Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:48 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/10

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:48
Datum uitspraak: 28-10-2021
Datum publicatie: 20-01-2022
Zaaknummer(s): 2020/10
Onderwerp: Konijnen
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Diensdoend dierenarts wordt verweten dat tijdens een avondconsult een onjuiste diagnose te hebben gesteld bij een hond met braakklachten en dat zij heeft nagelaten (tijdig) een bloedonderzoek uit te voeren. Ongegrond.

X,     klaagster,

tegen

Y,      beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 26 augustus 2021. Klaagster is niet verschenen. Namens beklaagde is haar echtgenoot, tevens collega-dierenarts, verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, samengevat, dat zij voorafgaand aan een operatie van het konijn van klaagster de lichaamstemperatuur niet heeft gecontroleerd en dat zij na de operatie veterinair onjuist c.q. nalatig heeft gehandeld met betrekking tot een ontstaan abces. Op de meer specifieke verwijten die beklaagde worden gemaakt zal hierna nog worden ingegaan.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om het konijn van klaagster, dat ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna 2 jaar oud was.

3.2.Op 8 juli 2020 heeft beklaagde bij het konijn een gebitsbehandeling uitgevoerd, waarbij onder narcose operatief snijtanden zijn verwijderd. Na de ingreep is het konijn met klaagster mee naar huis gegaan.

3.3.De dag na de operatie is er tussen beklaagde en klaagster telefonisch contact geweest, waarbij klaagster aangaf dat het konijn slechter at en slomer en onrustiger dan normaal was. Beklaagde heeft geadviseerd om eventueel te starten met dwangvoeding.

3.4. Het college heeft uit de stukken begrepen dat klaagster een dag na de operatie een bult bij de onderkaak van het konijn heeft waargenomen. Tijdens een controleafspraak op 10 juli 2020 is dit aan de orde gesteld. Beklaagde heeft echter bij palpatie van de kaken van het konijn geen bult waargenomen. De kaken voelden zacht aan, maar blijkens patiëntenkaart was er één wang wel iets verdikt. Beklaagde heeft bij het konijn fysiologisch zout en pijnmedicatie toegediend en aan klaagster speciaal voer, Critical Care, meegegeven voor het dwangvoeren van het konijn.

3.5.Diezelfde dag heeft klaagster nogmaals beklaagde geconsulteerd omdat zij vreesde dat het konijn een longontsteking had. Beklaagde heeft middels auscultatie vastgesteld dat de longen schoon klonken, maar het konijn kwijlde en had problemen met slikken. Ook strekte het konijn zich uit en bewoog het zijn kopje naar achteren. Wat betreft de oorzaak van de klachten werd door beklaagde gedacht aan E. Cunicili, een parasitaire ziekte.

3.6. Op 11 juli 2020 heeft klaagster telefonisch aan beklaagde gemeld dat het konijn een wat scheve kop leek te hebben en die niet goed kon bewegen. De ontlasting van het konijn was wel normaal. Beklaagde heeft geadviseerd het konijn te behandelen voor E. Cunicili en heeft in dat kader ontwormmedicatie, Fenbendrops, voorgeschreven.

3.7. Vervolgens is beklaagde op 15 juli 2020 weer geconsulteerd omdat de gezondheidstoestand van het konijn verslechterde. Bij dat consult heeft beklaagde na klinisch onderzoek geconstateerd dat de longen schoon en niet afwijkend klonken, dat de lichaamstemperatuur 40,7 graden Celsius bedroeg en dat de onderkaak wat verdikt aanvoelde. Er is vervolgens gestart met de inzet van een antibioticum (Alfacilline). In de dagen hierna trad er verbetering op; het konijn at en dronk zelfstandig en ook het ontlasten en urineren verliep op normale wijze.

3.8. Beklaagde is op 22 juli 2020 geconsulteerd vanwege een open abces aan de onderkaak van het konijn. Beklaagde heeft de wond gespoeld en behandeld met honingzalf en een injectie met een antibioticum toegediend.

3.9. Op 24 juli 2020 is beklaagde wederom geconsulteerd in verband met het abces. Beklaagde heeft de wond opnieuw gespoeld en behandeld met honingzalf en opnieuw een injectie met een antibioticum toegediend. Afgesproken werd dat klaagster die zondag zelf antibiotica bij het konijn zou toedienen en dat klaagster de volgende maandag met het konijn terug naar de praktijk zou komen voor controle. Daarbij heeft beklaagde aangegeven dat de vooruitzichten en prognose slecht waren.

3.10. Bij het controleconsult op maandag 27 juli 2020 heeft beklaagde geconstateerd dat het abces erg groot was, dat de lymfeklieren van de onderkaak opgezet waren en dat het konijn was afgevallen. Gelet hierop heeft beklaagde euthanasie aan de orde gesteld en daartoe geadviseerd. Klaagster heeft hiermee niet ingestemd en heeft zich op 28 juli 2020 tot een andere dierenarts gewend. Deze dierenarts heeft het abces onder narcose gereinigd en daarbij veel necrotisch materiaal verwijderd. De wond bleek echter erg groot en diep en ook deze dierenarts heeft tot euthanasie geadviseerd. Klaagster heeft hiermee ingestemd.

3.11. Aangezien klaagster ontevreden was over de door beklaagde aan haar konijn verleende veterinaire zorg, is zij op enig moment de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In geschil is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het konijn van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend, maar geldt als criterium of de dierenarts in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. Dat beklaagde voorafgaande aan de gebitsbehandeling op 8 juli 2020 en het onder narcose brengen van het konijn niet eerst de lichaamstemperatuur heeft gemeten acht het college niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar en in dit geval aanvaardbaar. Daarbij wordt in aanmerking genomen, zoals ter zitting toegelicht, dat klaagster tevoren een formulier over de gezondheidstoestand van het konijn had ingevuld waaruit geen bijzonderheden of afwijkingen waren gebleken en het nog jonge konijn klinisch gezond en levendig oogde. Hiernaast heeft beklaagde gedurende de operatie en de recoveryperiode de lichaamstemperatuur van het konijn wél gecontroleerd, die blijkens de patiëntenkaart steeds tussen de 39,5-39,9 graden Celsius bedroeg en daarmee acceptabel en niet verontrustend is geweest.

5.3.Voor zover klaagster heeft gesteld dat er dieronvriendelijk gehandeld zou zijn bij het vasthouden van het konijn, wordt in zijn algemeenheid overwogen dat een konijn gedegen gefixeerd dient te worden bij een onderzoek of behandeling. Niet gebleken is dat hierbij in dit geval grenzen zijn overschreden. Het college kan zich voorts verenigen met de van de zijde van beklaagde ter zitting nog gegeven toelichting dat het konijn van klaagster stevig is vastgehouden ter voorkoming van een paniekreactie. Het college begrijpt dat dit bij een diereigenaar mogelijk hardhandig kan overkomen, maar is van oordeel dat daarmee geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

5.4. Beklaagde wordt meer algemeen verweten dat zij klaagster niet serieus heeft genomen voor wat betreft de door haar na de operatie gedane meldingen over de gezondheidsklachten die het konijn had. Het college heeft hiervoor in het dossier echter onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden. Klaagster is na de operatie meermaals op de praktijk ontvangen met het konijn, waarbij de klachten zijn besproken en er steeds onderzoek en behandeling heeft plaatsgevonden, naast dat er ook telefonisch overleg over de gezondheidsklachten is geweest.

5.5. Klaagster verwijt beklaagde voorts dat zij na operatie onvoldoende althans ondeugdelijk onderzoek heeft verricht, waardoor het abces niet tijdig is opgemerkt. Klaagster heeft tijdens het consult op 10 juli 2020 aangegeven dat zij een bult aan de onderkaak had gevoeld. Het college heeft echter geen reden om aan te nemen dat beklaagde die melding niet serieus heeft genomen. Bij palpatie heeft beklaagde geconstateerd dat er geen sprake was van een bult aan de onderkaak, maar dat de kaken zacht aanvoelden en de wang aan één kant enigszins verdikt was. Dat er op dat moment al sprake was van een abces dat beklaagde had kunnen en moeten waarnemen, is voor het college niet komen vast te staan. Daarbij neemt het college in aanmerking dat uit de stukken volgt dat beklaagde het konijn ook op 15 juli 2020 nog heeft gezien en toen met een otoscoop in de bek van het konijn heeft gekeken en geen bult heeft waargenomen. Bovendien bleek eerst op 22 juli 2020 van een doorgebroken abces en is het gelet op het tussenliggende tijdsverloop naar het oordeel van het college niet uitgesloten dat het abces zich eerst in de periode ná 10 juli 2020, althans ná 15 juli 2020, heeft gemanifesteerd en waarneembaar was. Alles bijeengenomen is voor het college niet komen vast te staan dat beklaagde het later gebleken abces van het konijn tijdens de daaraan voorgaande consulten heeft gemist en had moeten opmerken. Daarvan uitgaande kan niet worden geconcludeerd dat er door beklaagde onvoldoende onderzoek naar het abces is verricht of dat er in die voorafgaande periode reden was voor verwijzing.

5.6.Ook het verwijt dat er door beklaagde na het doorbreken van het abces geen pijnstillende medicatie is gegeven, wordt ongegrond verklaard. Het college deelt de visie van beklaagde dat een doorgebroken abces in beginsel geen tot weinig pijn geeft en er daarom geen reden hoeft te zijn voor het toedienen van pijnmedicatie.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. M.J. Wisse, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2021.