Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:18 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2021/39

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:18
Datum uitspraak: 20-04-2021
Datum publicatie: 03-05-2021
Zaaknummer(s): 2021/39
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Termijnoverschrijding. Klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu het handelen waarover wordt geklaagd meer dan 3 jaar voor de indiening van de klacht heeft plaatsgevonden en er geen valide argumenten zijn aangevoerd die de late indiening en het in behandeling nemen van de klacht  rechtvaardigen.

X,            klaagster,

tegen

Y,            beklaagde.

1. DE KLACHT

De klacht komt er naar de kern genomen op neer dat beklaagde wordt verweten dat hij veterinair nalatig heeft gehandeld bij het onderzoek en de behandeling van de hond van klaagster. 

2. DE PROCEDURE

De klacht is gedagtekend op 19 maart 2021. Bij het vooronderzoek is de verstreken lange tijdspanne gesignaleerd tussen het tijdstip waarop het vermeende nalatig handelen heeft plaatsgevonden en het tijdstip waarop de klacht is ingediend. Klaagster heeft hieromtrent in het klaagschrift een toelichting gegeven. Er heeft geen verdere schriftelijke procedure noch een hoorzitting plaatsgevonden, om redenen die hierna uiteen worden gezet.  

3. DE BEOORDELING

3.1. Alvorens kan worden toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht, heeft het college ook ambtshalve te beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. Nu tussen het tijdstip waarop het vermeende laakbaar handelen door beklaagde feitelijk heeft plaatsgevonden, in augustus 2016, en het moment waarop de klacht is ingediend, 19 maart 2021, een tijdspanne is gelegen van meer dan vier en een half jaar althans nog langer als ook de geuite verwijten met betrekking tot het handelen van beklaagde in 2013 worden meegenomen, is de vraag die als eerste dient te worden beoordeeld of er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een klacht moet zijn ingediend. Het college overweegt daarover het volgende.

3.2. Het college stelt voorop dat het veterinair tuchtrecht ten doel heeft het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en het weren en beteugelen van misslagen daarin. Met betrekking tot dit algemene belang in relatie tot de redelijke termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend, overwoog het Veterinair Beroepscollege in de uitspraak van 1 april 2014 (VB 03/14):  Dit algemeen belang is evenwel niet dermate zwaarwegend, dat het onder alle omstandigheden prevaleert boven het belang van beroepsbeoefenaren niet te worden geconfronteerd met tuchtklachten die betrekking hebben op zaken die ver in het verleden liggen. Hierbij gaat het om de bescherming van de belangenpositie van de beroepsbeoefenaar door het ook in het tuchtrecht in aanmerking te nemen beginsel van de rechtszekerheid. In verband met dit beginsel dient aan de hand van de omstandigheden van het desbetreffende geval te worden nagegaan of het rechtens aanvaardbaar is dat een tuchtklacht, die betrekking heeft op zaken die ten tijde van het indien van de klacht ver in het verleden lagen, inhoudelijk wordt beoordeeld.’

3.3. Het is aan de veterinaire tuchtcolleges om van geval tot geval te beoordelen of sprake is van termijnoverschrijding. In eerdere uitspraken heeft dit college zich meermaals over dit onderwerp uitgesproken, zoals bijvoorbeeld in VTC 2012/79 + VTC 2012/123 of in VTC 2016/21 (ECLI:NL:TDIVTC:2017:9 ). Het college overwoog daarin onder andere het volgende:

‘… Het college neemt verder tot uitgangspunt en houdt als beginsel aan dat een klacht niet ontvankelijk wordt verklaard indien het handelen of nalaten waarop de klacht ziet meer dan 3 jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden, met de aantekening dat op die uiterste termijn in bijzondere gevallen weer uitzonderingen denkbaar zijn, bijvoorbeeld indien een klager redelijkerwijs niet eerder bekend had kunnen zijn met het (mogelijk) klachtwaardig handelen en de gevolgen ervan.’

Uit eerdere beroepsuitspraken VB 13/10 + VB 13/11(ECLI:NL:TDIVBC:2014:7) volgt –vgl. rechtsoverweging 4.4 dat de hiervoor geciteerde overweging van het college door het Veterinair beroepscollege is onderschreven.

3.4. Ter toelichting op de late indiening van de klacht, heeft klaagster gesteld dat zij ten gevolge van de indiening en behandeling van een eerdere door haar ingediende drievoudige en omvangrijke klacht bij het college (klaagster doelt op VTC 2017/111, VTC 2017/112 en VTC 2017/113, uitgesproken op 29 februari 2019 (ECLI:NL:TDIVTC:2019:28), die eveneens betrekking had op de vermeende nalatige zorg aan de hond door drie andere dierenartsen, waarbij de feiten zich eveneens in augustus 2016 afspeelden, niet eerder noch parallel aan die andere procedures de onderhavige klacht heeft kunnen indienen. Klaagster stelt dat die eerdere tuchtprocedures veel tijd en werk van haar hebben gevergd, waardoor zij niet eerder de ti jd heeft gehad om de onderhavige klacht in te dienen. Overigens is tegen de genoemde eerdere uitspraken van het college waar klaagster aan refereert, hoger beroep ingesteld en heeft het Veterinair beroepscollege de beroepschriften bij uitspraken van 10 april 2020 (ECLI:NL:TDIVBC:2020:1), thans ongeveer een jaar geleden, niet-ontvankelijk verklaard.

3.5. Het college is van oordeel dat klaagster geen valide argumenten heeft aangevoerd die de late indiening van de onderhavige klacht en het in behandeling nemen ervan kunnen rechtvaardigen. Het enkele feit dat zij hiervoor niet eerder de tijd zou hebben gehad acht het college ontoereikend, noch daargelaten dat klaagster dit aan iemand anders had kunnen overlaten. Ook is niet gesteld of gebleken dat er sprake is geweest van een situatie waarin klaagster redelijkerwijs niet eerder bekend was of had kunnen zijn met het (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van beklaagde en de gevolgen ervan .

3.6. In aanmerking genomen het verstreken tijdsverloop sinds het moment waarop de feiten en gedragingen waarover thans wordt geklaagd zich hebben voorgedaan, afgezet tegen het aan de zijde van beklaagde in acht te nemen rechtszekerheidsbeginsel om na verloop van tijd geen rekening meer te hoeven houden met een tuchtprocedure, is het college van oordeel dat hier, zonder dat is gesteld of gebleken van een valide reden, onredelijk lang is gewacht met indiening van de klacht.  Klaagster zal om die reden in haar klacht niet-ontvankelijk worden verklaard. Aldus komt het college niet toe aan de inhoudelijke behandeling van de klacht.

3.7. De onderhavige uitspraak is tezamen met het klaagschrift ook aan beklaagde toegezonden, opdat laatstgenoemde daar kennis van kan nemen, ook voor het geval er door klaagster tegen de onderhavige beslissing hoger beroep wordt ingesteld.

3.8. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

4. DE BESLISSING

Het college:

verklaart klaagster in haar klacht niet ontvankelijk.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout , voorzitter, en door de leden drs. J. Hilvering, drs. M. Lockhorst, drs. J.A.M van Gils en drs. B.J.A. Langhorst Mak en uitgesproken op 20 april 2021.