Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2021:1 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.058

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:1
Datum uitspraak: 08-01-2021
Datum publicatie: 08-01-2021
Zaaknummer(s): c2019.058
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen gz-psycholoog. Klaagster is gedurende enige tijd gedwongen opgenomen geweest in een GGZ-instelling. In die periode zijn haar minderjarige kinderen aangemeld bij een jeugdafdeling van een andere GGZ-instelling. De gz-psycholoog heeft de intake van de kinderen gedaan en was bij hun zorg betrokken. Klaagster verwijt haar onder meer dat zij aan haar, klaagster, geen informatie over (de behandeling van) haar kinderen heeft verstrekt en dat zij zonder toestemming van klaagster informatie heeft gedeeld met Veilig Thuis. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in zoverre gegrond en legt een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt deze beslissing voor wat betreft de opgelegde maatregel en legt alsnog een waarschuwing op.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.058 van:

A., gz-psycholoog, (destijds) werkzaam te B.,

incidenteel appellante, verweerster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. J.M. de Vries, advocaat te Eindhoven,

tegen

C., wonende te B., klaagster in eerste aanleg, verweerster in incidenteel beroep.

1.         Verloop van de procedure

C. – hierna klaagster – heeft op 3 juli 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A. – hierna de gz-psycholoog – een klacht ingediend. Dit college heeft de klacht ter behandeling doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle. Bij beslissing van 1 maart 2019, onder nummer 275/2018, heeft dat college klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, klachtonderdeel b ongegrond verklaard en klachtonderdeel c gegrond verklaard. Voorts heeft dat college aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping opgelegd en bepaald dat de beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften “De Psycholoog” en de “De pedagoog”.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft incidenteel beroep ingesteld.

Klaagster heeft vervolgens haar beroep ingetrokken. Daarnaar gevraagd heeft de gz‑psycholoog verklaard het incidenteel beroep te handhaven. Klaagster heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 november 2020, waar is verschenen de gz-psycholoog, bijgestaan door mr. J.M. de Vries, voornoemd. De gz-psycholoog heeft haar standpunt nader toegelicht. Klaagster is met kennisgeving niet verschenen.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1980 en moeder van twee nog minderjarige zoons, is in 2016 opgenomen geweest vanwege een psychotische stoornis. Klaagster werd nadien begeleid door een ambulant begeleider van FACT die om de paar weken contact had met klaagster.

Na een escalatie in de thuissituatie is klaagster op 1 november 2017 wegens een dreigende psychotische decompensatie gedwongen opgenomen bij de GGZ-D. te E..

Vanaf 6 november 2017 is klaagster overgeplaatst naar de GGZ-F. te B. waar zij tot 12 maart 2018 (verplicht) opgenomen is geweest.

De zoons van klaagster zijn tijdens de opname niet bij haar op bezoek geweest.

Eind 2017 zijn de kinderen op aangeven van de behandelend psychiater van klaagster, via de huisarts, aangemeld bij de afdeling ‘Kind en Jeugd’ van GGZ-F.. Een intake van de kinderen bij verweerster heeft plaatsgevonden op

8 januari 2018.

Verweerster heeft op 2 februari 2018 met klaagster gesproken over de intake en de situatie van de kinderen en afgesproken dat zij met de behandelend psychiater van klaagster een gesprek met de kinderen zou hebben om een en ander uit te leggen over de ziekte van klaagster en te onderzoeken welke stappen gezet kunnen worden in contactherstel met klaagster.

Hiervoor bedoeld gesprek heeft plaatsgevonden op 16 februari 2018. Tijdens deze ontmoeting is door verweerster, samen met de behandelend psychiater van klaagster, aan de kinderen uitgelegd wat er met hun moeder aan de hand was.

Op 23 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerster, klaagster en haar behandelend psychiater. Over dit gesprek heeft verweerster genoteerd:

“gesprek met moeder; uitgelegd dat de kinderen nu geen contact willen. Dat we op termijn weer in gesprek zullen gaan met de kinderen om opnieuw te polsen of er ruimte is voor contactherstel.”

De vader van de kinderen heeft op 18 mei 2018 telefonisch contact opgenomen met verweerster met de mededeling dat de kinderen bedreigd zijn door hun oma van moederszijde. Naar aanleiding van dit bericht heeft verweerster vader geadviseerd contact op te nemen met Veilig Thuis.

Tijdens een gesprek op 14 juni 2018 met verweerster, de behandelend psychiater van klaagster, de kinderen en hun vader, heeft de vader van de kinderen besproken dat vanuit Veilig Thuis werd aangestuurd op contact tussen klaagster en de kinderen, maar dat hij dat bezwaarlijk vindt. Daarbij heeft hij verweerster toestemming gegeven voor contact met Veilig Thuis.

Verweerster heeft op 22 juni 2018 op verzoek van Veilig Thuis per e-mail de volgende informatie met Veilig Thuis gedeeld:

“Op 8 januari jl heeft er een intake plaatsgevonden met beide kinderen [achternaam;rtg]. Na deze intake is er op 2 februari jl. contact geweest met moeder en haar behandelaar om haar te informeren over het advies na intake.

Advies luidde om mogelijkheden tot contactherstel met moeder vanuit de kinderen te onderzoeken, EMDR-behandeling voor het jongste kind in te zetten en op dat moment geen behandeling voor het oudste kind (conform zijn wens).

Met beide kinderen is uitgebreid gesproken over de ziekte van moeder (psycho-educatie). Het was duidelijk dat zij beschadigd zijn geraakt door de psychoses van moeder. Beide kinderen zijn erg angstig geworden en ervaren gevoelen van boosheid en verwarring in de relatie met hun moeder. Daarnaast is er sprake van PTSS-klachten. Beide kinderen gaven duidelijk aan dat zij op dat moment geen contact met moeder willen. Op 18 mei heeft vader ons geïnformeerd over de bedreigingen en het lastigvallen van de kinderen door de G.-se oma en moeder, zowel op school als op de BSO. Het oudste kind wordt ook via zijn mobiele telefoon lastiggevallen en vernederd door zijn moeder.

Daarna hebben we beide kinderen opnieuw gezien. Wederom uitten beide kinderen zich angstig, boos en zijn ze in verwarring over het gedrag van oma en moeder.

Advies vanuit de GGZ is dat er rust komt voor de kinderen, zodat zij niet voortdurend op hun hoede hoeven te zijn en hun traumatische ervaringen kunnen verwerken. Contactherstel met moeder is op dit moment niet aan de orde en zal mogelijk alleen maar tot meer onrust leiden.”

Naar aanleiding van de vraag van Veilig Thuis of klaagster op de hoogte was van dit advies heeft verweerster geantwoord dat het advies na de intake is gedeeld met vader en moeder en dat het advies na de situatie op de BSO en met oma niet is veranderd.

Verweerster had voor haar contact met Veilig Thuis geen aanvullende toestemming van klaagster gevraagd.

In een door klaagster gevraagde second opinion is door de onderzoeker opgemerkt dat er “geen psychiatrische ziekte of stoornis [bestaat] die het zien van iemands kinderen zou contra-indiceren”.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat:

a. zij zonder klaagster te informeren of om toestemming te vragen (onjuiste) informatie heeft gedeeld met Veilig Thuis;

b. zij een herstel van het contact tussen klaagster en haar kinderen tegenwerkt;

c. zij klaagster geen informatie over (de behandeling van) haar kinderen heeft verstrekt.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij zich niet herkent in de door klaagster geschetste gang van zaken. Van misbruik van haar positie door verweerster ten opzichte van klaagster is geen sprake. Verweerster heeft klaagster nimmer informatie over de behandeling van haar kinderen onthouden. Verweerster heeft klaagster op 23 februari 2018 gezien en haar toen een toelichting gegeven over de situatie, te weten dat het verweerster op dat moment niet verantwoord vond om al over te gaan tot (voorzichtig) contact tussen klaagster en haar kinderen. De reden was dat de kinderen zelf hadden aangegeven last te hebben van gevoelens van boosheid en verwarring in de relatie met hun moeder en nog geen contact met moeder te willen. Klaagster was op de hoogte van de door verweerster gegeven adviezen over de behandeling van de kinderen van klaagster en het advies over eventueel contact(herstel). Als klaagster meer informatie over de behandeling zelf wilde ontvangen, had zij bij verweerster daar om kunnen verzoeken, dat heeft zij niet gedaan.

Verweerster is bij het opstellen van haar e-mail van 22 juni 2018 afgegaan op de verslagen in de (behandel)dossiers van de kinderen en hetgeen de echtgenoot van klaagster heeft verteld. Van onjuistheid van hetgeen verweerster heeft weergegeven is wat verweerster betreft dan ook geen sprake. Overigens heeft klaagster ook niet aangegeven welke door verweersters verstrekte gegevens niet juist zijn.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Anders dan door klaagster is gesteld zijn er geen aanwijzingen dat verweerster contactherstel tussen klaagster en haar kinderen heeft tegengewerkt. Integendeel, uit de gesprekken die met de behandelaar van klaagster, klaagster en verweerster zijn gevoerd blijkt dat contactherstel - op termijn - door alle betrokkenen werd beoogd. Het waren, zo blijkt uit het dossier, de kinderen die in het voorjaar van 2018 geen contact met klaagster wilden hebben en daar gelet op door hen geuite klachten ook niet aan toe waren. Het hiervoor onder b geformuleerde klachtonderdeel zal als ongegrond worden afgewezen.

5.3

Met klaagster is het College van oordeel dat verweerster haar niet steeds voldoende informatie heeft gegeven over de situatie en behandeling van de kinderen. Met de gesprekken die op 2 en 23 februari 2018 hebben plaatsgevonden en waarbij verweerster de situatie en beoogde behandeling van de kinderen, alsook het - op termijn - beoogde contactherstel met klaagster heeft besproken, heeft verweerster in die periode aan haar informatieplicht voldaan. Anders ligt dat in de periode die daarop volgt. Na het telefoontje van de vader van de kinderen op 18 mei 2018 en het gesprek met de kinderen en de vader op 14 juni 2018, waaruit bleek dat Veilig Thuis aanstuurde op (spoedig) contactherstel met de kinderen en vader daartegen bezwaren had, onder meer als gevolg van de door vader en de kinderen gemelde bedreiging door oma van moederszijde, had het op de weg van verweerster gelegen klaagster daarover te informeren. Dit was des te prangender nu dit voor verweerster reden was, in het belang van de kinderen, Veilig Thuis actief te benaderen en te laten weten, samengevat, dat de kinderen aan contactherstel (nog) niet toe waren. Verweerster heeft daarmee haar informatieplicht geschonden. Het onder c geformuleerde klachtonderdeel is gegrond.

5.4

Voor het geven van informatie over de kinderen aan Veilig Thuis heeft verweerster ten onrechte geen toestemming aan klaagster gevraagd. Verweerster had wel toestemming aan klaagster moeten vragen nu ook zij, net als vader, het gezag over de kinderen had. Verweerster heeft niet mogen volstaan met enkel de toestemming van de vader, temeer niet nu verweerster ervan op de hoogte was dat de relatie tussen beide ouders verstoord was. Ook het onder a geformuleerde klachtonderdeel is gegrond voor zover het gaat om het delen van informatie zonder toestemming. Dat verweerster daarbij onjuiste informatie heeft gedeeld met Veilig Thuis is niet gebleken. In zoverre moet het klachtonderdeel als ongegrond worden afgewezen.

5.5

Nu de klachten deels gegrond zijn zal het College een maatregel opleggen. Omdat het uitgangspunt dat in een situatie als de onderhavige aan beide ouders die het gezag over de kinderen hebben toestemming moet worden gevraagd alvorens vertrouwelijke informatie over de kinderen met Veilig Thuis mag worden gedeeld zo fundamenteel en niet nieuw is, ziet het College reden om de maatregel van een berisping op te leggen. 

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Aangezien klaagster haar beroep heeft ingetrokken, is in deze procedure uitsluitend nog aan de orde het door de gz-psycholoog ingestelde incidenteel beroep. Dit incidenteel beroep is gericht tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de gz-psycholoog een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt omdat zij haar informatieplicht heeft geschonden (klachtonderdeel c) en zonder toestemming van klaagster informatie met Veilig Thuis heeft gedeeld (klachtonderdeel a). Bovenal komt de gz-psycholoog op tegen de in verband hiermee door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van berisping. De gz‑psycholoog erkent dat zij - achteraf gezien - niet juist heeft gehandeld. Zij meent echter dat de oplegging van een maatregel, althans van de maatregel van berisping, in dit geval niet gerechtvaardigd is.

4.2       Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij is van mening dat het incidenteel beroep van de gz-psycholoog moet worden verworpen en de bestreden beslissing moet worden gehandhaafd.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de gz-psycholoog in de periode na 23 februari 2018 jegens klaagster niet aan haar informatieplicht heeft voldaan en ten onrechte aan haar geen toestemming heeft gevraagd voor het geven van informatie over de kinderen aan Veilig Thuis. Zoals dat college heeft overwogen, had het op de weg van de gz-psycholoog gelegen om klaagster te informeren over de ontwikkelingen in mei en juni 2018 en had de gz-psycholoog niet mogen volstaan met enkel de toestemming van vader. Dit laatste geldt te meer nu de gz-psycholoog wist dat de relatie tussen beide ouders verstoord was.  

4.4       Het Centraal Tuchtcollege is voorts met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de gz‑psycholoog van haar handelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat de oplegging van een maatregel in dit geval op zijn plaats is. Aannemelijk is echter dat de gz-psycholoog met goede bedoelingen heeft gehandeld en steeds het belang van de kinderen van klaagster voor ogen heeft gehad. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat de gz-psycholoog zich, zo is ook ter terechtzitting in beroep gebleken, inmiddels goed realiseert dat zij onjuist heeft gehandeld, kan in dit geval worden volstaan met een waarschuwing. Deze maatregel acht het Centraal Tuchtcollege hier passend en toereikend. Voor het opleggen van de zwaardere maatregel van berisping bestaat onvoldoende aanleiding.

4.5       Dit betekent dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover daarbij aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping is opgelegd, zal worden vernietigd en dat het Centraal Tuchtcollege – opnieuw rechtdoende – alsnog de maatregel van waarschuwing zal opleggen. Het incidenteel beroep wordt voor het overige verworpen.

4.6       Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij aan de gz‑psycholoog de maatregel van berisping is opgelegd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

legt aan de gz-psycholoog de maatregel van waarschuwing op;

verwerpt het incidenteel beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan de tijdschriften “De Psycholoog” en de NVGzP met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser en

Y. Buruma, leden-juristen en E.D. Berkvens en M.A.J. Hagenaars, leden-beroepsgenoten en

E.D. Boer, secretaris.

        Uitgesproken ter openbare zitting van 8 januari 2021.         

                                    Voorzitter   w.g.                                            Secretaris  w.g.