Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2021:17 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/683534 DW RK 20/200

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2021:17
Datum uitspraak: 29-03-2021
Datum publicatie: 01-04-2021
Zaaknummer(s): C/13/683534 DW RK 20/200
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen: Waarschuwing
Inhoudsindicatie:   De gerechtsdeurwaarder heeft met het niet informeren van klager over de ontvangst van getroffen gelden in maart 2012, in strijd gehandeld met de informatieplicht. Nu thans nog steeds geen titel bestaat om de getroffen gelden af te dragen, kan de klacht dat de gerechtsdeurwaarder de getroffen gelden te lang onder zich heeft gehouden niet slagen. De gerechtsdeurwaarder heeft geen duidelijkheid verschaft over de aard en omvang van zijn werkzaamheden in het kader van de opdracht en is tevens niet duidelijk is geweest in de zakelijke condities en de kosten die aan de opdracht zijn verbonden, met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of de (afwikkel)kosten terecht in rekening zijn gebracht. Klacht gedeeltelijk gegrond, maatregel van waarschuwing opgelegd.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 29 maart 2021 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/683534 DW RK 20/200 LvB/WdJ ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 7 mei 2020, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 11 juni 2020, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij brieven met bijlage(n), ingekomen op 2 en 4 februari 2021. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 februari 2021, waar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 maart 2021.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Klager heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 16 januari 2004 opdracht gegeven een ten gunste van hem gewezen vonnis van de rechtbank te Den Haag van 7 januari 2004 te betekenen en executeren.

-           Bij brief van 19 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder de opdracht van klager in behandeling genomen en aan klager bevestigd.

-           Op 26 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis van 7 januari 2004 aan de schuldenaar betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-           Nadat klager een kostenvoorschot ad € 400,- aan de gerechtsdeurwaarder had voldaan, heeft de gerechtsdeurwaarder op 5 februari 2004 executoriale derdenbeslagen ten laste van de schuldenaar gelegd onder de ABN Amro Bank N.V. en de Rabobank.

-           Op 23 februari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder de executie van het vonnis geschorst aangezien klager een hoger beroep dagvaarding had ontvangen en het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is. De gerechtsdeurwaarder heeft aangegeven dat hij eventueel getroffen gelden uit de bankbeslagen niet zal opeisen totdat in hoger beroep is beslist.

-           Bij brief van 20 augustus 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om instructies, aangezien hij de zaak al geruime tijd had aangehouden. Hierop heeft klager niet gereageerd.

-           In maart 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder de door het beslag getroffen gelden van de Rabobank ontvangen. Hiervan is klager niet op de hoogte gesteld.

-           Bij brief van 5 december 2019 heeft klager de Rabobank verzocht de getroffen gelden uit het bankbeslag van 2004 aan hem te doen toekomen.

-           Omdat de Rabobank de getroffen gelden alleen aan de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd mag overmaken, heeft klager de Rabobank bij

e-mail van 10 december 2019 verzocht de getroffen gelden aan de gerechtsdeurwaarder over te maken.

-           Bij brief van 9 januari 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder een afrekening aan klager verzonden en het dossier gesloten, omdat klager failliet is verklaard en de gerechtsdeurwaarder niets meer van klager heeft vernomen.

-           Bij brief van 14 januari 2020 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte (afwikkel)kosten. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 21 januari 2020 gereageerd.

-           Tot op heden is niet op het hoger beroep beslist.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: hem pas in 2020 ervan op de hoogte heeft gebracht dat in maart 2012 gelden zijn ontvangen door het getroffen bankbeslag;

b: de ontvangen gelden onevenredig lang onder zich heeft gehouden;

c: achteraf ten onrechte afwikkelkosten en bureau- en dossierkosten in rekening heeft gebracht en over de hoogte ervan onduidelijk communiceert.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de kamer vast dat uit de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 21 januari 2020 blijkt dat klager er eerst op dat moment van op de hoogte raakte dat de gerechtsdeurwaarder de door het bankbeslag getroffen gelden reeds in februari 2012 had opgeëist en in maart 2012 had ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder niet duidelijk kunnen maken waarom de getroffen gelden in februari 2012 zijn opgeëist en waarom klager hiervan niet op de hoogte is gebracht. De kamer overweegt dat, nu er nog geen titel was om de getroffen gelden af te dragen, het op de weg van de gerechtsdeurwaarder had gelegen om zowel de wederpartij als klager op de hoogte te brengen dat hij de gelden had ontvangen en dat hij partijen toestemming had moeten vragen of hij de gelden onder zich mocht houden. De kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder met het niet informeren van klager over de ontvangst van de getroffen gelden in maart 2012, in strijd heeft gehandeld met de informatieplicht, zoals die o.a. voortvloeit uit de Verordening KBvG Normen voor Kwaliteit. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat, nu thans nog steeds geen titel bestaat om de getroffen gelden uit het bankbeslag af te dragen, de klacht dat de gerechtsdeurwaarder de getroffen gelden te lang onder zich heeft gehouden niet kan slagen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat uit de stukken noch ter zitting is komen vast te staan of sprake is geweest van een losse opdracht dan wel een executieopdracht. In de brief van de gerechtsdeurwaarder van 19 januari 2004 is slechts bevestigd dat de opdracht van klager in behandeling is genomen. Nu de gerechtsdeurwaarder klager geen duidelijkheid heeft verschaft over de aard en omvang van zijn werkzaamheden in het kader van de opdracht en tevens niet duidelijk is geweest in de zakelijke condities en de kosten die aan de opdracht zijn verbonden, kan niet worden vastgesteld of de (afwikkel)kosten terecht in rekening zijn gebracht. Dit onderdeel van de klacht is dan ook terecht voorgesteld.

5.5 De kamer zal de klacht dan ook gedeeltelijk gegrond verklaren. De kamer acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden.

5.6 Wanneer een klacht gegrond wordt verklaard én een maatregel wordt opgelegd, kan, ingevolge het bepaalde in artikel 43a lid 1 Gdw en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882), een kostenveroordeling worden opgelegd. Op grond van voormelde richtlijn is het uitgangspunt dat een kostenveroordeling wordt opgelegd, tenzij er (bijzondere) omstandigheden zijn om dat niet te doen, dan wel een lagere kostenveroordeling op te leggen. In dit geval ziet de kamer aanleiding om af te zien van een kostenveroordeling, omdat de op te leggen maatregel de lichtste maatregel betreft, die een zakelijke terechtwijzing inhoudt van de onjuistheid van de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Met het opleggen van deze maatregel wordt de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren, terwijl tevens de verwachting wordt uitgesproken dat een dergelijke handelswijze niet opnieuw plaatsvindt. De kamer acht het onder deze omstandigheden niet billijk dat de gerechtsdeurwaarder de kosten van de behandeling bij de kamer moet vergoeden.

5.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht vergoedt.

5.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-        verklaart klachtonderdelen a en c gegrond;

-        verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-        legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van waarschuwing op;

-        bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder het door klager betaalde griffierecht ad € 50,- vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter,

mr. S.N. Schipper en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2021, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.