gevolgen van dat handelen.

Ter zitting is nog aan de orde geweest dat er onduidelijkheid was bij klaagster omtrent een klachtenregeling waar verweerster al dan niet bij zou zijn aangesloten. Ter zitting heeft verweerster aangegeven dat zij aangesloten was bij de klachtenregeling van de ZFB. Het komt het college geraden voor dat verweerster betrokkenen daar in het vervolg duidelijker over informeert.

Gelet op het voorgaande zijn de klachtonderdelen 3 en 5 gegrond. Alles overziend is sprake geweest van onprofessionele begeleiding/bejegening op beide punten. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel merkt het college nog op dat verweerster klaagster onvoldoende heeft begeleid in het kader van verzuimbegeleiding in de situatie die was ontstaan.

5.3

Nu de klachtonderdelen 3 en 5 gegrond zijn, zal het college een maatregel opleggen. Verweerster heeft op meerdere momenten een goede regie over het traject verloren. Daarnaast heeft zij verwarring laten ontstaan over haar rol, wat het hart van het werk van een bedrijfsarts raakt, en onzorgvuldig gehandeld door een terugkoppeling aan de werkgever te sturen naar aanleiding van het eerste contact zonder klaagster te vragen om toestemming. De gegronde klachtonderdelen zijn de kern van wat een bedrijfsarts in ieder traject professioneel behoort te doen. Al met al acht het college daarom een berisping passend en geboden. ”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

            Procedure

4.1       De oorspronkelijke klacht bestond uit vijf onderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1, 2 en 4 ongegrond verklaard. De klachtonderdelen 3 en 5 heeft het college gegrond verklaard. Daarvoor is aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd.

4.2       De bedrijfsarts heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing voor wat betreft de klachtonderdelen die gegrond zijn verklaard en de opgelegde maatregel. De bedrijfsarts wil met het principaal beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege een lichtere maatregel oplegt. Klaagster heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft het Centraal Tuchtcollege verzocht om het beroep van de bedrijfsarts te verwerpen.

4.3       Het incidenteel beroep van klaagster richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 1 en 2. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege haar incidenteel beroep toe te wijzen, de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege op klachtonderdelen 1 en 2 te herzien, hierop de sanctie aan te passen, de toegevoegde klacht 6 toe te wijzen en de publicatie van de beslissing te gelasten. De bedrijfsarts heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4       Door beide beroepen is de klacht in beroep, met uitzondering van klachtonderdeel 4, weer in volle omvang aan de orde.

            Ontvankelijkheid

4.5       De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat klaagster in het incidenteel beroepschrift een nieuwe klacht heeft neergelegd, klacht 6 en dat klaagster ter zake van die klacht niet ontvankelijk is. Waar het gaat om nieuwe verwijten overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende.

Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal  Tuchtcollege voorleggen  die ook in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. De bedrijfsarts betoogt terecht dat klachtonderdeel 6 nieuw is en niet in eerste aanleg naar voren is gebracht. Klaagster kan in zoverre dus niet in het incidenteel beroep worden ontvangen.

            Beoordeling   

4.6       Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat klachtonderdeel 1 in het licht van de overige klachtonderdelen, die daarvan de invulling vormen, geen zelfstandige betekenis toekomt. De kern van de klacht van klaagster komt er op neer dat de bedrijfsarts in de situatie waarin klaagster zich bevond, niet op juiste wijze is opgetreden. Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt.

                        Status van het gesprek op 16 februari 2018

4.7       Klaagster is op verzoek van haar werkgever op 16 februari 2018 voor het eerst op gesprek geweest bij de bedrijfsarts. Op dat moment was geen sprake van ziekteverzuim; wel meldde klaagster zich al geruime tijd een aantal keren per jaar ziek. In beroep heeft de bedrijfsarts over de status van dat gesprek verklaard dat zij aan het begin van het gesprek met klaagster heeft besproken waarom klaagster was uitgenodigd bij de bedrijfsarts en wat het doel was van dit gesprek;  het frequente verzuim en bekijken of het medisch gezien mogelijk was dat te verminderen. Het is het Centraal Tuchtcollege verder niet gebleken dat de bedrijfsarts verwarring heeft laten ontstaan over haar rol als bedrijfsarts of over de status van het gesprek met klaagster. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat op 16 februari 2018 sprake was van een arbeidsomstandighedenspreekuur.

                        Time-out advies en het verdere verloop van de verzuimbegeleiding

4.8       Voorafgaand aan het gesprek met klaagster op 16 februari 2018 heeft de bedrijfsarts vooroverleg gehad met de inzetbaarheidscoach. In dit overleg is naast het frequente verzuim van klaagster, ook het effect daarvan op de collega’s alsmede het functioneren van klaagster besproken. De bedrijfsarts heeft ter terechtzitting in beroep hierover aanvullend verklaard dat zij van de inzetbaarheidscoach vernam dat voornoemde onderwerpen al eerder door de werkgever met klaagster waren besproken. In het gesprek tussen de bedrijfsarts en klaagster wat daarna volgde, adviseerde de bedrijfsarts een time-out te nemen waarin klaagster tot rust kon komen. Kort daarna is klaagster alsnog door haar werkgever ziekgemeld omdat zonder een ziekmelding de werkgever geen vervanging voor klaagster kon inzetten. In de contacten daarna tussen de bedrijfsarts, klaagster en haar werkgever is het accent niet komen te liggen op de verzuimbegeleiding en re-integratie, maar op het al dan niet opvragen van medische informatie bij de neuroloog en op de aanvraag van een deskundigenoordeel omdat klaagster had aangegeven niet in te stemmen met een haalbaarheidsonderzoek.

4.9       Gelet op hetgeen is besproken tijdens het vooroverleg met de inzetbaarheidscoach had de bedrijfsarts op 16 februari 2018 moeten overzien dat er sprake was van frictie tussen klaagster en haar werkgever. Zij heeft zich onvoldoende gerealiseerd dat een, al dan niet dreigend, arbeidsconflict op de achtergrond speelde. Zij had niet zonder meer mogen varen op wat zij vernam van de inzetbaarheidscoach. Ten onrechte heeft zij bij klaagster niet geverifieerd wat precies door of namens de werkgever met haar is besproken over haar verzuim en functioneren. Door het woord“ time-out” te gebruiken heeft de bedrijfsarts nagelaten aan te geven of klaagster, die ten tijde van dit gesprek niet verzuimde, op dat moment al dan niet in staat was te werken. Zij heeft onvoldoende afstand gehouden van het (dreigende) arbeidsconflict en zich daarmee ongewild ingelaten.

4.10     Voorts is het Centraal Tuchtcollege het met het Regionaal Tuchtcollege eens dat de bedrijfsarts ten onrechte de terugkoppeling van het gesprek gelijktijdig aan klaagster en haar werkgever heeft gestuurd. De bedrijfsarts had toestemming moeten vragen om deze ook aan de werkgever te sturen. In beroep heeft de bedrijfsarts dit ook erkend.

4.11     De conclusie is dat de bedrijfsarts klaagster in de situatie die was ontstaan, vanaf 16 februari 2018 onvoldoende heeft begeleid in het kader van verzuimbegeleiding. 

4.12     Opstellen als belangenbehartiger- en op de stoel gaan zitten van de werkgever

Het Centraal Tuchtcollege heeft geen aanwijzingen dat de bedrijfsarts zich als belangenbehartiger van de werkgever heeft opgesteld en op de stoel van de werkgever is gaan zitten. In het incidenteel beroepschrift heeft klaagster dit klachtonderdeel geherformuleerd.  Dit aangepaste klachtonderdeel komt evenwel geen zelfstandige betekenis toe gelet op de behandeling van klachtonderdeel 3, hiervoor onder 4.8, 4.9 en 4.10

            De informatie-uitwisseling met de neuroloog

4.13     Anders dan het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege klachtonderdeel 5 ongegrond. Uit de stukken volgt dat de bedrijfsarts medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend neuroloog van klaagster, deze informatie heeft ontvangen en beoordeeld. Ter terechtzitting heeft de bedrijfsarts in aanvulling hierop naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende toegelicht waarom zij op dat moment geen meerwaarde zag in het nogmaals opvragen van informatie bij dezelfde neuroloog. Zij heeft verklaard dat dit dubbelop zou zijn, daarmee een vertragend effect zou hebben op de verzuimbegeleiding en dat alleen de neuroloog gelet op de benodigde expertise niet zou kunnen uitsluiten dat geen sprake was van psychische co-morbiditeit. Voor dit laatste was immers het psychodiagnostisch onderzoek geadviseerd door de bedrijfsarts.    

                        Slotsom en maatregel

4.14     De conclusie is dat de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond is. Omdat niet is gebleken dat de bedrijfsarts in deze situatie laakbaar heeft gehandeld en de bedrijfsarts niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, vindt het Centraal Tuchtcollege het opleggen van een waarschuwing passend en toereikend.

4.15     Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

4.16     Het voorgaande betekent dat als volgt zal worden beslist. 

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

In het principaal beroep:

vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarin klachtonderdeel 5 gegrond is verklaard en aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping is opgelegd;

en, opnieuw rechtdoende;

verklaard klachtonderdeel 5 alsnog ongegrond;

legt aan de bedrijfsarts de maatregel van waarschuwing op;

verwerpt het beroep voor het overige;

In het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter, A.R.O. Mooy en

T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en A. Abdoelkariem en M.L. van den Kieboom-de Groen, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2021.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.