Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:43 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/95

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:43
Datum uitspraak: 29-07-2021
Datum publicatie: 22-10-2021
Zaaknummer(s): 2020/95
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten tekort te zijn geschoten met betrekking tot een uitgevoerde keizersnede bij een hond, als gevolg waarvan alle pups na de geboorte zijn overleden. Ongegrond.

X,        klager,

tegen
 

Y,        beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Op 28 april 2021 vond de mondelinge behandeling van de zaak plaats. Daarbij was beklaagde, vergezeld van haar gemachtigde, aanwezig. Klager is niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij tekort is geschoten met betrekking tot een uitgevoerde keizersnede bij de hond van klager, als gevolg waarvan alle pups na de geboorte zijn overleden.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een Franse Bulldog, geboren op 1 juli 2018, die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige klacht hebben geleid drachtig was van haar eerste nest.

3.2. Op 21 juli 2020 zijn klager en zijn partner, na daarover eerst telefonisch contact te hebben opgenomen, met de drachtige hond bij beklaagde op consult geweest. Uit de anamnese bleek dat de hond een slijmprop had verloren, onrustig was, onregelmatig ademde, veel hijgde en een  lichaamstemperatuurdaling had gehad. Volgens klager was de hond 61 en 63 dagen daarvoor gedekt. Bij het klinisch onderzoek constateerde beklaagde dat de hond een volle buik had. Bij een vaginaal toucher was er echter nog geen ontsluiting voelbaar. Er is een echo gemaakt waarop van in ieder geval drie pups de kloppende hartjes zichtbaar waren. Uit de stukken volgt dat de eerste pup in stuitligging in de rechter uterushoorn lag en een pup in de linker hoorn in kopligging. Blijkens de patiëntenkaart heeft beklaagde geadviseerd om, gelet op het feit dat er nog geen weeën waren, af te wachten tot de partus op natuurlijke wijze op gang zou komen, maar dat klager, mede vanwege het ras waartoe de hond behoort, direct een keizersnede wilde en daarop stond.

3.3. Er is vervolgens besloten om diezelfde ochtend een keizersnede uit te voeren. Beklaagde heeft met de hulp van twee assistentes de hond ter voorbereiding op de operatie geïnduceerd met 0.27 ml Ketamine10% en daarnaast 0.27 ml Sedadex toegediend, waarna de hond is geïntubeerd en op de operatietafel is aangesloten op zuurstof, ECG en een capnograaf. Tijdens het intuberen bleek nog een hoestreflex aanwezig en op de operatietafel werd een knipperreflex waargenomen, waarna nog 0.2 ml Propofol intraveneus is toegediend voordat de incisie is gemaakt om de sectio uit te voeren.

3.4. In het operatieverslag is beschreven dat de uterus buiten het lichaam van de hond op haar buik is gebracht en dat er via een snede in de linker uterushoorn zeven pups uit de uterus zijn gehaald. Volgens beklaagde waren de pups direct aan het ‘gaspen’. De pups zijn door de assistentes en door klager en zijn partner opgevangen en hebben druppelsgewijs atipamezole op de tong toegediend gekregen er is slijm uit de bek en neus gezogen. De pups zijn gedurende ongeveer een uur opgewreven en hierna in een couveuse gelegd. Desondanks kwam de ademhaling niet op gang en is na dat uur het overlijden van alle zeven pups vastgesteld. Klager en zijn partner zijn vervolgens naar huis vertrokken. Er heeft die middag een telefonisch gesprek tussen de partner van klager en beklaagde plaatsgevonden over de moederhond, die na de operatie ter observatie aan een infuus op de praktijk is gehouden. Door beklaagde is gevraagd of klager sectie wilde laten uitvoeren op de overleden pups om de oorzaak van hun overlijden te achterhalen. Klager en zijn partner hebben daar in eerste instantie niet voor gekozen.

3.5. De volgende dag, op 22 juli 2020, heeft klager telefonisch gemeld dat hij toch sectie wilde laten uitvoeren. Op 23 juli 2020 heeft een pathologisch onderzoek met betrekking tot één van de overleden pups plaatsgevonden. In het pathologisch verslag staat vermeld: “Conclusie  A terme pup.  Vries en dooi artefacten bemoeilijken de interpretatie van veranderingen in de weefsels.  De longen zijn onvoldoende belucht (neonatale atelectase) passend bij het in de anamnese vermelde niet goed op gang komen van de ademhaling. Er zijn voor zover te beoordelen geen aanwijzingen voor onderliggende pulmonaire pathologie waargenomen die een normale ontplooiing van het longweefsel zouden kunnen belemmeren. De belangrijkste oorzaak van het niet goed op gang komen van de ademhaling in neonaten is hypoxie. Op basis van het pathologisch onderzoek is niet duidelijk waardoor deze hypoxie is ontstaan (mogelijkheden zijn oa placenta pathologie/ doorbloedingsstoornissen). Er zijn geen aanwijzingen waargenomen voor een infectieuze doodsoorzaak of aangeboren defecten.”

3.6. Op 5 augustus 2020 is telefonisch de uitslag van het pathologisch onderzoek met klager besproken. Op 21 augustus 2020 heeft er een gesprek op de praktijk plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is van de zijde van klager aangegeven dat er een aantal zaken niet goed waren verlopen, met name met betrekking tot de narcose en het niet direct afbinden van de placenta’s. Omdat het gesprek de bij klager bestaande onvrede over de door beklaagde verleende zorg niet heeft kunnen wegnemen, is hij op enig moment hierna de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de moederhond en de pups, met betrekking tot welke dieren haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beantwoording van die vraag gaat het er naar vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar om de vraag of het veterinair handelen van beklaagde binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

5.2. Beklaagde wordt verweten dat de moederhond een te grote dosis aan  narcosemiddelen toegediend heeft gekregen, dat de baarmoeder tijdens de operatie uit de buik is gehaald en dat de navelstrengen niet direct na de geboorte van de pups zijn afgebonden en doorgeknipt.

5.3. Voor zover klager beklaagde verantwoordelijk houdt voor het overlijden van de pups, kan dit in ieder geval niet worden geconcludeerd op basis van het sectierapport, waarvan de uitkomsten hiervoor onder rov. 3.5 zijn beschreven. Als belangrijkste oorzaak van het niet goed op gang komen van de ademhaling is hypoxie genoemd, maar de oorzaak ervan kon bij de sectie niet worden vastgesteld. Uit de van de zijde van beklaagde ingediende stukken blijkt dat zij de mogelijkheid dat de pups te vroeg zijn geboren niet uitgesloten acht, hetgeen klager echter weer heeft tegengesproken. Los van het feit dat de precieze doodsoorzaak niet duidelijk is geworden, dient het college te beoordelen of beklaagde met betrekking tot uitvoering van de keizersnede veterinair onjuist dan wel nalatig handelen kan worden verweten.

5.4. Het college overweegt meer algemeen dat er bij een keizersnede c.q. andere operatie altijd complicaties kunnen optreden zonder dat daar per definitie veterinair onjuist of nalatig handelen van de dierenarts aan ten grondslag hoeft te liggen.

5.5. Voor zover beklaagde die bewuste dag heeft besloten tot een sectio, nadat klager aangaf een natuurlijke bevalling niet te willen afwachten en om een sectio had verzocht, wordt dit door het college in de gegeven omstandigheden, uitgaande van de door klager genoemde dekdata en de mogelijke risico’s van een natuurlijke bevalling bij dit specifieke ras, acceptabel en tuchtrechtelijk niet verwijtbaar geacht.

5.6. Beklaagde heeft een operatieverslag gemaakt en daarop ter zitting nog een toelichting gegeven. Met betrekking tot de keizersnede is qua anesthesie volgens het praktijkprotocol middels een braunule intraveneus Sedadex en Ketamine in de reeds genoemde doseringen toegediend. Het enkele feit dat de hond erg snel, kennelijk binnen een minuut, onder narcose raakte en vrijwel direct ‘wegzakte’, heeft naar de overtuiging van het college van doen gehad met het via de bloedbaan toedienen van de narcosemiddelen en rechtvaardigt nog niet de conclusie dat er teveel narcose is toegediend. Voor het college is niet gebleken dat beklaagde onjuist heeft gehandeld qua verkozen anesthesiemiddelen en gehanteerde doseringen, die passend waren bij het gewicht van de hond.  Verder kan het voorkomen dat er bij een dier, ondanks dat het met correcte doseringen onder narcose is gebracht, nog reflexen aanwezig kunnen zijn, hetgeen hier het geval is geweest. Om die reden is door beklaagde nog intraveneus op effect een geringe hoeveelheid Propofol  toegediend, hetgeen in de gegeven situatie naar het oordeel van het college een logische en tuchtrechtelijk niet verwijtbare stap is geweest. Beklaagde heeft ook onbestreden gesteld dat de moederhond gedurende de narcose stabiel is gebleven. Naar het oordeel van het college ontbreekt ook bewijs voor de stelling van klager dat de pups ten gevolge van de aan de moederhond toegediende narcose zijn verzwakt en daardoor onvoldoende kracht zouden hebben gehad om op gang te komen. Voor zover klager erop heeft gewezen dat een andere dierenartsenpraktijk bij keizersnedes de moederhond niet onder algehele narcose brengt, betekent dit nog niet dat beklaagde daar ook voor had behoren te kiezen. Dit valt binnen de eigen beleidsvrijheid van iedere dierenarts en de werkwijze van beklaagde in deze is niet ongebruikelijk, noch tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het klachtonderdeel over de anesthesie wordt aldus ongegrond verklaard.

5.7. Voor zover klager vraagtekens heeft geplaatst bij het feit dat beklaagde tijdens de operatie de uterus buiten het lichaam op de buik van de hond heeft gelegd, heeft beklaagde toegelicht dat zij op die wijze beter zicht heeft op de baarmoeder en goed kan beoordelen wat de beste plek is voor het plaatsen van de incisie voor de operatie, alsook dat hiermee wordt voorkomen dat bij manipulatie van de baarmoeder de inhoud ervan in het abdomen zou kunnen gaan lekken, naast dat de operatiewond op die wijze gemakkelijker kan worden gehecht. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde haar werkwijze daarmee voldoende beargumenteerd en wordt deze niet als veterinair onjuist gekwalificeerd. Beklaagde heeft verder toegelicht dat de placenta’s moeilijk uit de baarmoeder loskwamen en dat deze voorzichtig door haar zijn losgemaakt. Dat er placentaplaatsen zijn gaan bloeden, betreft een vaker voorkomend verschijnsel dat zich bij een operatieve ingreep als de onderhavige voor kan doen. Beklaagde heeft hier naar het oordeel van het college correct op gereageerd door aan de hond Oxytocine toe te dienen om het bloeden te stelpen en de uterus te laten samentrekken.  Hoewel de moederhond na de operatie in verband met licht roze slijmvliezen nog enige tijd ter observatie en monitoring aan een infuus op de praktijk is gebleven, heeft het college begrepen dat ze binnen betrekkelijk korte tijd is hersteld. Op grond van het voorgaande is het uit de buik halen van de uterus tijdens de operatie naar het oordeel van het college veterinair niet onjuist en tuchtrechtelijk niet verwijtbaar geweest en ontbreekt het aan bewijs om te kunnen concluderen dat die werkwijze in verband kan worden gebracht met de complicaties die er met betrekking tot de pups zijn ontstaan.

5.8. Beklaagde heeft verder toegelicht dat de pups binnen 5 á 8 minuten uit de baarmoeder zijn gehaald. Het college trekt dit niet in twijfel, waarmee de pups binnen een aanvaardbaar tijdsbestek ter wereld zijn gekomen. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen uiteenlopen over het na de geboorte van de pups afzuigen van slijm uit de neus en de bek en de toediening van atipamezole (Antisedan), in die zin dat dit volgens klager niet direct na de geboorte is gebeurd, maar eerst enkele minuten later. In haar dupliek heeft beklaagde dit echter betwist en toegelicht dat de assistentes de pups na hun geboorte met een handdoek hebben aangenomen en al wrijvend naar een andere behandeltafel zijn gelopen, waar direct atipamezole op de tong is gedruppeld en slijm is uitgezogen met het al gereed staande afzuigapparaat, naast dat volgens de patiëntenkaart ook nog intramusculair Adrenaline is toegediend. Gelet op de betwisting daarvan door beklaagde staat voor het college niet vast dat een en ander te lang heeft geduurd. Voor wat betreft het verwijt dat de navelstrengen, ondanks het verzoek van klager, niet direct zijn afgebonden, heeft beklaagde toegelicht dat dit normaliter wel gebeurd, maar dat hier in dit geval niet voor is gekozen omdat het eerste prioriteit had dat de pups eerst zouden gaan ademen, in welke gedachtegang het college beklaagde kan volgen. Daarbij is voor het college ook niet aannemelijk geworden dat dit het opwrijven en warm houden van de pups heeft bemoeilijkt, noch dat het in een later stadium afbinden van de navelstrengen een nadelige invloed heeft gehad op de levensvatbaarheid van de pups of dat dit tot het langzaam doodbloeden van de pups zou hebben geleid, zoals klager heeft gesuggereerd. Dit betreft een speculatieve aanname die feitelijke onderbouwing mist.

5.9, Resumerend concludeert het college dat het overlijden van de pups voor klager teleurstellend moet zijn geweest. Op basis van het pathologieverslag kan echter niet worden geconcludeerd dat de werkwijze van beklaagde aan het overlijden van de pups debet is geweest, waar het college op basis van de overige stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel is dat het veterinair handelen van beklaagde binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Aldus is in de visie van het college geen sprake geweest van een veterinair tekortschieten dat tuchtrechtelijke consequenties zou moeten hebben. Dit betekent dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, en door de leden drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2021.