Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2021:55 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/692444 / DW RK 20/554

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2021:55
Datum uitspraak: 01-09-2021
Datum publicatie: 02-09-2021
Zaaknummer(s): C/13/692444 / DW RK 20/554
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Beslissing op verzet. De gerechtsdeurwaarders hebben niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht aan te passen. Verzet ongegrond.  

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 1 september 2021 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 27 oktober 2020 met zaaknummer C/13/687069 DW RK 20/359 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/692444 / DW RK 20/554 MdV/WdJ ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

gemachtigde: [ ],

tegen:

1. [ ],

2. [ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarders te [ ],

beklaagden,

gemachtigde: mr. [ ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 10 juli 2020, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 7 augustus 2020, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 27 oktober 2020 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op

4 november 2020, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klager heeft de gronden van het verzet ingediend bij e-mail van 23 november 2020. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 juli 2021 alwaar de gemachtigde van klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 1 september 2021.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           De gerechtsdeurwaarders zijn belast met een ten laste van klager uitgevaardigd dwangbevel van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 8 april 2016.

-           Bij exploot van 10 mei 2016 is het dwangbevel aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-           Op 26 oktober 2018 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ten laste van klager.

-           Bij exploot van 7 november 2018 is het proces-verbaal van het gelegde beslag aan klager betekend.

-           Op 11 mei 2020 heeft klager de gerechtsdeurwaarders telefonisch verzocht om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht tot november 2018 aan te passen.

-           Bij e-mail van 14 mei 2020 heeft klager de door de gerechtsdeurwaarders gevraagde bewijsstukken verstrekt, waarop de gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet met ingang van mei 2020 hebben aangepast.

-           Hierop hebben klager en de gerechtsdeurwaarders meermalen met elkaar gecorrespondeerd over de verzoeken van klager om herberekening van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht tot oktober 2018.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet in de periode van oktober 2018 tot en met juni 2020 te laag hebben berekend en weigeren de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aan te passen en de teveel geïnde gelden te restitueren.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak over de beslagvrije voet volgt samengevat dat de beslagvrije voet onverwijld en met terugwerkende kracht dient te worden aangepast, tenzij onbekendheid met de juiste beslagvrije voet te wijten is aan (toerekenbaar) onjuiste of onvolledige inlichtingen van de zijde van de beslagene. Uit de door de gerechtsdeurwaarders overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarders klager meermalen een formulier hebben toegezonden waarmee hij om wijziging van de beslagvrije voet kon verzoeken. Hierbij is in de toelichting aangegeven dat het niet invullen van het formulier nadelige gevolgen kan hebben bij de vaststelling van de beslagvrije voet. Klager heeft de formulieren geen enkele keer ingevuld geretourneerd, dan wel contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarders. Eerst op 11 mei 2020 heeft klager verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet welk verzoek hij op 14 mei 2020 met stukken heeft onderbouwd. De gerechtsdeurwaarders hebben de beslagvrije voet hierop per gelijke datum aangepast. Gelet op voorgaande kan de onbekendheid met de juiste beslagvrije voet in dit geval aan klager worden toegerekend. De gerechtsdeurwaarders hebben niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht aan te passen.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat hij vanwege zijn gezondheid destijds niet adequaat op de brieven van zowel DUO als de gerechtsdeurwaarders heeft gereageerd. Verder meent klager dat als de debiteur een Wajong-uitkering heeft, ervan mag worden uitgegaan dat er geen andere inkomsten zijn. Klager stelt dat er nooit geprobeerd is persoonlijk contact met klager of zijn verwanten te leggen. Als dit wel was gebeurd, zou al snel duidelijk zijn geworden dat de berekening van de inhoudingen buitensporig was, aldus klager.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. De kamer merkt hierbij op dat het systeem ten aanzien van het vaststellen van de beslagvrije voet per 1 januari 2021 is gewijzigd. Een geautomatiseerde rekenmodule berekent voortaan de beslagvrije voet, waarbij gebruikt wordt gemaakt van gegevens uit de UWV Polisadministratie, de Basisregistratie Persoonsgegevens en van de Belastingdienst. De gerechtsdeurwaarder is voor het vaststellen van de beslagvrije voet voortaan dus niet meer afhankelijk van de gegevens die door de schuldenaar worden aangeleverd. Onder het oude systeem (van voor 1 januari 2021) was het echter aan de debiteur om de gegevens aan te leveren en feit is dat klager dat – door omstandigheden waar hij zelf ook niets aan kan doen – niet heeft gedaan, zodat de gerechtsdeurwaarders geen verwijt treft dat de beslagvrije voet niet met verder strekkende terugwerkende kracht is aangepast.

7.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-        verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, mr. I.M. Nusselder en

mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

1 september 2021, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.