Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:21 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/50

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:21
Datum uitspraak: 28-04-2021
Datum publicatie: 08-07-2021
Zaaknummer(s): 2020/50
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond met schorsing
Inhoudsindicatie: Klachtambtenaarzaak Dierenarts wordt op basis van drie berechtingsrapporten, betrekking hebbend op twee onderzoeksperioden, verweten bij de inzet van antibiotica op een (vlees)varkensbedrijf en ook anderszins niet overeenkomstig de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening te hebben gehandeld. Volgt voorwaardelijke schorsing van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,          

hierna: de klachtambtenaar

tegen

Y,                             

beklaagde

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift. Beklaagde heeft in de schriftelijk fase van de procedure geen verweer gevoerd. Bij de mondelinge behandeling is de gemachtigde van de klachtambtenaar verschenen. Beklaagde is eveneens verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, in de periode van 15 juli 2017 tot en met 21 februari 2018 en in de periode van 1 januari 2019 tot en met 7 oktober 2019 bij de inzet van antibiotica op een (vlees)varkensbedrijf niet overeenkomstig de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening te hebben gehandeld. Daarbij wordt beklaagde verweten (eerste en tweede keuze) antibiotica aan het varkensbedrijf te hebben geleverd, zulks strijdig met de UDD-maatregel zoals die sinds maart 2014 geldt en de voorwaarden voor het afleveren van antibiotica aan veehouders, zoals vervat in bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen, naast dat beklaagde antibiotica onjuist heeft geregistreerd in de sectorale databank en tekort is geschoten in zijn verslaglegging. De klachtambtenaar heeft het college verzocht aan beklaagde een onvoorwaardelijke boete van € 5.000,= op te leggen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De onderhavige zaak vindt zijn oorsprong in een door de NVWA uitgevoerd onderzoek naar aanleiding van een op 21 februari 2018 op een varkensbedrijf uitgevoerde inspectie in het kader van de naleving van het gestelde bij of krachtens de Wet dieren met betrekking tot het dierenwelzijn. Het bedrijf bleek een zogenoemde ‘één-op-één-overeenkomst’ met beklaagde te hebben, die als begeleidend dierenarts verantwoordelijk was voor de levering van de diergeneesmiddelen aan het bedrijf. Naar aanleiding van deze inspectie heeft de NVWA documenten opgevraagd bij beklaagde, waaronder bezoekrapporten, bedrijfsbegeleidingsverslagen en bedrijfsgezondheids en bedrijfsbehandelplannen. De aangeleverde documentatie heeft de NVWA aanleiding gegeven een onderzoek te starten naar het handelen van beklaagde met betrekking tot het voorschrijven, het afleveren en het (laten) toepassen van antibiotica op het bedrijf.

3.2. Het onderzoek naar het handelen van beklaagde heeft in eerste instantie betrekking gehad op de periode gelegen tussen 15 juli 2017 en 21 februari 2018. Daarvan is door de NVWA een berechtingsrapport opgemaakt met het nummer 112561. Daarin wordt het voorschrijven, het afleveren en het (laten) toepassen van Amoxycolin (REG NL 9081), Oxytetracycline HCI (REG NL 9617) en Tylogran (REG NL 10213) ter discussie gesteld. Dit betreffen antibiotica en zijn aldus UDD-gekanaliseerd, hetgeen meebrengt dat ze in beginsel alleen door de dierenarts zelf mogen worden toegepast. Oxytetracycline en tylosine, de werkzame stoffen van respectievelijk Oxytetracycline HCI en Tylogran, worden in het “Formularium Varken” van de KNMvD van juli 2012, als zijnde van toepassing in de hier in het geding zijnde periode,  als eerste keuze antibiotica beschouwd. Amoxycolin bevat als werkzame stoffen amoxicilline en colistine en dit zijn volgens het betreffende formularium tweede keuze antibiotica.

3.3. De veehouder is op 1 mei 2018 door de NVWA gehoord. Deze heeft daarbij onder meer verklaard dat alle restbiggen op de batterij standaard gedurende de eerste 5 dagen Oxytetracycline en Tylogran door het voer kregen toegediend en dat beklaagde elke maand op het bedrijf kwam of op andere momenten wanneer dat nodig was, bijvoorbeeld voor onderzoek bij diarreeklachten of als er dieren moesten worden geëuthanaseerd.

3.4. Op 17, 18 en 19 juni 2018 heeft beklaagde op verzoek aanvullende documentatie naar de NVWA gestuurd. Op basis van de verkregen informatie heeft de NVWA geconcludeerd dat met betrekking tot het voorschrijven, leveren en toepassen van Amoxycolin, Oxytetracycline HCI en Tylogran niet was voldaan aan de wettelijke voorschriften zoals opgenomen in Bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Beklaagde is door de NVWA uitgenodigd voor een verhoor, maar heeft per e-mail laten weten geen behoefte te hebben om daaraan mee te werken.

3.5. Gebleken is dat het betrokken bedrijf onder verscherpt toezicht van de NVWA stond vanwege structurele overtredingen op het gebied van het dierenwelzijn. In verband met het toezicht daarop heeft door de NVWA op 11 februari 2019 en op 23 september 2019 een (her)inspectie plaatsgevonden, waarbij de bevindingen tijdens deze inspecties ook aanleiding gaven tot een herbeoordeling van de door beklaagde aan het bedrijf geleverde en toegepaste antibiotica en is daartoe een tweede berechtingsrapport opgemaakt onder nummer 121241 en een aanvullend rapport daarop onder nummer 123068. Daarbij is de periode van 1 januari 2019 tot en met 7 oktober 2019 als controleperiode genomen . In dat kader zijn van beklaagde de bedrijfsgezondheids- en bedrijfsbehandelplannen 2019 (inclusief eventuele aanvullingen), visitebrieven, bezoekrapporten en bedrijfsbegeleidingsverslagen ter inzage gevorderd.

3.6. Beklaagde is op 5 maart 2020 door de NVWA verhoord. Beklaagde heeft daarbij onder meer verklaard dat het bedrijf met specifieke problematiek kampte, te weten met diarree bij biggen veroorzaakt door Enterococcus hirae, maar dat er verder weinig problemen waren. Volgens beklaagde was alleen Amoxycolin in combinatie met Kaopectate effectief werkzaam tegen de diarreeproblematiek. Beklaagde gaf aan dat hij het begin van het probleem vaststelde en dat de veehouder de dieren vervolgens in de gaten hield. Beklaagde verklaarde minimaal eenmaal per maand het bedrijf te bezoeken en, indien nodig, ook op andere momenten. Op de vraag van de NVWA of dit voldoende was, heeft beklaagde met zoveel woorden verklaard dat het afleggen van meer bedrijfsvisites altijd beter is, maar dat dit geen bedrijf betrof waar zodanige problemen speelden dat hij daar iedere week of elke 14 dagen zou moeten komen. Beklaagde gaf verder aan dat ondubbelzinnige identificatie van de met Amoxycolin te behandelen biggen niet mogelijk was, omdat die geen individueel nummer hebben, maar dat het om biggen ging die bij een zeug hoorden en dat dit door de veehouder werd bijgehouden. Beklaagde heeft verklaard dat Tylogran en Oxytetracycline aan het bedrijf zijn geleverd vanwege onder meer hoesten, longontsteking en soms in verband met diarree.

3.7. De NVWA heeft verder vastgesteld dat beklaagde de op het bedrijf toegepaste antibiotica onjuist registreerde in de sectorale databank. In dat kader is beklaagde opgedragen, door middel van een aan hem opgelegde last onder dwangsom, de registraties van de antibiotica in de betreffende databank aan te passen. Bij zijn verhoor op 5 maart 2020 heeft beklaagde verklaard dat het niet mogelijk was om achteraf de registraties te corrigeren en aan te passen.

3.8. De NVWA heeft met betrekking tot de beide onderzoeksperiodes geconludeerd dat door beklaagde op nagenoeg dezelfde punten niet overeenkomstig de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening is gehandeld. De bevindingen en conclusies van de NVWA zijn neergelegd in de drie genoemde berechtingsrapporten, die naar de klachtambtenaar zijn verstuurd, die heeft besloten de onderhavige tuchtprocedure te entameren.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft ter zitting verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1. Het college heeft geconstateerd dat in deze zaak geen sprake is van verjaring van feiten of van de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een klacht moet zijn ingediend. Ook voor het overige zijn geen beletselen gebleken voor het in behandeling nemen van de klacht.

Samenloop met het bestuursrecht

5.2. Door beklaagde is gewezen op het feit dat met betrekking tot hetzelfde feitencomplex ook een bestuursrechtelijk traject is ingezet. Uit de na de zitting ontvangen toelichting van de klachtambtenaar is gebleken dat aan beklaagde met betrekking tot de eerste onderzoeksperiode een bestuurlijke boete van € 7.500, is opgelegd en met betrekking tot de tweede onderzoeksperiode een bestuurlijke boete van € 5.000,. Uitgangspunt in de tuchtrechtelijke jurisprudentie, althans tot dusverre, is dat bij eenzelfde onderliggend feitencomplex en een eventuele samenloop met andere rechtsgebieden (het strafrecht of het bestuursrecht), geen strijdigheid met het ‘ne bis in idem’ beginsel wordt aangenomen. Achterliggende gedachte is dat de rechtsgebieden verschillende doelen dienen en dat een tuchtprocedure niet als punitatief van aard en niet als de behandeling van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM wordt gezien. Het tuchtrecht heeft betrekking op het individueel handelen van veterinaire zorgverleners en dient een afzonderlijk en specifiek doel, te weten het bewaken, borgen en bevorderen van de goede en zorgvuldige beroepsuitoefening. Op grond hiervan kan de tuchtklacht in behandeling worden genomen, met de aantekening dat het college rekening houdt met de uitkomsten van een tegen beklaagde geëntameerde andere procedure die op hetzelfde feitencomplex ziet, in dit geval dus met de bestuursrechtelijke boetes die reeds aan beklaagde zijn opgelegd.

Algemeen

5.3. In het licht van de resistentieproblematiek en het tegengaan van onnodig en onverantwoord antibioticagebruik, is het kanalisatieregime voor antibiotica per 1 maart 2014 aangescherpt en hebben deze diergeneesmiddelen de UDD-status gekregen. Hoofdregel is dat antibiotica slechts bij dieren mogen worden toegepast door de dierenarts zelf en dat veehouders geen antibiotica op hun bedrijf voorhanden mogen hebben. In eerdere jurisprudentie werd reeds uitgedragen dat van de dierenarts wordt verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten, als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een controleerbare verslaglegging. Vaste jurisprudentie is voorts dat het voorschrijven van diergeneesmiddelen dient te geschieden in het kader van een verantwoord behandelplan, dat in beginsel onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging omvat. Onnodig en overmatig gebruik van antibiotica kan, gelet op het resistentiegevaar, een dermate groot risico meebrengen voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het dierenwelzijn, dat alleen gekwalificeerde personen deze middelen mogen toepassen, reden waarom van de dierenarts wordt verwacht een restrictief en selectief beleid na te streven en dit adequaat te documenteren.

5.4. Voor koppelbehandelingen geldt dat ze altijd vooraf worden gegaan door tenminste een bedrijfsvisite met klinische inspectie van de te behandelen dieren door de dierenarts, waarbij een diagnose met betrekking tot de (waarschijnlijke) bacteriële infectie wordt gesteld en alsdan antibiotica kunnen worden geleverd voor een eenmalige behandeling (conform bijlage 9, onderdeel 6, tweede lid, onderdeel a van de Regeling diergeneesmiddelen).

5.5. In een aantal situaties en onder strikte voorwaarden zijn op de hoofdregel om redenen van praktische uitvoerbaarheid door de wetgever uitzonderingen toegestaan en mogen dierhouders, onder verantwoordelijkheid van en conform het behandeladvies van de dierenarts, zelf antibiotica aan hun dier(en) toedienen (vgl. artikel 2.18, tweede lid, onderdeel b en Bijlage 1, onderdeel 5, sub k, en Bijlage 9, onderdeel 2 van de Regeling diergeneesmiddelen).

5.6. Ten aanzien van varkenshouderijen (c.q. houders van meer dan 5 varkens) is het voor de behandeling van individuele dieren toegestaan dat eerste keuzemiddelen aan de veehouder worden geleverd, opdat deze tussentijds voorhanden zijn om te kunnen worden ingezet door de veehouder zelf in acute situaties ter behandeling van in het bedrijfsbehandelplan genoemde aandoeningen of ziektes die op het bedrijf voorkomen (bijlage 9, onderdeel 6, derde lid, onderdeel a, van de Regeling diergeneesmiddelen). Deze eerste keuze middelen mogen dan op het bedrijf voorhanden zijn in een hoeveelheid waarmee hoogstens 15% van de op het bedrijf aanwezige en voor de aandoening of ziekte vatbare dieren eenmalig kunnen worden behandeld (bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onderdeel b, van de Regeling diergeneesmiddelen) dan wel in de kleinst leverbare primaire verpakking. Achterliggende gedachte is dat met een dergelijke curatieve behandeling door de veehouder zelf snel kan worden gehandeld om een uitbraak van een besmetting op afdelings- of stalniveau te voorkomen.

5.7. Sinds 1 januari 2017 geldt dat tweede keuze middelen mogen worden geleverd voor drie zelf aan te wijzen bedrijfsspecifieke aandoeningen of ziekten, op te nemen in het bedrijfsbehandelplan (Bijlage 9, onderdeel 6, derde lid, onderdeel c van de Regeling diergeneesmiddelen). Bij biggen tot en met de leeftijd van acht weken dient de dierenarts binnen een periode van 14 dagen voorafgaand aan de individuele behandeling van de dieren het bedrijf te hebben bezocht en te hebben geconstateerd dat behandeling met een tweede keuze middel noodzakelijk is, waarbij een instructie wordt achtergelaten en de (mogelijk) te behandelen dieren althans het moederdier worden geïdentificeerd (Bijlage 9, onderdeel 5, zesde en zevende lid van de Regeling diergeneesmiddelen). Met betrekking tot biggen c.q. varkens ouder dan 8 weken kan sinds 1 januari 2017 worden volstaan met een contactmoment tussen de veehouder en de dierenarts, waarbij laatstgenoemde besluit of een individuele behandeling van bepaalde dieren met een tweede keuzemiddel kan plaatsvinden voor een in het bedrijfsbehandelplan opgenomen aandoening, waarbij een schriftelijke instructie voor de veehouder wordt opgesteld (Bijlage 9, onderdeel 6, vierde lid van de Regeling diergeneesmiddelen). Tweede keuzemiddelen mogen op varkensbedrijven voorhanden zijn in een maximale hoeveelheid voor de behandeling van 10% van de voor een aandoening of ziekte gevoelige varkens (Bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onderdeel c van de Regeling diergeneesmiddelen).

5.8. De wetgever heeft er met betrekking tot de levering van antibiotica aan veehouders voor gekozen vrij gedetailleerd en bindend vast te leggen waar dierenartsen tezamen met veehouders aan moeten voldoen, als vervat in de reeds genoemde bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Zo dient onder meer sprake te zijn van een ‘1 op 1’ relatie tussen de dierenarts en de veehouder, gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst, waarbij de veehouder zich verplicht om alle diergeneeskundige zorg (per diersoort) bij deze dierenarts af te nemen. Ook is deze dierenarts gehouden de veehouderij regelmatig te bezoeken, waarbij de minimumfrequentie voor varkens is bepaald op 1 keer per maand, waarvan een visiteverslag dient te worden gemaakt en waarbij de gezondheidsstatus van de dieren wordt beoordeeld en het antibioticumgebruik wordt geëvalueerd sinds het vorige verplichte periodieke bedrijfsbezoek. De dierenarts dient tezamen met de veehouder ook een jaarlijks te evalueren bedrijfsgezondheidsplan op te stellen, specifiek gericht op het bedrijf in kwestie, met daarin een analyse van de gezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf en een evaluatie van het diergeneesmiddelen- en het antibioticagebruik in het voorgaande jaar, met daarin tevens opgenomen de voorgenomen maatregelen om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren en, met een termijnstelling, tot een reductiedoelstelling van het antibioticagebruik te komen. Ook dient een bedrijfsbehandelplan te worden opgesteld, waarin onder meer wordt vermeld ten aanzien van welke aandoeningen en indicaties die er op het bedrijf voorkomen er welke diergeneesmiddelen c.q. antibiotica worden ingezet. Het college verwijst voor wat betreft het bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan naar bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen, onderdeel 6, en naar het artikel 1.28 van het Besluit houders van dieren, artikel 5.9 van het Besluit diergeneeskundigen en de artikelen 5.13, 5.14, 5.17, 5.21 en 5.22 van de Regeling diergeneeskundigen.

5.9. Bij de beoordeling van de onderhavige klacht heeft de klachtambtenaar tevens verwezen naar het onder verantwoordelijkheid van de Werkgroep Veterinair Antibioticabeleid (WVAB) van de KNMvD opgestelde ‘Formularium Varken’, en dan de versie van juli 2012, als zijnde van toepassing voor de hier in het geding zijnde periode, waarin per indicatie en orgaansysteem wordt aangegeven welke antibiotica worden beschouwd als eerste, tweede of derde keuze middelen. Amoxycolin is volgens dit Formularium een tweede keuze middel, waarvoor het “Nee, tenzij” principe geldt en de veterinaire noodzaak voor het gebruik ervan in plaats van een eerste keuze middel dient te worden onderbouwd en verantwoord, onder andere: ‘op basis van gevoeligheid van de verwekker, opgebouwde patiënt of bedrijfshistorie t.a.v. voorkomen van resistentie in dierpathogenen of klinische noodzaak indien een bacteriologisch onderzoek niet direct mogelijk is’.

5.10. In eerdere jurisprudentie van dit college is meermaals uitgedragen dat de noodzaak om antibiotica in te zetten transparant en schriftelijk dient te worden verantwoord, ook als de inzet op aanvaardbare gronden geschiedt. Meer algemeen geldt dat een adequate en controleerbare verslaglegging ook in het eigen belang van de dierenarts is, in de wetenschap dat van overheidswege toezicht en controle op de naleving van de toepasselijke voorschriften wordt gehouden. De regie over het antibioticagebruik op veehouderijen ligt bij de ‘1 op 1’ dierenarts, aan wie het is transparant inzichtelijk te maken dat restrictief en selectief antibiotica worden toegepast en onnodig gebruik wordt voorkomen.  Antibiotica mogen slechts aan veehouders worden geleverd als is voldaan aan alle voorwaarden van bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Het niet voldoen aan alle voorwaarden heeft tot gevolg dat de dierenarts de antibiotica niet aan de veehouder mag leveren en de behandeling alleen zelf mag uitvoeren.

Ten aanzien van de onderhavige zaak

5.11. Aan de orde is de vraag of beklaagde met betrekking tot de levering en inzet van antibiotica op het bedrijf in strijd heeft gehandeld met de wettelijke voorschriften alsook met de zorgvuldige beroepsuitoefening, als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2, tweede lid, van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.

Ten aanzien van de bedrijfsgezondheidsplannen en de bedrijfsbehandelplannen

5.12. Door de klachtambtenaar is met betrekking tot de bedrijfsgezondheids en bedrijfsbehandelplannen terecht opgemerkt dat deze in onvoldoende mate voldoen aan de voorschriften die voor deze plannen gelden. Zo is in de bedrijfsbehandelplannen van 2017, 2018 en 2019 niet opgenomen dat de dierenarts uitsluitend op basis van een klinische inspectie en de op grond daarvan gestelde diagnose antibiotica levert voor een eenmalige (koppel)behandeling van de dieren, noch dat de veehouder ter behandeling van in het bedrijfsbehandelplan genoemde aandoeningen of ziektes zelf kan overgaan tot individuele behandelingen. Daarnaast ontbreken bijvoorbeeld ook registratienummers van diergeneesmiddelen in de bedrijfsbehandelplannen. Overigens wordt in de bedrijfsbehandelplannen Amoxycolin vermeld ter behandeling van biggen met (speen)diarree, waar het middel niet voor is geregistreerd.

5.13. Wat de bedrijfsgezondheidsplannen betreft zijn die naar het oordeel van het college te summier en onvoldoende waar het de benoeming van de voorgenomen (niet medicinale en management) maatregelen betreft om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren en, met een termijnstelling, tot een vermindering van de toepassing van het antibioticagebruik te komen. Er is in onvoldoende mate voldaan aan het opnemen van een reductiedoelstelling, gekoppeld aan de hiervoor bedoelde maatregelen. In de bedrijfsgezondheidsplannen ontbreekt ook een toereikende onderbouwing van de veterinaire noodzaak om tweede keuze antibiotica (Amoxycolin) aan de veehouder te leveren om deze aan te wenden voor in het bedrijfsbehandelplannen opgenomen aandoeningen (zoals navelontsteking, (speen)diarree, gewrichtsontsteking). In het bedrijfsgezondheidsplan van 2019 (onder het kopje “Aanpak problemen probleemomschrijving: Diarree bij pasgeboren biggen van (vooral) gelten in het kraamhok”) staat vermeld: ““Enkel 2e keus AB gebruiken (zoals Amoxycolin en Colistine/Coldostin 4 800 000) als het niet anders kan! (Liever Parofor 140 mg./ml. oraal gebruiken)”. Een verdere toelichting c.q. onderbouwing ontbreekt. Beklaagde heeft tijdens het verhoor op 5 maart 2020 verklaard dat het bedrijfsgezondheidsplan in januari 2019 is opgemaakt en dat het daarin opnemen van een extra onderbouwing over de toepassing van tweede keuze antibiotica voor de in het bedrijfsbehandelplan genoemde aandoeningen niet nodig was vanwege de algemene omschrijving “Enkel 2e keus AB gebruiken (zoals Amoxycolin en Colistine/Coldostin 4 800 000) als het niet anders kan!”. Het college acht die notitie echter te algemeen om te kunnen dienen als een toereikende onderbouwing van de veterinaire noodzaak van het gebruik van Amoxycolin. Ook zijn de bedrijfsgezondheidsplannen onvoldoende als het gaat om de daarin opgenomen andersoortige maatregelen om de diarreeproblematiek te bestrijden en het gebruik van tweede keuze antibiotica te verminderen. Door de klachtambtenaar is terecht geconstateerd dat in het bedrijfsgezondheidsplan van 2017, 2018 en 2019 dienaangaande steeds hetzelfde is vermeld: “Overwegen om toch een coli vaccin bij de zeugen te gebruiken…”, en maatregelen bijv. “regelmatig klimaat controleren en bijregelen”, welke notities naar het oordeel van het college te algemeen en te vrijblijvend zijn en niet getuigen van een uitgedachte strategie en plan van aanpak om de problematiek daadwerkelijk structureel te bestrijden.

Bedrijfsvisites en verslaglegging

5.14. Uit de stukken leidt het college af dat beklaagde aan de maandelijks verplicht gestelde bedrijfsvisites voldeed en soms, als het nodig was, ook tussentijds het bedrijf bezocht. Echter is uit de stukken en ter zitting gebleken dat beklaagde de biggen niet eenmaal in de twee weken bezocht. Tevens concludeert het college uit de stukken dat beklaagde tijdens veel van de visites alleen de kraamhokken en afdelingen bezocht waar problemen waren. In een verslag van het maandelijkse verplicht gestelde bedrijfsbezoek dient de beoordeling van de algehele gezondheidstoestand van alle diergroepen te zijn opgenomen. Hieraan heeft beklaagde onvoldoende voldaan. Blijkens de verklaringen van de toezichthoudende dierenartsen van de NVWA waren de omstandigheden en de lichaamsconditie van diverse dieren onvoldoende (er waren bijvoorbeeld veel volwassen zeugen in een slechte conditie; het bedrijf stond ook onder toezicht), hetgeen onvoldoende in verslaglegging wordt beschreven. Ook is uit verslaglegging niet van een adequate evaluatie van het antibioticagebruik gebleken, waardoor niet duidelijk is in hoeverre de behandelingen effectief werkzaam zijn geweest. Het college is met de klachtambtenaar van oordeel dat de vaak voorkomende vermelding “Biggen met diarree in de kraamhokken behandelen met Kaopectate en Amoxycolin. Beginnen met injectie Dophatrim en Kaopectate oraal, indien ze niet goed reageren dan overschakelen op Amoxycolin. Deze aanpak werkt goed, volhouden.” in de bezoekrapporten geen toereikende evaluatie van het antibioticagebruik betreft.   Overigens wordt in een aantal bezoekrapporten uit zowel de eerste als de tweede onderzoeksperiode een andere naam vermeld dan die van beklaagde –het blijken volgens het berechtingsrapport de namen van niet dierenartsen te zijn en is niet duidelijk of en zo ja, door wie het bedrijf in die gevallen daadwerkelijk is bezocht en was beklaagde daar als de ‘1’op 1 dierenarts van het bedrijf verantwoordelijk voor.

5.15. Het college kan niet anders dan vaststellen dat er op het bedrijf in de hier in het geding zijnde periode op grote schaal antibiotica zijn geleverd en ingezet, daaronder tweede keuze antibiotica. Ter beoordeling ligt voor of daarbij aan de wettelijke voorschriften als vervat in bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen is voldaan en of door beklaagde is gehandeld overeenkomstig hetgeen van hem in het kader van de zorgvuldige beroepsuitoefening mocht worden verwacht. Het voert naar het oordeel van het college te ver om alle verwijten die de klachtambtenaar beklaagde heeft gemaakt op detailniveau te moeten bespreken, zodat het college een aantal kwesties zal uitlichten.

Met betrekking tot de inzet van Oxytetracycline HCI (REG NL 9617) en Tylogran (REG NL 10213) als koppelbehandeling

5.16. Voor zover beklaagde wordt verweten dat in de eerste pleegperiode van 15 juli 2017 tot en met 21 februari 2018 voorafgaande aan de behandeling van gespeende biggen met Oxytetracycline en Tylogran op 4 september 2017, 25 september 2017, 2 oktober 2017, 24 oktober 2017, 1 november 2017 (alleen Tylogran), 2 januari 2018, en 1 februari 2018  geen voorafgaand bedrijfsbezoek met klinische inspectie en een diagnosestelling heeft plaatsgevonden, is voor het college voldoende aannemelijk geworden, mede gelet op voorgeschreven hoeveelheden van deze middelen, dat het hier om koppelbehandelingen ging waarbij niet in alle gevallen van een voorafgaand bedrijfsbezoek met een diagnosestelling is gebleken. Daarbij baseert het college zich net als de klachtambtenaar mede op de verklaring die door de veehouder tegenover de NVWA is afgelegd, inhoudende dat Oxytetracycline en Tylogran standaard en koppelgewijs werden ingezet bij alle restbiggen op de batterij gedurende de eerste vijf dagen, waarbij deze middelen door het voer werden vermengd, hetgeen wijst op standaard preventieve behandelingen. Voor zover beklaagde heeft gesteld dat Oxytetracycline en Tylogran met name werden voorgeschreven voor biggen in de kraamstal, staat daartegenover dat uit diverse visitebrieven is gebleken dat hij deze middelen ook ter behandeling van gespeende biggen heeft voorgeschreven.  Daarnaast staan in bezoekrapporten andere namen vermeld en niet de naam van beklaagde, zodat niet duidelijk is of en zo ja wie het bedrijf op de genoemde data heeft bezocht, voorafgaande aan de inzet van de antibiotica. Beklaagde heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat hij deze middelen niet heeft geleverd aan de veehouder met de bedoeling om die standaard toe te laten dienen aan (gespeende) biggen, echter acht het college niet aannemelijk dat beklaagde niet op de hoogte zou of kon zijn geweest hoe de door hem geleverde antibiotica door de veehouder werden ingezet. Overigens is bij het onderzoek van de NVWA ook vastgesteld dat van de voorgeschreven antibiotica soms teveel werd geleverd en dat er dan een restant overbleef en niet is gebleken dat bij de volgende behandeling rekening is gehouden met de van een vorige behandeling overgebleven antibiotica, hetgeen in de hand kan werken dat de veehouder ongeoorloofde voorraden antibiotica op het bedrijf aanwezig had, waarover beklaagde de regie dient te houden.

5.17. Ook in de tweede pleegperiode van 1 januari 2019 tot en met 7 oktober 2019 heeft er blijkens de stukken niet in alle gevallen een klinische inspectie en diagnosestelling plaatsgevonden voorafgaand aan de inzet van Oxytetracycline en Tylogran, waarbij het college de klachtambtenaar volgt in de conclusie dat, mede gelet op de toegepaste doseringen, het om koppelbehandelingen ging.   Als de verklaring van beklaagde bij het verhoor op 5 maart 2020 en zijn visiteverslagen worden gevolgd, dan gebeurde het inzetten van Oxytetracycline en Tylogran met name ter behandeling van hoest c.q. respiratoire problemen en diarree bij biggen in de kraamhokken. Echter in de overgelegde visitebrieven, bijvoorbeeld die van 29 maart 2018 en 4 mei 2018, staat niet om welke dieren het ging en staat ook niet de naam van beklaagde vermeld, zodat onduidelijk is wie de inspectie en diagnosestelling heeft verricht. Overigens geldt ook voor de tweede onderzoeksperiode dat niet duidelijk is of beklaagde bij een volgende levering van antibiotica rekening hield met het op het bedrijf aanwezige restant van eerder teveel geleverde antibiotica.

5.18. Daarnaast is voldoende gebleken dat beklaagde afweek van de registratiebeschikkingen van Oxytetracycline HCI en Tylogran. In het “Aanvullend bedrijfsbehandelplan Slijters (Biggenbatterij)” is opgenomen dat Oxytetracycline HCI gelijktijdig met Tylogran werd toegepast. Daarmee is in strijd gehandeld met artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c jo. artikel 2.19, eerste en achtste lid van de Wet dieren.

Met betrekking tot de inzet van Amoxycolin (REG NL 9081) op het bedrijf

Amoxycolin voor koppelbehandelingen

5.19. De klachtambtenaar heeft gesteld dat dit tweede keuze antibioticum zonder onderbouwing op 15 juli 2017, 1 en 2 augustus 2017, 2 en 24 oktober 2017, 1 en 23 november 2017, 1 december 2017, 2 januari 2018 en 1 februari 2018 koppelgewijs werd ingezet bij dieren met diarree.

5.20. Het college stelt vast dat de veehouder tegenover de NVWA over Amoxycolin heeft verklaard:  “Dat krijgen ze, gemengd met Kaopectate, als ze diarree hebben. In 90% van de gevallen is dat een hele toom. Ik meng een flesje Amoxycolin, 100 ml, met een flesje Kaopectate, 480 ml. Van dat mengsel krijgen ze 1 cc in de bek. Als ze dit hebben gekregen worden ze minimaal 1 keer tot maximaal 4 keer nabehandeld.  Het is al lang geleden dat de dierenarts dat voor mij heeft opgeschreven, maar ik zal het zoeken en het u dan mailen”.

5.21. In het “Aanvullend Bedrijfsbehandelplan (E. Hirae) Diarree” van 2 januari 2017 staat vermeld: “Als 2 of meer biggen per toom behandeld moeten worden dan de gehele toom”’ en ook op basis van de hoeveelheid geleverde Amoxycolin, concludeert het college dat dit tweede keus middel koppelgewijs is ingezet bij biggen met diarree. Uit de verslaglegging volgt dat beklaagde dit middel herhaaldelijk heeft geleverd met als reden dat de biggen in de kraamhokken/ op de batterij diarree hadden en dat indien Kaopectate en Dophatrim onvoldoende effectief werkzaam zouden zijn, de biggen met Amoxycolin behandeld moesten worden. Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat er sprake was van Enterococcen en dat zodra een big diarree heeft, er direct gehandeld dient te worden om sterfte te voorkomen, maar dat hij niet elke twee weken bij de biggen langs is geweest. Wel zou er veel telefonisch contact met de veehouder zijn geweest. Nu het college er echter vanuit gaat dat het hier om koppelbehandelingen ging, was een voorafgaand bedrijfsbezoek met een diagnosestelling echter vereist. Voor zover beklaagde tijdens het verhoor op 5 maart 2020 heeft verklaard dat bij deze biggen eerst Kaopectate en Dophatrim in de bek werd gespoten en als de situatie na 6 uur nog niet verbeterd was, Kaopectate met Amoxycolin toegediend werd, is dit niet in overeenstemming met de verklaring van de veehouder en geldt dat de veehouder met de leveringen van de middelen in ieder geval de gelegenheid is gegeven om de dieren op de door hem gestelde wijze te behandelen en van beklaagde mocht worden verwacht van die toepassingen op de hoogte te zijn, als hij dat al niet was.

5.22. Ook in de tweede onderzoeksperiode is Amoxycolin geleverd voor koppelbehandelingen zonder dat daar altijd aantoonbaar klinische inspecties en diagnosestellingen aan vooraf zijn gegaan. Hoewel uit de stukken naar voren is gekomen dat de totale hoeveelheid Amoxycolin in die tweede onderzoeksperiode is afgenomen, heeft de klachtambtenaar terecht opgemerkt dat dit samenhangt met een verschuiving naar het gebruik van Ampisol, eveneens een tweede keuze middel. De veterinaire noodzaak voor de inzet van Amoxycolin op koppelniveau is in ieder geval ook voor deze tweede onderzoeksperiode onvoldoende onderbouwd. Beklaagde heeft blijkens de stukken (bezoekrapporten) slechts aangegeven dat indien de biggen niet goed zouden reageren op de behandeling met Dophatrim en Kaopectate en Feedmix Trim/Sul, overgeschakeld moest worden op Amoxycolin, zonder nadere onderbouwing, waar ook onvoldoende is gebleken van bacteriologische onderzoeken met antibiogrammen waaruit zou blijken dat een eerste keuze antibioticum niet effectief werkzaam was en er noodzakelijkerwijs een tweede keuze antibioticum moest worden ingezet. In het klaagschrift is in dat verband verwezen naar een bacteriologisch onderzoek met antibiogram van 8 mei 2017, waaruit gevoeligheid bleek voor het eerste keuze antibioticum Sulphamethoxazol/ Trimethoprim, dat kennelijk niet is toegepast, zonder dat duidelijk is geworden wat daar de reden van is geweest.

Amoxycolin voor individuele behandelingen

5.23.  In rov. 5.7 zijn de voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan bij de individuele behandeling van dieren met een tweede keuze antibioticum door de veehouder zelf, afhankelijk van of de dieren jonger of ouder zijn dan 8 weken.

5.24. Voor zover er leveringen voor individuele behandelingen hebben plaatsgevonden, geldt als voorwaarde dat de dierenarts de dieren tenminste eenmaal in de twee weken bezoekt en een schriftelijke instructie inzake het gebruik van het middel achterlaat waarbij in ieder geval de mogelijk te behandelen dieren ondubbelzinnig worden geïdentificeerd indien de dieren jonger zijn dan 8 weken of, indien de dieren ouder zijn, dat er een contactmoment is met de veehouder waarbij de dierenarts toestemming voor de individuele behandelingen geeft en een schriftelijke instructie met betrekking tot het gebruik van het tweede keuze middel opstelt voor de veehouder.

5.25. De klachtambtenaar heeft geconcludeerd dat Amoxycolin is ingezet bij dieren jonger dan 8 weken, aangezien de veehouder heeft verklaard dat dit middel werd gebruikt bij dieren in de kraamhokken en dat de leveringen van Amoxycolin voor individuele behandelingen niet vooraf zijn gegaan door een bedrijfsbezoek dat niet langer dan twee weken voor de behandeling heeft plaatsgevonden, waarbij de te behandelen dieren ondubbelzinnig zijn geïdentificeerd dan wel dat niet is gebleken van een contactmoment met de veehouder waar het oudere dieren betrof. Tijdens het verhoor op 5 maart 2020 heeft beklaagde verklaard dat hij minimaal een keer per maand op het bedrijf kwam en extra indien nodig, maar dat er op het bedrijf geen problemen speelden waardoor hij daar elke week of elke twee weken moest komen. Mede afgaande op die eigen verklaring van beklaagde, kan naar het oordeel van het college worden geconcludeerd dat er voorafgaande aan de individuele behandelingen geen althans onvoldoende voorafgaande bedrijfsvisites met klinische inspecties hebben plaatsgevonden, met instructies aan de veehouder over de te behandelen zieke dieren en de toe te passen doseringen, waar ook niet is aangetoond dat er steeds contactmomenten (in het geval van dieren ouder dan 8 weken) in het kader van de te verlenen toestemming hebben plaatsgevonden, met aanwijzing van de te behandelen dieren en de instructies over de toe te passen doseringen, alsook met betrekking tot het tijdstip waarop de contactmomenten zouden hebben plaatsgevonden.

5.26. Uit de registratiebeschikking van Amoxycolin blijkt dat dit middel niet is geregistreerd voor de in het Bedrijfsbehandelplan genoemde aandoening (speen)diarree. Uit de stukken is gebleken dat beklaagde zich in dat verband met zoveel woorden heeft beroepen op de cascaderegeling bij de toepassing van Amoxycolin bij diarree bij biggen afkomstig van gelten, waarbij hij als toedieningswijze heeft aangegeven: “oraal”, welke toedieningswijze in strijd is met de registratiebeschikking, waarin een intramusculaire toediening wordt voorgeschreven. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Diergeneeskundigen mag een dierenarts bij wijze van uitzondering in afwijking van de registratiebeschikking onder voorwaarden een dier behandelen met een diergeneesmiddel waarvoor een vergunning is verstrekt voor toepassing bij een andere diersoort of voor een andere aandoening bij dezelfde diersoort. Beklaagde heeft niet aangetoond dat is voldaan aan deze voorwaarden in het kader van de behandeling van diarree bij biggen in het kraamhok. De cascaderegeling ziet verder ook niet op een afwijkende wijze van toediening, noch op het mogen mengen van diergeneesmiddelen, wat eveneens in strijd is met de registratiebeschikkingen. Voor zover beklaagde heeft gesteld dat de combinatie Amoxycolin en Kaopectate een zogenoemde magistrale bereiding betrof, deelt het college de visie van de klachtambtenaar dat deze bereiding slechts kan worden toegepast, indien een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderdeel b, of onderdeel c, niet toepasbaar of beschikbaar is, hetgeen niet is aangetoond. Beklaagde heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een beroep op de cascaderegeling, die overigens op basis van vaste jurisprudentie een gedegen afweging vraagt die in schriftelijke stukken tot uiting dient te komen, hetgeen onvoldoende het geval is geweest.

5.27. Resumerend is de veterinaire noodzaak van de behandelingen met Amoxycolin op koppel en individueel niveau onvoldoende middels klinische inspecties en bacteriologische onderzoeken aangetoond en is onvoldoende gebleken dat geen eerste keuze middelen hadden kunnen worden ingezet, naast dat niet is aangetoond dat beklaagde zowel bij behandelingen op koppel en individueel niveau steeds voldeed aan de verplicht gestelde voorafgaande inspecties of contactmomenten.

Met betrekking tot de registratie van antibiotica in de sectorale databank

5.28. Voldoende vast is komen staan dat leveringen van Tylogran en Oxytetracycline in de sectorale databank ten behoeve van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (Sda) door beklaagde zijn geregistreerd voor “zeugen en gelten”, “zogende biggen (bij de zeug)’ en “varken onbekend”, terwijl de NVWA op basis van visitebrieven en de door de veehouder verstrekte informatie en administratie heeft geconcludeerd dat het behandelingen van gespeende biggen betrof en ook het college er vanuit gaat dat het hier om antibiotica voor gespeende biggen ging. Aldus is de registratie in de sectorale databank naar dierdoelgroep niet juist geweest. Door de onjuiste registratie wordt een incorrect beeld geschetst van dierdagdoseringen, die voor wat betreft de speenbiggen in werkelijkheid substantieel hoger kunnen zijn geweest. Op dit punt is in strijd gehandeld met wettelijke bepalingen (artikel 2.8 vierde lid, aanhef en onder f van de Wet dieren juncto artikel 5.8 van het Besluit diergeneeskundigen en artikel 5.11, eerste lid, van de Regeling diergeneeskundigen).

Slotsom

5.29. Op grond van het voorgaande is de klacht gegrond. Met betrekking tot de op te leggen tuchtmaatregel houdt het college rekening met de bestuursrechtelijke boetes die op grond van hetzelfde onderliggende feitencomplex terzake van met name de administratieve onvolkomenheden in beide onderzoeksperioden reeds aan beklaagde zijn opgelegd. Het college rekent beklaagde extra aan dat hij zich, na de afsluiting van het eerste onderzoek, ook in de tweede onderzoeksperiode onvoldoende aan de wet en regelgeving en zorgvuldigheidsnormen heeft gehouden en zijn werkwijze na het eerste onderzoek onvoldoende heeft verbeterd. Gelet hierop en mede gelet op eerdere tuchtrechtelijke maatregelen alsook om beklaagde aan te zetten zijn werkwijze voor de toekomst te verbeteren, acht het college na te melden maatregel passend en geboden.

6. BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

schorst beklaagde voorwaardelijk in de bevoegdheid om de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, overeenkomstig artikel 8.31, eerste lid, onderdeel e, in combinatie met lid 5 en lid 6 van de Wet dieren, welke proeftijd ingaat vanaf de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. J. Hilvering en drs. J.A.M. van Gils en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2021.