Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2021:112 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/614941 / DW RK 16/991

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2021:112
Datum uitspraak: 27-12-2021
Datum publicatie: 11-01-2022
Zaaknummer(s): C/13/614941 / DW RK 16/991
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klaagster beklaagt zich over het beslag op haar auto en het feit dat de gerechtsdeurwaarder nooit is komen opdagen op de dag van de aangekondigde openbare verkoop. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 27 december 2021 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 30 augustus 2016 met zaaknummer C/13/608951 / DW RK 16/549 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/614941 / DW RK 16/991 MdV/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klaagster,

tegen:

1. [  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

gemachtigde: [  ],

2. [  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagden.

1. Ontstaan en verloop van de procedure           

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 31 mei 2016, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschriften, van gerechtsdeurwaarder sub 1. ingekomen op 29 juni 2016 en van gerechtsdeurwaarder sub 2. ingekomen op 16 juni 2016, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 30 augustus 2016 heeft de voorzitter de klacht ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1. kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de klacht ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 2. als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 8 september 2016, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Om niet meer te achterhalen redenen is het verzetschrift pas behandeld ter openbare terechtzitting van 15 november 2021. Klaagster, de gemachtigde van gerechtsdeurwaarder sub 1. en gerechtsdeurwaarder sub 2. zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 27 december 2021.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Gerechtsdeurwaarder sub 1. heeft in 2011 derdenbeslag onder klaagster gelegd en een dagvaarding aan haar betekend.

-           Gerechtsdeurwaarder sub 2. is sinds juli 2015 belast met de executie van een op 14 maart 2012 gewezen verstekvonnis ten laste van klaagster.

-           Op 16 juli 2015 heeft (een collega van) gerechtsdeurwaarder sub 2. het vonnis van 14 maart 2012 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel om aan de inhoud te voldoen.

-           Op 12 oktober 2015 is executoriaal beslag gelegd op de auto van klaagster waarbij de openbare verkoop is bepaald op 27 november 2015.

-           De openbare verkoop heeft geen doorgang gevonden.

-           Gerechtsdeurwaarder sub 2. heeft aangifte gedaan tegen klaagster bij de politie wegens het wederrechtelijk onttrekken van de auto aan het beslag.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er - naar de voorzitter begrijpt - in hoofdzaak over dat gerechtsdeurwaarder sub 2. (hierna: de gerechtsdeurwaarder):

a: beslag heeft gelegd op de auto van klaagster;

b: niet is op komen dagen op de door hem aangezegde dag van openbare verkoop;

c: de situatie omtrent de buitenlandse betaling met de Rabobank niet heeft opgelost.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

De Gerechtsdeurwaarderswet kent op het moment van indiening van de onderhavige klacht geen termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend, maar het Gerechtshof heeft beslist dat een termijn van drie jaar in een tuchtprocedure tegen een gerechtsdeurwaarder als redelijk wordt aanvaard. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop klaagster van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen. Blijkens de brief d.d. 2 januari 2013 heeft klaagster op dat moment in ieder geval kennis van het bankbeslag waarover zij klaagt. Klaagster heeft na meer dan drie jaar nadat zij kennis heeft genomen van het handelen van de gerechtsdeurwaarder een klacht bij de Kamer ingediend en om die reden is klaagster ten aanzien van haar klacht tegen gerechtsdeurwaarder sub 1. niet ontvankelijk.

5.1. Met betrekking tot klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat klaagster op 14 maart 2012 bij vonnis is veroordeeld en nadien heeft nagelaten de vordering vrijwillig te voldoen. Het door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm, nu klaagster op grond van artikel 3:276 BW met haar hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klaagster, dus ook op haar auto. Indien een gerechtsdeurwaarder wordt verzocht een titel te executeren is hij wettelijk verplicht om aan dat verzoek te voldoen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titel te executeren.

5.2. Met betrekking tot klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat klaagster de auto heeft onttrokken aan het beslag. De gerechtsdeurwaarder heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Dat is de reden geweest voor de gerechtsdeurwaarder om op 27 november 2015 niet te verschijnen, nu door de onttrekking van de auto aan het beslag überhaupt geen openbare verkoop heeft kunnen plaatsvinden. De enkele stelling van klaagster omtrent het niet komen opdagen is hiermee weersproken en kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

5.3. Met betrekking tot klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat buitenlandse betaling waar klaagster naar refereert, betrekking heeft op de executie door gerechtsdeurwaarder sub 1., waarvan hiervoor is geoordeeld dat klaagster hierover niet meer kan klagen. Gerechtsdeurwaarder sub 2. heeft daarmee nimmer betrokkenheid gehad en draagt hiervoor dus geen tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dan ook niet gebleken.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster gericht tegen gerechtsdeurwaarder sub 1. kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarder sub 2. als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet heeft klaagster - voor zover de kamer begrijpt - aangevoerd dat gerechtsdeurwaarder sub 1. de dagvaarding en het vonnis nooit aan klaagster heeft betekend en dat hij het bankbeslag niet binnen de wettelijke termijn van acht dagen aan klaagster heeft betekend.

6.2 Klaagster heeft verder aangevoerd dat gerechtsdeurwaarder sub 2. nooit is komen opdagen op 27 november 2015. Klaagster stelt dat zij die gehele dag thuis aanwezig was en dat haar auto om de hoek stond.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. Hetgeen klaagster ter zitting heeft aangevoerd maakt het niet anders.

7.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, mr. A.K. Mireku en

mr. J.M. Wisseborn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

27 december 2021, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.