Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:66 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/81

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:66
Datum uitspraak: 16-12-2021
Datum publicatie: 10-03-2022
Zaaknummer(s): 2020/81
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten met betrekking tot het afleveren van antibiotica aan een varkensbedrijf niet te hebben gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. Gegrond, geen maatregel.

De klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,

hierna: de klachtambtenaar

tegen

Y,                       

hierna: beklaagde

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek.

Bij de mondelinge behandeling van de zaak, die op 29 september 2021 plaatsvond, zijn de gemachtigde van de klachtambtenaar, mr. A.M. Van den Brink, alsmede beklaagde, vergezeld door zijn advocaat, mr. K.J. Breedijk, verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat hij in de periode van 11 januari 2018 tot en met 30 september 2018 respectievelijk 1 oktober 2018 met betrekking tot het afleveren van antibiotica aan een varkenshouderij in strijd heeft gehandeld met de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. De klachtambtenaar heeft gevorderd beklaagde een onvoorwaardelijke boete van € 1.500 op te leggen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De onderhavige zaak vindt zijn oorsprong in een door de NVWA uitgevoerd nader onderzoek naar aanleiding van een op 4 oktober 2018 uitgevoerde inspectie op een varkensbedrijf met betrekking tot het gebruik van diergeneesmiddelen c.q. antibiotica. In het klaagschrift wordt vermeld dat het bedrijf op dat moment 3.605 fokvarkens, 7.100 zuigende biggen, 10.600 gespeende biggen en 50 vleesvarkens had. Het bedrijf had een zogenoemde ‘1-op-1-overeenkomst’ met beklaagde, die verantwoordelijk was voor de levering van de diergeneesmiddelen aan het bedrijf.

3.2. Het onderzoek ziet op de periode van 11 januari 2018 tot en met 30 september 2018 respectievelijk 1 oktober 2018 en heeft betrekking op de leveringen van Amoxy Active (REG NL 7324), Doxycycline HCL (REG NL 1509) en Albipen LA (REG NL 7828). De laatste 10 leveringen van deze antibiotica zijn beoordeeld.

3.3. Gebleken is dat in de genoemde periode 118 flacons van 200 ml en 16 flacons van 80 ml Albipen LA, 17 verpakkingen à 5 kg Amoxy Active en 19 verpakkingen à 1 kg Doxycycline HCL aan het varkensbedrijf zijn geleverd. Albipen LA en Amoxy Active, beide met de werkzame stof ampicilline, worden in het ‘Formularium Varken’ van juli 2012 van de KNMvD, als zijnde van toepassing in de onderhavige periode, als tweede keuze antibiotica aangemerkt en Doxycycline HCL, met de werkzame stof doxycycline hyclaat, als een eerste keuze antibioticum.

3.4. Bij bezoeken aan het varkensbedrijf hebben inspecteurs van de NVWA met de veehouder gesproken, die onder meer heeft verklaard dat Amoxy Active en Doxycycline HCL via het drinkwater werden ingezet bij de gespeende biggen tegen hoestklachten en bij streptokokkeninfecties en dat Albipen LA door hem met name werd toegepast bij kreupele zeugen en soms bij een kreupele big in de kraamstal.

3.5. De NVWA heeft beklaagde op 5 december 2018 verzocht om de administratie te verstrekken met betrekking tot de aan het varkensbedrijf geleverde en toegepaste antibiotica, daaronder bedrijfsgezondheids- en bedrijfsbehandelplannen, visitebrieven, gevoeligheidsbepalingen en uitslagen van overig (laboratorium)onderzoek. Op 21 december 2018 heeft beklaagde documenten naar de NVWA verstuurd en in maart 2019 is op verzoek van de NVWA door beklaagde nog aanvullende documentatie aangeleverd. De NVWA heeft op basis van de verkregen informatie geconcludeerd dat bij de levering van antibiotica aan het varkensbedrijf niet was voldaan aan de wettelijke voorschriften en de voorwaarden zoals die gelden conform bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen.

3.6. Op 18 april 2019 is beklaagde door de NVWA verhoord. Beklaagde heeft daarbij onder meer verklaard dat hij veelvuldig op het bedrijf kwam, dat daar sprake was van een hoge streptokokken-  en E-colidruk, dat hij bij het maandelijks bedrijfsbezoek bij alle dieren langsliep en dat er, vanwege streptokokkeninfecties, Amoxy Active enkel curatief en niet standaard als koppelbehandeling (bij gespeende biggen) is ingezet. Beklaagde heeft verklaard dat, wanneer er veel uitval was of het merendeel van het koppel ziekteverschijnselen had, besloten werd om het koppel via het drinkwater te behandelen en niet voor individuele behandelingen. Beklaagde heeft er verder op gewezen dat Doxycycline HCL een eerste keuze antibioticum betreft en als koppelbehandeling werd ingezet bij luchtweginfecties c.q. hoesten en pneumonie. Tijdens het verhoor heeft beklaagde desgevraagd aangegeven geen verklaring te kunnen geven voor het feit dat er in bepaalde gevallen Doxycycline HCL in de sectorale databank is geregistreerd bij de categorie zeugen, terwijl dit antibioticum blijkens visitebrieven werd afgeleverd voor de behandeling van gespeende biggen.

3.7. De bevindingen en conclusies van de NVWA zijn neergelegd in een berechtingsrapport, dat naar de klachtambtenaar is verzonden, die heeft besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.

3.8. Gebleken is dat door het ministerie (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren aan beklaagde op basis van hetzelfde onderliggende feitencomplex een bestuurlijke boete is opgelegd van € 5.000.

4. DE BEOORDELING

4.1. Beklaagde heeft na de ontvangst van het klaagschrift het college bericht dat hij sinds  november 2019 geen praktiserend dierenarts meer is. Gebleken is dat beklaagde zich op enig moment na de indiening van de klacht ook heeft laten uitschrijven uit het Diergeneeskunderegister. Om die reden heeft beklaagde het college verzocht de klacht niet verder te behandelen. Het college overweegt hieromtrent het volgende.

4.2. In het van toepassing zijnde artikel 8:23, tweede lid, van de Wet dieren staat het volgende vermeld:

“Het intrekken van een klacht of de staking van de werkzaamheden door de persoon over wie geklaagd is, heeft geen invloed op de behandeling van de klacht indien:

a. het algemeen belang dit vordert naar het oordeel van de ambtenaar, bedoeld in artikel 8.15, tweede lid, onderdeel b, of

b. wanneer de persoon over wie geklaagd is, verklaart de voortzetting van de behandeling te verlangen.”

4.3. Uit dit wetsartikel volgt, a contrario redenerend, dat, als een dierenarts niet meer praktiserend is en zijn of haar diergeneeskundige werkzaamheden definitief heeft gestaakt, de tuchtprocedure niet wordt voortgezet, tenzij de klachtambtenaar dan wel beklaagde de procedure toch wenst voort te zetten.

4.4. Gelet op het voorgaande heeft het college de klachtambtenaar de vraag voorgelegd of de tuchtprocedure diende te worden voortgezet. Daarop heeft de klachtambtenaar bericht dat zij de klacht in het algemeen belang wenste voort te zetten, naast dat is aangegeven dat beklaagde thans in een aanverwante sector werkzaam zou zijn, naar het college heeft begrepen in de productie van veevoeradditieven. Aangezien de klachtambtenaar in deze autonoom bevoegd is om te beslissen tot voortzetting van de tuchtprocedure, zal het college de klachten nader beoordelen.

Ten aanzien van de samenloop met het bestuursrecht

4.5. Van de zijde van beklaagde is gewezen op het feit dat met betrekking tot hetzelfde onderliggende feitencomplex aan beklaagde reeds een bestuurlijke boete van € 5.000 is opgelegd. Beklaagde heeft gesteld dat er op basis van dezelfde feiten en rapporten van dezelfde instantie, de NVWA, op twee verschillende rechtsgebieden procedures zijn ingezet. Ter zitting is van de zijde van beklaagde nog een nadere schriftelijke notitie overgelegd in het kader van het ‘ne bis in idem’ beginsel, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In die notitie wordt met verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) bepleit, samengevat, dat aan de hand van het zogenoemde tweede en derde ‘Engelcriterium’ een tuchtprocedure als een ‘criminal charge’ kan worden gezien, omdat het voor de individuele  beroepsbeoefenaar een bestraffend en leedtoevoegend effect kan hebben. Met zoveel woorden is gesteld dat beklaagde voor dezelfde feiten dubbel bestraft zou worden als hem naast de reeds opgelegde bestuursrechtelijke boete ook een tuchtmaatregel zou worden opgelegd.  

4.6. Het college ziet onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de thans geldende jurisprudentie, dat bij eenzelfde onderliggend feitencomplex en een eventuele samenloop met andere rechtsgebieden (het strafrecht, het civiele recht of het bestuursrecht), geen strijdigheid met het ‘ne bis in idem’, noch met het ‘una via’ beginsel wordt aangenomen. In eerdere jurisprudentie is overwogen dat een tuchtprocedure niet als punitief van aard en niet als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM wordt gezien en dat het tuchtrecht, dat betrekking heeft op het individueel handelen van beroepsgenoten, een afzonderlijk en specifiek doel dient, te weten het bewaken, borgen en bevorderen van de goede en zorgvuldige beroepsuitoefening en het weren en beteugelen van misslagen daarin. Daarbij kunnen in een tuchtprocedure alle facetten die eigen zijn aan de uitoefening van het vak en het handelen als goed beroepsbeoefenaar aan de orde komen. Gelet op het voorgaande kan de tuchtklacht in behandeling worden genomen. Terzijde geldt in de onderhavige zaak overigens, zoals hierna zal blijken, dat het college redenen aanwezig heeft geacht om beklaagde geen tuchtmaatregel op te leggen.

Algemeen

4.7. In het licht van de resistentieproblematiek en het tegengaan van onnodig en onverantwoord antibioticagebruik, is het kanalisatieregime voor antibiotica per 1 maart 2014 aangescherpt en hebben deze diergeneesmiddelen de UDD-status gekregen (vgl. artikel 2.17 en artikel 10.5a van de Regeling diergeneesmiddelen). Hoofdregel is dat antibiotica slechts bij dieren mogen worden toegepast door de dierenarts zelf en dat veehouders geen antibiotica op hun bedrijf voorradig mogen hebben. In eerdere jurisprudentie werd reeds uitgedragen dat van de dierenarts wordt verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten, als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een transparante en controleerbare verslaglegging. Vaste jurisprudentie is voorts dat het voorschrijven van diergeneesmiddelen dient te geschieden in het kader van een verantwoorde diergeneeskundige behandeling, die in beginsel onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging omvat.

4.8. Voor koppelbehandelingen geldt dat ze altijd vooraf dienen te gaan door tenminste een bedrijfsvisite met een klinische inspectie van de te behandelen dieren door de dierenarts, waarbij een diagnose met betrekking tot de waarschijnlijke bacteriële infectie wordt gesteld en alsdan antibiotica kunnen worden geleverd voor een eenmalige behandeling (conform bijlage 9 onderdeel 6, tweede lid, onderdeel a van de Regeling diergeneesmiddelen).

4.9. In een aantal situaties en onder strikte voorwaarden zijn op deze hoofdregel om redenen van praktische uitvoerbaarheid door de wetgever uitzonderingen toegestaan en mogen dierhouders, onder verantwoordelijkheid van en conform het behandeladvies van de dierenarts, zelf antibiotica aan hun dier(en) toedienen (vgl. artikel 2.18, tweede lid, onderdeel b en Bijlage 1 onderdeel 5, onder k en Bijlage 9 onderdeel 2 van de Regeling diergeneesmiddelen). Achterliggende gedachte is dat met een individuele curatieve behandeling door de veehouder zelf snel kan worden gehandeld en daarmee een uitbraak van een besmetting op afdelings- of stalniveau kan worden voorkomen.

4.10. Ten aanzien van varkenshouderijen (c.q. houders van meer dan 5 varkens) is het voor de individuele behandeling van dieren toegestaan dat eerste keuze antibiotica aan de veehouder worden geleverd, opdat deze tussentijds op het bedrijf voorhanden zijn om te kunnen worden ingezet door de veehouder zelf in acute situaties ter behandeling van in het bedrijfsbehandelplan genoemde aandoeningen of ziekten die op het bedrijf voorkomen (bijlage 9, onderdeel 6, derde lid, onderdeel a van de Regeling diergeneesmiddelen). Deze eerste keuze middelen mogen dan op het bedrijf voorhanden zijn in een hoeveelheid waarmee 15% van de op het bedrijf aanwezige en voor de aandoening of ziekte vatbare dieren éénmaal behandeld kunnen worden, tenzij de kleinste primaire verpakking die is toegelaten de benodigde hoeveelheid om de dieren te behandelen overschrijdt en het niet mogelijk is dat het middel wordt verdeeld in een kleinere verpakking (Bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onderdeel b van de Regeling diergeneesmiddelen)

4.11. Met betrekking tot de levering van tweede keuzemiddelen voor de individuele behandeling van varkens door de veehouder zelf, geldt dat tweede keuze antibiotica mogen worden geleverd voor drie zelf aan te wijzen bedrijfsspecifieke aandoeningen of ziekten, op te nemen in het bedrijfsbehandelplan (Bijlage 9, onderdeel 6, derde lid, onderdeel c van de Regeling diergeneesmiddelen). Bij biggen tot en met de leeftijd van acht weken geldt dat de dierenarts in de twee weken voorafgaand aan de individuele behandeling(en) met dit middel het bedrijf dient te hebben bezocht, waarbij een schriftelijke instructie wordt achtergelaten, waarin in ieder geval de mogelijk te behandelen dieren ondubbelzinnig worden geïdentificeerd dan wel het moederdier indien het een ongeboren dier betreft (Bijlage 9, onderdeel 5, zesde en zevende lid). Hiernaast dient in het bedrijfsgezondheidsplan de noodzaak om tweede keuze middelen voor de betreffende aandoeningen voorhanden te hebben te worden onderbouwd en dienen de  maatregelen te worden vastgelegd om een uitbraak van die aandoeningen te bestrijden en herhaling te voorkomen.

4.12. Met betrekking tot biggen c.q. varkens ouder dan 8 weken kan worden volstaan met een contactmoment (per telefoon / digitaal), waarbij door de veehouder wordt verzocht om toestemming van de dierenarts, die alsdan beslist of een individuele behandeling van varkens met een tweede keuzemiddel plaatsvindt voor een in het bedrijfsbehandelplan opgenomen aandoening, waarbij een schriftelijke instructie voor de veehouder wordt opgesteld. Tweede keuzemiddelen mogen op varkensbedrijven voorhanden zijn in een maximale hoeveelheid voor de eenmalige behandeling van 10% van een voor een aandoening of ziekte gevoelige varkens, tenzij de kleinste primaire verpakking die is toegelaten de benodigde hoeveelheid om de dieren te behandelen overschrijdt en het niet mogelijk is dat het middel wordt verdeeld in een kleinere verpakking (Bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onderdeel c van de Regeling diergeneesmiddelen).

4.13. De uitzondering die de wetgever na de invoering van de UDD kanalisatiestatus voor antibiotica heeft gemaakt om veehouders nog toe te staan op beperkte schaal zelf antibiotica op voorraad te hebben en op individueel niveau aan hun dieren toe te dienen is dus aan strikte voorwaarden gebonden. De wetgever heeft er verder met betrekking tot de levering van antibiotica in de intensieve veehouderij voor gekozen vrij gedetailleerd en bindend vast te leggen waar dierenartsen tezamen met veehouders aan moeten voldoen, zoals vastgelegd in de reeds genoemde bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Zo dient onder meer sprake te zijn van een ‘1-op 1’ relatie tussen de dierenarts en de veehouder, gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst, waarbij de veehouder zich verplicht om alle diergeneeskundige zorg (per diersoort) bij deze dierenarts af te nemen. Ook is de dierenarts gehouden de veehouderij regelmatig te bezoeken, waarbij de minimumfrequentie voor varkens is bepaald op 1 keer per maand, waarvan een visiteverslag dient te worden gemaakt en waarbij de gezondheidsstatus van de dieren wordt beoordeeld en het antibioticumgebruik wordt geëvalueerd. De dierenarts dient tezamen met de veehouder een jaarlijks te evalueren bedrijfsgezondheidsplan (BGP) op te stellen, specifiek gericht op het bedrijf in kwestie, met daarin een analyse van de gezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf en een evaluatie van het diergeneesmiddelengebruik en het antibioticagebruik in het voorgaande jaar, met daarin tevens opgenomen de voorgenomen maatregelen om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren en, met een termijnstelling, tot een reductie van het antibioticagebruik te komen. Ook dient een bedrijfsbehandelplan (BBP) te worden opgesteld, waarin onder meer wordt vermeld ten aanzien van welke aandoeningen die er op het bedrijf voorkomen er welke diergeneesmiddelen c.q. antibiotica worden ingezet. Het college verwijst voor wat betreft het bedrijfsgezondheidsplan (BGP) en het bedrijfsbehandelplan (BBP) naar bijlage 9, onderdeel 6, van de Regeling diergeneesmiddelen en naar de artikelen 1.28, eerste lid van het Besluit houders van dieren, artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen en de artikelen 5.13, 5.14, 5.17 en 5.21 van de Regeling diergeneeskundigen.

4.14. Bij de beoordeling van de klacht neemt het college tevens als leidraad het onder verantwoordelijkheid van de Werkgroep Veterinair Antibioticabeleid (WVAB) van de KNMvD opgestelde ‘Formularium Varken’, en dan de versie van juli 2012, als zijnde van toepassing in de hier in het geding zijnde periode, waarin onder meer per indicatie en orgaansysteem in het kader van effectiviteit en resistentiegevoeligheid wordt aangegeven welke antibiotica worden beschouwd als eerste, tweede of derde keuze middelen. Amoxy Active en Albipen LA zijn in dit Formularium als tweede keuze antibiotica aangemerkt, waarvoor het ‘Nee, tenzij-principe geldt en de veterinaire noodzaak voor het gebruik ervan in plaats van een eerste keuze antibioticum dient te worden onderbouwd en verantwoord, onder andere: ‘op basis van gevoeligheid van de verwekker, opgebouwde patiënt- of bedrijfshistorie t.a.v. voorkomen van resistentie in dierpathogenen, of klinische noodzaak indien een bacteriologisch onderzoek niet mogelijk is’.

Ten aanzien van de onderhavige zaak

Het bedrijfsgezondheidsplan (BGP) en het bedrijfsbehandelplan (BBP)

4.15. Door de klachtambtenaar is met betrekking tot het bedrijfsgezondheids- en bedrijfsbehandelplan naar het oordeel van het college terecht geconcludeerd dat deze te summier en kwalitatief onvoldoende zijn en niet voldoen aan de voorschriften die voor deze plannen gelden.

4.16. Het bedrijfsgezondheidsplan dient een analyse van de diergezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf en de inzet van diergeneesmiddelen bij deze dieren te bevatten, alsmede een overzicht van maatregelen die worden getroffen ter verbetering van de diergezondheidssituatie op het bedrijf, daaronder in ieder geval maatregelen gericht op vermindering van het antibioticagebruik, met een daaraan gekoppelde uitvoeringstermijn en  reductiedoelstelling. Het bedrijfsgezondheidsplan en het aanvullend bedrijfsgezondheidsplan van 8 januari 2018 voldoen hier naar het oordeel van het college onvoldoende aan. Weliswaar worden in het bedrijfsgezondheidsplan enkele actiepunten benoemd, te weten een advies tot voerverandering en de inzet van een autovaccin, echter is gebleken dat dit actiepunten zijn die ofwel reeds waren uitgevoerd ofwel waren overgenomen uit een vorig bedrijfsgezondheidsplan. Hier komt bij dat deze maatregelen naar het oordeel van het college onvoldoende getuigen van een uitgedachte strategie om voor de langere termijn tot een daadwerkelijke verbetering van de diergezondheid op het bedrijf en een structurele vermindering van het antibioticagebruik te komen, met zonodig een toelichting over de mogelijkheden of eventuele belemmeringen om dit met aansturing op additionele management-  en niet medicinale maatregelen (zoals optimalisering omgevingsklimaat, hygiëne) te realiseren. In het bedrijfsgezondheidsplan ontbreekt ook een toereikende onderbouwing van de noodzaak voor de inzet van tweede keuze middelen op het bedrijf en wordt enkel vermeld: ‘S. suis/ E. coli.’.  Een nadere uitleg ontbreekt en niet duidelijk is met welke maatregelen wordt beoogd om een uitbraak van een bepaalde  aandoening te bestrijden en herhaling te voorkomen en het gebruik van tweede keuzemiddelen te reduceren. Overigens staat ook in visitebrieven vrijwel standaard vermeld dat er sprake is van een hoge streptokokkendruk in de kraamstal en na het spenen, echter ontbreekt een gericht plan van aanpak om deze problematiek te bestrijden.

4.17. Ook moet worden geconstateerd dat in het bedrijfsbehandelplan (BBP) niet is opgenomen dat de dierenarts uitsluitend op basis van een klinische inspectie en de op grond daarvan gestelde diagnose antibiotica levert voor een eenmalige behandeling van de dieren, noch dat de veehouder ter behandeling van in het bedrijfsbehandelplan genoemde aandoeningen of ziekten zelf kan overgaan tot de individuele behandeling van dieren. In het bedrijfsbehandelplan staan ook niet de behandelduur en dosering van de betreffende antibioticabehandelingen vermeld, zoals verplicht is gesteld in artikel 5.21 van de Regeling diergeneeskundigen. De enkele verwijzing naar de ‘positieve lijst’ op de website van de praktijk waar beklaagde in de hier in het geding zijnde periode werkzaam was, alsmede het verweer dat de behandelduur en doseringen worden vermeld in logboeken en bijsluiters, doet aan voormelde verplichting niet af. Dat, zoals beklaagde heeft gesteld, het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan geen statische documenten zijn en dat die in samenhang dienen te worden gelezen met visitebrieven, laboratoriumuitslagen en andere documentatie, laat onverlet dat dierenartsen en veehouders, op grond van artikel 5.9, tweede lid van het Besluit diergeneeskundigen respectievelijk artikel 1.28, tweede lid van het Besluit houders van dieren, gehouden zijn om overeenkomstig het vigerende bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan te handelen, tenzij een veterinaire noodzaak vereist om hiervan af te wijken, hetgeen gemotiveerd en gedocumenteerd dient te blijken. Met name door het structureel te hoge antibioticumgebruik bij de gespeende biggen, had naar het oordeel van het college in dit geval het overwegen van het aanpassen van de bedrijfsplannen in de rede gelegen.

Ten aanzien van de koppelbehandelingen

4.18. Als reeds overwogen is door beklaagde in het bedrijfsbehandelplan ten aanzien van koppelbehandelingen niet vermeld dat de dierenarts uitsluitend na een klinische inspectie en een daarbij gestelde diagnose antibiotica aan een veehouderij levert, waarmee de dieren eenmalig behandeld kunnen worden.

4.19. Genoegzaam is gebleken dat Doxycycline HCL en Amoxy Active op het bedrijf werden ingezet als koppelbehandeling via het drinkwater. In diverse gevallen is echter niet middels visitebrieven of andere documentatie gebleken dat aan die koppelbehandelingen de verplicht gestelde bedrijfsvisite met klinische inspectie en diagnosestelling vooraf is gegaan, noch dat door beklaagde steeds is gedocumenteerd op welke groep dieren de eenmalige behandeling betrekking had met instructies en een adeqequate beschrijving van de onderliggende klinische symptomen. Zo is dat niet het geval met betrekking tot de levering van Doxycycline HCL op 2 juli 2018, 9 juli 2018 en 6 augustus 2018 en met betrekking tot de levering van Amoxy Active op 14 juni 2018. Dat beklaagde het bedrijf vaak bezocht en klinisch en veel overige onderzoek in de vorm van sectie, bloed en laboratoriumonderzoek heeft verricht, doet hier niet aan af.

4.20. De klachtambtenaar kan verder worden gevolgd in haar stelling dat er diverse keren, zoals op 23 juli 2018, 14 augustus 2018 en 24 september 2018, meer Doxycycline HCL door beklaagde is geleverd dan volgens de door de NVWA, op basis van informatie uit visitebrieven, gemaakte berekeningen nodig was voor een eenmalige behandeling van de dieren. Volgens beklaagde is hij bij het voorschrijven van de antibiotica uitgegaan van schattingen van het gemiddelde gewicht van de dieren en zijn overgebleven antibiotica afgevoerd of later ingezet. Dat een minutieuze berekening niet altijd mogelijk is en dat met gemiddelde gewichten wordt gerekend, kan door het college worden gevolgd, echter had na een toegepaste koppelbehandeling behoren te worden vastgelegd hoeveel antibiotica er was overgebleven en wat daarmee is gebeurd, mede om te voorkomen dat de veehouder meer antibiotica op voorraad had dan wettelijk geoorloofd was en om ongecontroleerd gebruik door de veehouder zelf te voorkomen. Verder is de informatie op een aantal visitebrieven naar het oordeel van het college te summier waar het betreft het aantal te behandelen dieren en/of het gewicht van de dieren, zoals in de visitebrieven van 14 juni 2018, 25 juni 2018 en 11 september 2018 met betrekking tot de geleverde Doxycycline HCL. In andere visitebrieven ontbreekt relevante informatie, zoals ten aanzien van de levering van Doxycycline HCL op 2 juli 2018, 9 juli 2018 en 6 augustus 2018.  Het college deelt de visie van de klachtambtenaar dat in visitebrieven uitgebreider had behoren te worden gerapporteerd over de klinische verschijnselen bij de dieren, gelet op de hoge infectiedruk op het bedrijf en de grote hoeveelheden antibiotica die er in de hier in het geding zijnde periode werden geleverd.

4.21. Door de klachtambtenaar is op basis van de stukken geconcludeerd dat beklaagde  Albipen LA als koppelbehandeling voorschreef voor biggen in het kraamhok of voor net gespeende biggen, hetgeen niet is bestreden. Ten aanzien van de leveringen op 6 augustus 2018 en 27 augustus 2018 zijn echter geen visitebrieven in het dossier terug te vinden met daarin vastgelegd dat er voorafgaand aan de leveringen een bedrijfsvisite met een klinische inspectie en diagnosestelling heeft plaatsgevonden. Bij andere leveringen van dit antibioticum waarbij wel visitebrieven zijn gemaakt, is de informatie over de klinische symptomen en de diagnose te summier en is volstaan met de notitie ‘risicodieren: biggen in de kraamstal / indicatie: S. suis inf’ of ‘risicodieren: gespeende biggen/ indicatie S. suis inf’. Ook is daaruit niet altijd af te leiden welke dieren behandeld dienden te worden en welk gewicht ze hadden en is niet controleerbaar of de hoeveelheid geleverde antibiotica paste bij een eenmalige behandeling. Hiernaast is de veterinaire noodzaak voor de toepassing van tweede keuze antibiotica onvoldoende in documentatie verantwoord, tegen de achtergrond dat uit gevoeligheidstesten bleek dat de gevonden kiem ook gevoelig was voor een eerste keuze antibioticum. Voor zover is gesteld dat in vitro weliswaar de werkzaamheid van eerste keuze antibiotica werd aangetoond, maar dat eerste keuze antibiotica in vivo onvoldoende werkzaam waren, is dit niet in documentatie terug te vinden. Dat er bij laboratoriumonderzoeken een kiem werd gevonden, impliceert weliswaar dat de inzet van antibiotica geïndiceerd was, maar rechtvaardigt nog niet de inzet van tweede keuze antibiotica.

Ten aanzien van individuele behandelingen door de veehouder zelf

4.22. Ook hier geldt dat het bedrijfsbehandelplan (BBP) niet de mogelijkheid van individuele toepassing van antibiotica door de veehouder zelf vermeldt. Als sprake is van een individuele behandeling door de veehouder zelf, dient de aandoening waarvoor het middel wordt toegepast te zijn opgenomen in het BBP en dient aan nadere voorwaarden te worden voldaan, overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen onderdeel 6, derde lid. Alleen als aan alle voorwaarden is voldaan, mag de veehouder antimicrobiële middelen beperkt op voorraad hebben. Het tweede keuze middel Albipen LA werd blijkens de eigen verklaring van de veehouder toegepast bij met name kreupele zeugen en een enkele keer bij een big, echter is dit middel niet ter behandeling van kreupelheid vermeld in het BBP, terwijl uit visitebrieven volgt dat beklaagde het middel voorschreef om te worden ingezet ter behandeling van biggen in het kraamhok of net gespeende biggen met een infectie met Streptococcus suis. De toepassing door de veehouder van dit antibioticum bij kreupele zeugen impliceert een afwijking van het BBP en niet gebleken is dat het wel in het BBP voor deze aandoening genoemde eerste keuze antibioticum Engemycine 10%, met als werkzame stof oxytetracycline, niet werkzaam zou zijn geweest tegen de bacteriële infectie die ten grondslag lag aan de kreupelheid. Voor zover de veehouder tegenover de NVWA heeft verklaard dat eerste keuze antibiotica niet voldeden, kan die enkele verklaring niet dienen als een toereikende onderbouwing van de veterinaire noodzaak voor het gebruik van een tweede keuze antibioticum op individueel niveau.

4.23. Uitgaande van die door de veehouder genoemde individuele behandelingen zijn bijvoorbeeld bij de leveringen op 6 en 27 augustus 2018 geen documenten aangeleverd, waarin een schriftelijke instructie van beklaagde aan de veehouder is opgenomen en waarin de te behandelen dieren ondubbelzinnig zijn geïdentificeerd dan wel een contactmoment met beklaagde is vastgelegd, met daarin de datum van de toestemming en de noodzaak van de toepassing bij de geïdentificeerde dieren. Volgens de veehouder vonden dergelijke contactmomenten voorafgaand aan de door hem uitgevoerde individuele toepassingen van Albipen LA niet altijd plaats. Het college realiseert zich dat contactmomenten niet kunnen worden vastgelegd als de veehouder buiten medeweten van de dierenarts op eigen initiatief dieren met een tweede keuze antibioticum behandelt. Echter is gebleken dat in menig geval documentatie ontbreekt met betrekking tot de evaluatie van het antibioticumgebruik sinds de vorige levering. Het college deelt de visie van de klachtambtenaar dat, als er zodanige grote hoeveelheden Albipen LA aan een veehouderij worden geleverd als hier het geval is geweest zonder dat beklaagde hierover door de veehouder (steeds) werd gecontacteerd, van beklaagde had mogen worden verwacht dat hij niet zonder verdere navraag hierover opnieuw Albipen LA had afgeleverd, zoals dat is gebeurd op 14 augustus 2018 (na een levering op 6 augustus 2018) en op 3 september 2018 (na een levering op 27 augustus 2018). Van de dierenarts behoeft niet te worden gevergd dat deze dagelijks controleert of de antibiotica door de veehouder worden ingezet als voorgeschreven en geïnstrueerd, echter gaat het college ervan uit dat bij een gedegen en nauwkeurige evaluatie van het antibioticagebruik sinds de vorige levering de discrepantie aan het licht was gekomen. Doordat dit klaarblijkelijk niet of onvoldoende is gebeurd, is het risico geschapen dat er antibiotica werden ingezet voor een andere aandoening of bij andere dieren dan door beklaagde werd beoogd. Hierdoor is ook de registratie in de sectorale databank niet correct geweest. In die zin kan beklaagde worden verweten dat de regie over het antibioticagebruik op het bedrijf onvoldoende is geweest.

Ten aanzien van de verslaglegging

4.24. In eerdere jurisprudentie is meermaals uitgedragen dat de noodzaak om antibiotica in te zetten transparant en schriftelijk dient te worden verantwoord, ook als de inzet op aanvaardbare gronden geschiedt. Een adequate en controleerbare verslaglegging is ook in het eigen belang van de dierenarts, in de wetenschap dat door toezichthoudende instanties controle op de naleving van de toepasselijke voorschriften wordt gehouden.

4.25. Ook met betrekking tot de verslaglegging zijn er tekortkomingen gebleken. De verslagen van de maandelijkse bedrijfsbezoeken zijn te summier waar het de beoordeling van de algehele gezondheidssituatie van de dieren betreft en de evaluatie van het gebruik van antibiotica. Gelet op de grote problemen op het bedrijf en de grote hoeveelheden antibiotica die aan het bedrijf werden geleverd, had deze problematiek uitgebreider in verslaglegging behoren te worden vastgelegd. In diverse gevallen is ook niet vastgelegd dat er een evaluatie heeft plaatsgevonden. Waar dit wel is gebeurd en er wordt vermeld dat de ingestelde behandeling het gewenste effect heeft gehad, is niet duidelijk op welke behandeling de evaluatie betrekking heeft en waarom beklaagde dan toch de antibiotica is blijven leveren.

De eindconclusie

4.26. Het college kan niet anders dan concluderen dat er in de hier in het geding zijnde periode grote hoeveelheden eerste en tweede keuze antibiotica door beklaagde aan het varkensbedrijf zijn geleverd. Juist omdat het bedrijf met grote gezondheidsproblemen onder de dieren en een hoge infectiedruk kampte, mocht van beklaagde worden verwacht duidelijker en uitgebreider vast te leggen welke ziekteverschijnselen er op het bedrijf speelden en om de noodzaak van de inzet van antibiotica, zeker tweede keuze antibiotica, nader te onderbouwen en administratief te verantwoorden, met een specifiek op het bedrijf gericht plan van aanpak om met andersoortige maatregelen de gezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf te verbeteren en de infectiedruk en het gebruik van antibiotica structureel te reduceren, met een termijnstelling. De regie over het antibioticagebruik op veehouderijen ligt bij de ‘1 op 1’ dierenarts, aan wie het is om transparant inzichtelijk te maken dat veehouders selectief en restrictief antibiotica toepassen en enkel antibiotica op voorraad hebben op de beperkte schaal die hen thans nog is toegestaan, in welk kader de voorwaarden gelden uit de meergenoemde bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Het college deelt de visie van de klachtambtenaar dat aan die voorwaarden onvoldoende is voldaan en dat ook met betrekking tot de verslaglegging de nodige onvolkomenheden zijn gebleken. Op grond van het voorgaande wordt de klacht gegrond verklaard.

4.27. Met betrekking tot de vraag of en zo ja welke maatregel aan beklaagde dient te worden opgelegd, houdt het college rekening met de bestuurlijke boete die op basis van hetzelfde onderliggende feitencomplex reeds aan beklaagde is opgelegd en dat hij, naar het college heeft begrepen, ten tijde van het hier in het geding zijnde onderzoek nog slechts zes maanden de begeleidend dierenarts op het bedrijf was. Het college houdt verder rekening met het feit dat beklaagde inmiddels al geruime tijd geen praktiserend dierenarts meer is en gaat ervan uit dat hij dat in de toekomst ook niet meer zal zijn. Het doel van een op te leggen maatregel, waarmee voor de toekomst een individueel lerend effect voor de dierenarts in de uitvoering van zijn veterinaire werkzaamheden wordt beoogd, komt daarmee in het onderhavige geval in zoverre te vervallen. Het college heeft in een en ander aanleiding gezien om af te zien van het opleggen van een tuchtmaatregel.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

ziet af van het opleggen van een maatregel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.32 van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. L.B.M. Klein Tank, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.H.A. Steentjes, drs. J. Hilvering en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten, in aanwezigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2021.