Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:33 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/77

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:33
Datum uitspraak: 28-04-2021
Datum publicatie: 09-07-2021
Zaaknummer(s): 2020/77
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Klachtambtenaarzaak Dierenarts wordt verweten verantwoordelijk te zijn geweest voor de incorrecte afgifte van het humane geneesmiddel Alprazolam door een paraveterinair aan een  particulier dierhoudster, die het middel aanvroeg voor haar honden, maar het middel in werkelijkheid voor eigen gebruik, in het kader van een verslaving, aanwendde. Ongegrond.

De klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,

hierna: de klachtambtenaar

tegen

X,  beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021. De gemachtigde van de  klachtambtenaar en beklaagde waren ter zitting aanwezig. Hierna is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

In het klaagschrift wordt beklaagde verweten dat zij het humane geneesmideel Alprazolam aan een particulier persoon voor één of enkele van haar honden heeft afgegeven zonder, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.5 van de Regeling diergeneeskundigen, de omstandigheden waaronder de dieren werden gehouden te kennen en zonder over een medicatiehistorie van de dieren te beschikken, waarbij ook niet was voldaan aan de voorwaarden die gelden in het kader van de ‘cascaderegeling’ als bedoeld in artikel 5.1 van het Besluit diergeneeskundigen. In repliek is de klacht in zoverre gewijzigd althans nader gespecifieerd dat beklaagde wordt verweten dat zij als dierenarts verantwoordelijk is geweest voor de incorrecte afgifte van Alprazolam door een paraveterinair aan de betreffende particulier dierhoudster. De klachtambtenaar heeft gevorderd aan beklaagde de maatregel van een berisping op te leggen.

3. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna worden ingegaan.

4. DE VOORGESCHIEDENIS

4.1. Aan de klacht ligt een berechtingsrapport van de NVWA ten grondslag. Uit dat onderzoek is gebleken dat een dierhoudster bij diverse praktijken althans vestigingen daarvan in het land, het humane geneesmiddel Alprazolam verstrekt kreeg, nadat zij dit had aangevraagd voor haar honden, die veel reisden en daarvoor angstig waren, terwijl nadien bleek dat de betreffende dierhoudster het geneesmiddel in het kader van een verslaving voor eigen gebruik aanwendde. Aangezien de dierhoudster het middel op dezelfde wijze en ook onder verschillende, valse namen bij meerdere praktijken verstrekt had gekregen, is door de NVWA onderzoek verricht naar het handelen van de diverse daarbij betrokken dierenartsen. Beklaagde is een van de dierenartsen tegen wie een onderzoek is ingesteld en die door de NVWA op 29 april 2019 is gehoord. De NVWA heeft van diverse onderzoeken berechtingsrapporten opgemaakt, die naar de klachtambtenaar zijn verzonden, die heeft besloten een aantal tuchtprocedures te entameren, waaronder de onderhavige tegen beklaagde. De klacht tegen beklaagde ziet op de volgende feiten en omstandigheden.

4.2.  Beklaagde is sinds september 2016  als dierenarts werkzaam  bij een dierenartsenpraktijk voor gezelschapsdieren, met verschillende locaties, meestal gevestigd in een dierenspeciaalzaak alwaar houders van dieren, zonder afspraak, terecht kunnen voor een consult en er op afspraak ook onder meer gebitsbehandelingen en castraties en sterilisaties van honden en katten werden uitgevoerd. Sinds 2018 bestonden de werkzaamheden van beklaagde met name uit het houden van inloopspreekuren op de diverse locaties van de praktijk, meestal zonder een dierenassistente. Beklaagde was destijds niet werkzaam op een vaste locatie van de praktijk en min of meer ambulant werkzaam op de diverse vestigingen van de praktijk.

4.3.  Op 17 september 2018 viel beklaagde in op de locatie waar normaliter haar leidinggevende werkzaam is en nam zij die dag aldaar de consulten waar. Naar het college heeft begrepen werkte beklaagde zelden op deze locatie.

4.4. De klachtambtenaar verwijt beklaagde dat op die bewuste dag op de betreffende locatie het humane geneesmiddel Alprazolam is afgegeven aan de meergenoemde dierhoudster. Uit het  berechtingsrapport heeft het college begrepen dat er op die dag 80 tablettten Alprazolam aan de dierhoudster zijn verstrekt.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorgverlening die zij had behoren te betrachten jegens een dier of dieren waarvoor haar hulp was ingeroepen, danwel of zij anderszins tekort is geschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Alprazolam betreft een humaan geneesmiddel met een angstdempende en rustgevende werking, dat op basis van de zogenoemde cascaderegeling, dus bij wege van uitzondering, in voorkomende gevallen kan worden voorgeschreven voor angstige dieren, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt althans in het verleden gebeurde voor huisdieren die angstig zijn voor vuurwerk tijdens de jaarwisseling. In dit geval werd het middel door de dierhoudster aangevraagd omdat haar honden angstig zouden zijn bij het reizen. Uit het onderzoek van de NVWA is gebleken dat dit middel in werkelijkheid door de dierhoudster voor eigen gebruik, in kader van een verslaving, werd aangewend. 

5.3. Uit de wet volgt dat het in beginsel verboden is om als dierenarts een geneesmiddel voor  een dier voor te schrijven dat niet voor de betreffende diersoort en de van toepassing zijnde aandoening is geregistreerd. Op dat verbod is onder voorwaarden een uitzondering mogelijk op grond van de zogenoemde ‘cascaderegeling’. Het college verwijst in dit geval naar artikel 5.1  van het Besluit diergeneeskundigen, dat betrekking heeft op dieren die niet voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd. Voor Aprazolam geldt dat het als humaan geneesmiddel alleen kan worden voorgeschreven ten behoeve van dieren als is voldaan aan de voorwaarden zoals die worden gesteld in het eerste lid van artikel 5.1 van het Besluit diergeneeskundigen. Daarbij moet er onder meer sprake zijn van onaanvaardbaar lijden c.q. van een veterinaire noodzaak of nadrukkelijke indicatie om het middel voor een dier voor te schrijven en van een aandoening waarvoor in Nederland geen diergeneesmiddel in de handel is gebracht. Naar vaste jurisprudentie geldt daarbij tevens dat een beroep op de cascaderegeling een gedegen afweging van de dierenarts vraagt, die gemotiveerd in schriftelijke stukken tot uiting dient te komen. Juist bij een van de registratiebeschikking afwijkende toepassing dient de veterinaire noodzaak daartoe van geval tot geval te worden beoordeeld en in verslaglegging te worden verantwoord.

5.4. Als door beklaagde gesteld en door de klachtambtenaar niet bestreden gaat het college er vanuit dat in het onderhavige geval een gediplomeerd paraveterinair het middel Alprazolam aan de betreffende dierhoudster, op ongeoorloofde wijze, heeft verstrekt. Een in het diergeneeskunderegister ingeschreven dierenartsassistent-paraveterinair is overigens in tuchtrechtelijke zin ook zelfstandig aan te spreken. De klachtambtenaar houdt beklaagde verantwoordelijk voor die ongeoorloofde afgifte, met verwijzing naar art. 3.1, eerste lid, onderdeel b, juncto art 3.2, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen, waaruit zou volgen dat het hier bedoelde handelen van de paraveterinair, te weten de toepassing (de klachtambtenaar schaart hier ook de afgifte onder) van de hier in het geding zijnde medicatie uitsluitend op aanwijzing en onder controle van een dierenarts plaatsvindt.

5.5. Het college overweegt eerstens dat de paraveterinair in beginsel als eerste norm-adressaat heeft te gelden van artikel 3.2, eerste lid van het Besluit diergeneeskundigen, waarop de klachtambtenaar zich beroept. Geheel los hiervan mag naar het oordeel van het college in ieder geval worden verwacht dat een gediplomeerd paraveterinair ervan op de hoogte is dat het voorschrijven van (dier)geneesmiddelen aan dierenartsen is voorbehouden en dat, zoals in casu, de afgifte van een humaan geneesmiddel ten behoeve van dieren op basis van de cascaderegeling alleen geoorloofd is als een dierenarts dit middel op basis van een voorafgaande eigen beoordeling voorschrijft en noodzakelijk acht.

5.6. In de bijzondere omstandigheden van het geval ziet het college onvoldoende aanleiding om beklaagde de ongeoorloofde afgifte aan te rekenen. Uit de stukken is gebleken dat beklaagde ten tijde van het voorval als junior dierenarts niet werkzaam was op een vaste locatie van de praktijk en dat zij op die bewuste dag enkel als invalster aanwezig was om consulten waar te nemen voor de leidinggevende op die locatie. Beklaagde heeft naar het oordeel van het college geloofwaardig verklaard dat, terwijl zij daarmee elders in het pand bezig was, de afgifte van het middel door de paraveterinair heeft plaatsgevonden en dat zij over de aanvraag van de dierhoudster om Alprazolam voor haar honden te verstrekken door de paraveterinair niet is geraadpleegd en niet is gevraagd om de aanvraag van de dierhoudster te beoordelen om het middel vervolgens al dan niet voor te schrijven. Het college acht voldoende aannemelijk dat de paraveterinair hierin eigenstandig te werk is gegaan, buiten het gezichtsveld en buiten medeweten van beklaagde die, zoals zij onbetwist heeft verklaard, daarover ook niet aan het einde van de werkdag of daarna is geinformeerd en hier eerst van op de hoogte is gekomen toen de NVWA geruime tijd nadien een onderzoek naar de gang van zaken instelde. Beklaagde heeft met zoveel woorden verder gesteld dat zij in haar functie niet verantwoordelijk was voor de werkinstructies of protocollen voor de dierenartsassistenten en het voert naar het oordeel van het college in dit specifieke geval te ver om beklaagde, louter vanwege haar aanwezigheid die dag op de betreffende locatie, voor de gang van zaken verantwoordelijk te houden. Het college gaat er vanuit dat beklaagde niet van de aanvraag, noch van de afgifte van het middel heeft geweten en daar persoonlijk niet bij betrokken is geweest. In die situatie en gelet op de rol van de paraveterinair in deze, voert het naar het oordeel van het college in dit specifieke geval te ver om beklaagde in tuchtrechtelijke zin te verwijten dat zij zorgvuldigheidsnormen ten aanzien van het voorschrijven van (dier)geneesmiddelen en meer specifiek de voorwaarden die gelden bij het voorschrijven van (dier)geneesmiddelen op basis van de cascaderegeling, heeft geschonden. Een en ander brengt mee dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

5.7. Ter zitting is nog aan de orde geweest dat in het berechtingsrapport van de NVWA, zoals dat in de onderhavige tuchtprocedure door de klachtambtenaar in het geding is gebracht, privégegevens en de weergave van verhoren staan vermeld van beklaagde, maar ook van andere dierenartsen. Van de zijde van de klachtambtenraar is in de stukken en ter zitting aangegeven dat dit te maken heeft gehad met het feit dat de in het berechtingsrapport genoemde dierenartsen, net als beklaagde, voor dezelfde praktijk werkzaam waren en dat er een samenhang tussen de zaken bestond, waarbij het middel binnen (andere vestigingen van) de praktijk aan de betreffende dierhoudster is verstrekt. De klachtambtenaar heeft aangegeven dat de wijze waarop een en ander in het berechtingsrapport is vastgelegd uit privacyoogpunt onzorgvuldig is geweest en dat de NVWA erop is gewezen om daar in de toekomst anders en zorgvuldiger mee om te gaan. Ter zitting is namens de klachtambtenaar aangegeven dat zij er begrip voor zou hebben indien deze handelwijze verdisconteerd zou worden in een eventueel aan beklaagde op te leggen maatregel. Aan het opleggen van een maatregel komt het college in deze zaak echter niet toe, nu de klacht ongegrond wordt verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. J.A.M. van Gils en drs. B.J.A. Langhorst-Mak, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.