Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:11 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.058

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:11
Datum uitspraak: 15-01-2021
Datum publicatie: 15-01-2021
Zaaknummer(s): c2020.058
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager, obees en met vermoeidheidsklachten en een beperkte inspanningstolerantie, is door zijn huisarts voor een second opinion aangemeld bij de instelling waar verweerster, kinderarts, werkzaam is. Een jaar na verwijzing is door verweerster samen met klager en zijn ouders tot opname besloten. De opname is door de ouders van klager voortijdig afgebroken. Het voorgenomen onderzoek is op enig moment alsnog uitgevoerd. Uit het onderzoek kwamen geen afwijkingen naar voren. In 2018 voert verweerster anoniem telefonisch overleg met Veilig Thuis vanwege een toename van de klachten en vanwege het feit dat klager al lange tijd niet naar school ging. Twee maanden nadien heeft verweerster de behandeling overgedragen aan een kinderarts in een andere instelling. Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven dat zij: a. Klager en zijn ouders niet serieus heeft genomen; b. Gedurende de gehele opname van klager niet aanwezig was; c. Niet op de hoogte was van enige reactie van klager op medicatie; d. Zonder overleg met de ouders overleg heeft gehad met Veilig Thuis; e. De verkeerde diagnose heeft gesteld naar aanleiding van chromosoomonderzoek en als gevolg daarvan verkeerd heeft doorverwezen; f. Geen kennis heeft van HIX. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en gelast de publicatie.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.058 van:

A. wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: C. (moeder),

tegen

D., kinderarts (endocrinoloog), werkzaam te E.,

verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers als juriste verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 26 juni 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen kinderarts-endocrinoloog D. – hierna de kinderarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 14 januari 2020, onder nummer 2019-143a heeft dat College de klacht van klager zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond verklaard.    

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De kinderarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaak C2020.059 (A. tegen F., kinderarts) ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 23 november 2020, waar klager, bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw C. (en vergezeld door zijn vader) alsmede de kinderarts bijgestaan door haar gemachtigde, mr. drs. S. Slabbers voornoemd, zijn verschenen.

De zaak is door partijen over en weer toegelicht. Zowel klager als de kinderarts hebben dat (mede) gedaan aan de hand van aantekeningen, die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1.      In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.

            “2.       De feiten

            2.1       Klager, geboren in 2002, is op 23 september 2016 door zijn huisarts aangemeld bij het G. met het verzoek een second opinion uit te voeren. Klager was obees en had vermoeidheidsklachten en een beperkte inspanningsintolerantie.

            2.2       Beklaagde is kinderarts-endocrinoloog in het G.

2.3       In september 2017 is door een collega kinderarts, samen met klager en zijn ouders besloten tot een opname van klager. Gezamenlijk werd gekozen voor een tweesporenbeleid bij opname in het ziekenhuis om de klachten van klager verder te observeren en te onderzoeken. Beklaagde is bij deze opname door de hoofdbehandelaar in consult gevraagd ter beantwoording van de vraag of er een endocrinologische oorzaak is van de obesitas en invaliderende vermoeidheid bij klager.

            2.4       Beklaagde heeft het dossier van klager bestudeerd en een plan voor diagnostiek opgesteld. Dit plan bevatte onder meer een cortisolonderzoek. Het plan voor diagnostiek is tijdens de opname in september 2017 niet uitgevoerd omdat de ouders van klager de opname op 27 september 2017 voortijdig hebben afgebroken.

            2.5       In april 2018 hebben de ouders van klager alsnog ingestemd met het uitvoeren van het diagnostisch plan uit september 2017. Tijdens een dagopname op 3 en 4 mei 2018 is de diagnostiek, inclusief cortisol, hormonaal en klinisch genetisch onderzoek, uitgevoerd. Het onderzoek naar cortisol leverde normale uitslagen op.

            2.6       Tijdens een consult op 17 mei 2018 heeft beklaagde met klagers en zijn ouders de uitslag van het hormonale onderzoek besproken. De tijdens dit consult besproken uitslagen heeft beklaagde per brief van 18 mei 2018 aan de huisarts van klager gestuurd. In deze brief staat onder anamnese:

“Moeder verteld dat [klager] al vanaf jonge leeftijd (4 jaar), maar met name de laatste jaren zeer veel last heeft van moeheid en algehele malaise klachten. Momenteel veel last van duizeligheid, problemen met lopen en vallen, spierpijn. Hiervoor meerdere beoordelingen op de SEH waarbij zowel neurologisch als kindergeneeskundig geen verklaring kan worden gevonden. Ouders geven aan dat ze denken dat het komt door steroidgebruik (eerst seretide, prednison en laat steroidcremes) en verder aanvullend onderzoek willen naar cortisol. Dit is eigenlijk het enige wat ze gerust kan stellen.

Geen klachten van hoofdpijn, misselijkheid, spugen bij opstaan, bleekheid. Geen hypotensie of hypoglycaemie beschreven in periodes van ziek zijn. geen hypertensie, normale puberteit, geen evident acne, wel meerdere keren ernstig eczeem, geimpetiginiseerd. Geen hirsutisme. Geen hematomen. Geen vertraagde botrijping. Verder al vanaf jonge leeftijd toename gewicht (6 mnd-1 jaar). Ouders beschrijven dat [klager] al vanaf geboorte veel honger heeft. Zijn bij een diëtist geweest maar onvoldoende effect.”

            2.7       De ouders van klager vermoeden dat klager lijdt aan de ziekte van Cushing of dat sprake was van hypercortisolisme. Gedurende de behandeling door beklaagde is in de uitgevoerde onderzoeken geen hypercortisolisme aangetoond.

2.2.      De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.

            “3.       De klacht

            Klager verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven dat zij:

a)      medicijnen, zalven en crèmes heeft gegeven, terwijl zij op de hoogte was van de reactie op de huid van klager;

b)      wetenschappelijk onderzoek heeft ingezet zonder toestemming en juiste informatie;

c)      in de brief van 18 mei 2018 ten onrechte aanwezige klachten niet beschrijft;

d)      nooit lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd bij klager;

e)      de uitgevoerde onderzoeken niet goed heeft uitgevoerd (urine opvangen), ten onrechte heeft uitgevoerd (chromosoom onderzoek), niet goed heeft vastgelegd (haaronderzoek) en de uitslagen niet correct heeft medegedeeld (cortisol, corticosteroïde);

f)       ten onrechte geen informatie over een allergie voor corticosteroïde groep A heeft medegedeeld;

g)      verantwoordelijk is voor de toename van de lichamelijke klachten van klager.

            4.         Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

2.3.      Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

            “5.       De beoordeling

            Ad a, b en f

            5.1       Beklaagde heeft klager geen medicatie voorgeschreven en/of wetenschappelijk onderzoek bij klager ingezet en/of een allergie voor corticosteroïde groep A geconstateerd. Het College heeft hiervoor in het dossier ook geen aanwijzingen gevonden. Deze klachtonderdelen falen dan reeds  hierom.

Ad c

            5.2       Door beklaagde zijn in de brief van 18 mei 2018 een aantal genoemde klachten genoteerd (vgl. 2.6 hiervoor). Uit de brief blijkt dat waar beklaagde in de brief schrijft dat er bij klager geen klachten zijn van hoofdpijn, misselijkheid, spugen bij opstaan en bleekheid, zij die klachten niet heeft geconstateerd en klager of zijn ouders deze klachten ook niet aan beklaagde hebben verteld. Voor zover het gaat om klachten die volgens klager wel aan de orde zijn gekomen in de gesprekken met beklaagde overweegt het College het volgende.

Nu alleen klager, zijn ouders en beklaagde aan die gesprekken hebben deelgenomen, is niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord van klager en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Daarom is ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

            Ad d

            5.3       Beklaagde heeft geen lichamelijk onderzoek uitgevoerd bij klager. Gelet op het in het medisch dossier gedocumenteerde lichamelijk onderzoek van klager door de hoofdbehandelaar en de door de hoofdbehandelaar van klager aan haar gestelde vraag (te weten: of er een endocrinologische oorzaak is van de obesitas en invaliderende vermoeidheid bij klager; vlg. 2.3 hiervoor) was lichamelijk onderzoek van klager door beklaagde ook niet nodig bij het door haar uitgevoerde onderzoek. Dit klachtonderdeel faalt.

            Ad e

            5.4       Dit onderdeel ziet, samengevat, op verschillende door beklaagde uitgevoerde onderzoeken. Het College volgt beklaagde in haar keuze voor de uitgevoerde onderzoeken, deze waren gelet op de klachten bij klager gerechtvaardigd. De onderzoeken zijn op juiste wijze gedocumenteerd in het medisch dossier van klager. Uit deze documentatie leidt het College af dat de onderzoeken op juiste wijze zijn uitgevoerd. Voor zover het College dat kan nagaan zijn de uitslagen van de onderzoeken op correcte wijze gecommuniceerd met klager en zijn ouders, en waar nodig met de overige behandelaren en huisarts van klager. Dit klachtonderdeel faalt dan ook.

            Ad g

            5.5       Het College beschikt over een uitdraai van het patiëntendossier van klager, zoals dat bij het verweerschrift is gevoegd. Uit dit dossier komt een beeld van beklaagde naar voren van een betrokken arts, die zich zeer heeft ingespannen om op haar vakgebied een oorzaak te vinden voor de klachten van klager en die verder heeft geprobeerd om klager en zijn ouders zo volledig mogelijk te informeren. Dat deze inspanning van beklaagde niet heeft geleid tot het vinden van een oorzaak voor de klachten van klager is spijtig, maar niet aan beklaagde te verwijten. Ook de gestelde toename van de klachten is niet aan beklaagde te verwijten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

            5.6       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de rechtsoverweging “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       Klager beoogt in beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit. Hij concludeert (impliciet) tot nietigverklaring van de bestreden beslissing en tot gegrondverklaring van zijn klacht.

4.2       De kinderarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het beroep te verwerpen.    

Beoordeling van het beroep.

4.3       In beroep is de klacht in al zijn onderdelen nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 23 november 2020 is dat debat voortgezet.

4.4       Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege wa t betreft de klacht geleid tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Wat het Regionaal Tuchtcollege onder “5. De beoordeling” heeft overwogen en beslist wordt daarom overgenomen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door de kinderarts is geen sprake geweest.  

4. 5       Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager wordt verworpen. Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de publicatie van deze beslissing worden verzocht.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter;

L.F. Gerretsen-Visser en R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en G. Brinkhorst en T.F.W. Wolfs, leden-beroepsgenoten en H.J. Lutgert, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2021.

Voorzitter  w.g.   Secretaris  w.g.