Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:15 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/15

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:15
Datum uitspraak: 22-02-2021
Datum publicatie: 03-05-2021
Zaaknummer(s): 2020/15
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten onvoldoende onderzoek te hebben verricht bij een chinchilla met slikklachten. Deels gegrond. Volgt waarschuwing.

X,        klaagster,

tegen

Y,        beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 16 december 2020. Van partijen was alleen klaagster ter zitting aanwezig. Na de hoorzitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, samengevat, dat hij onvoldoende onderzoek bij een chinchilla heeft verricht en dat, als dat wel zou zijn gebeurd, het overlijden van het dier mogelijk had kunnen worden voorkomen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de chinchilla van klaagster, geboren op 1 september 2011. Op dinsdag 18 december 2018 heeft beklaagde een gebitsbehandeling bij de chinchilla uitgevoerd. Beklaagde heeft daarbij, met gebruikmaking van gasanesthesie, de kiezen in model gebracht, snijtanden van de bovenkaak scherp gemaakt en tanden ingekort. In de patiëntenkaart is genoteerd dat door klaagster vanaf de volgende dag, 19 december 2018, Metacam (een pijnstillend en ontstekingsremmend middel) moest worden toegediend en dat de chinchilla moest worden gedwangvoerd als het dier niet uit zichzelf zou eten.

3.2. Klaagster is op vrijdag 21 december 2018 wederom naar de praktijk gekomen omdat de chinchilla volgens haar niet wilde slikken, hetgeen in de patiëntenkaart ook is genoteerd als de reden voor het consult. Beklaagde heeft over dit consult in de patiëntenkaart geschreven: “buik voelt niet vol aan, geen gasvorming in de darmen, is niet benauwd, ademen normaal, geen kwijlen even behandelen met dwangvoer kijken of de chinchilla aan de gang komt. De chinchilla slikte het dwangvoer goed door”.  Klaagster heeft een andere lezing gegeven over hoe het dwangvoeren verliep en gesteld dat beklaagde het voer ‘met geweld’ naar binnen bracht en dat de chinchilla het voer nauwelijks kon slikken. Beklaagde heeft na afloop van het consult het door hem toegediende voer, ‘Juvenile Formula’, aan klaagster meegegeven. Klaagster heeft verklaard dat beklaagde aan haar te kennen heeft gegeven dat hij vermoedde dat de chinchilla spoedig zou herstellen en dat, wanneer dat niet het geval zou zijn, klaagster contact diende op te nemen met de praktijk.

3.3. Op 24 december 2018 is klaagster wederom met de chinchilla naar de praktijk gekomen omdat het dier niet at, zich niet liet dwangvoeren, verzwakt was en moeite had met ademhalen. Beklaagde heeft een röntgenfoto gemaakt en op basis daarvan geconcludeerd dat sprake was van een longontsteking of van een hartprobleem. Beklaagde heeft Bronchohexin en Novadox (ter bestrijding van respiratoire aandoeningen), Cerenia (tegen braken) en Furosoral (vochtafdrijvende medicatie) voorgeschreven.

3.4. De volgende dag, op 25 december 2018, is de chinchilla bij klaagster thuis overleden. Aangezien k laagster ontevreden was over het verloop van het consult op 21 december 2018, is zij daarover in contact getreden met beklaagde. Partijen hebben hierover – onder meer via de verzekeraar gecorrespondeerd, echter heeft dit niet tot een vergelijk geleid en de bij klaagster bestaande onvrede niet kunnen wegnemen. Op enig moment heeft klaagster de onderhavige tuchtprocedure geëntameerd.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de chinchilla van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp werd ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beantwoording van die vraag geldt naar vaste jurisprudentie dat door het college niet wordt beoordeeld of het veterinair handelen van een dierenarts achteraf bezien beter had gekund, maar dat wordt getoetst of de dierenarts in de gegeven situatie heeft gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

5.2. Het college heeft op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vastgesteld dat de klacht zich beperkt tot het door beklaagde verrichte onderzoek tijdens het consult dat op 21 december 2018 plaatsvond. Klaagster stelt dat bij dat consult onvoldoende onderzoek is verricht en dat, indien er op die dag, in plaats van op 24 december 2018, reeds nader onderzoek zou zijn uitgevoerd, de oorzaak van de klachten eerder aan het licht was gekomen en de chinchilla eerder had kunnen worden behandeld en wellicht op 25 december 2018 niet was komen te overlijden.

5.3. Beklaagde heeft in zijn verweerschrift en de dupliek met name verwezen naar hetgeen in de patiëntenkaart is genoteerd en in aanvulling daarop beschreven hoe de chinchilla op die dag at via een door hem aangeboden spuitje met voer. Over de wijze waarop het spuitje aan de chinchilla is aangeboden  -volgens beklaagde zonder de chinchilla vast te houden; volgens klaagster door de kop achterover te duwen en het spuitje diep in de keel te spuiten- en de mate waarin de chinchilla de voeding doorslikte lopen de lezingen van partijen uiteen en kunnen de feiten door het college niet met zekerheid worden vastgesteld. Hoe het ook zij, los hiervan had naar het oordeel van het college bij het consult op 21 december 2018 in ieder geval de lichaamstemperatuur van de chinchilla dienen te worden gecontroleerd, ook als beklaagde wordt gevolgd in de overige beschreven waarnemingen zoals die in de patiëntenkaart zijn genoteerd (dat de chinchilla niet benauwd was, normaal ademde en niet kwijlde). In de stukken en in de patiëntenkaart is de lichaamstemperatuur van de chinchilla nergens vermeld en ter zitting heeft klaagster verklaard dat die niet door beklaagde is gecontroleerd, hetgeen het college niet in twijfel trekt. In zoverre is het algemeen klinisch onderzoek bij het bedoelde consult onvoldoende geweest. Overigens blijkt uit de stukken ook niet dat de slijmvliezen van de chinchilla zijn beoordeeld en had dat, gelet op de slikklachten waarmee de chinchilla werd aangeboden, naar het oordeel van het college eveneens in de rede gelegen. Daarbij wordt aangetekend dat een en ander nog niet betekent dat dit dan tot de conclusie had geleid dat nader onderzoek in de vorm van het maken van een röntgenfoto op die dag reeds geïndiceerd was, noch dat het enkele dagen nadien vermoede ziektebeeld reeds op 21 december 2018 bij een nader onderzoek had kunnen worden gediagnosticeerd. In dat verband geldt dat partijen verschillende lezingen hebben gegeven over de conditie van de chinchilla en de mate waarin het dier bij het consult op 21 december 2018 in staat was tot slikken (volgens beklaagde verliep dat goed; volgens klaagster niet) en dat er geen sectie op het stoffelijk overschot van de chinchilla is verricht, waardoor er geen zekerheid bestaat over de precieze doodsoorzaak. Aldus blijft speculatief en is niet komen vast te staan dat het overlijden voorkomen had kunnen worden als er door beklaagde op 21 december 2018 nader onderzoek zou zijn verricht. Ten overvloede wordt overwogen dat het college geen aanmerkingen heeft op het bij het consult op 24 december 2018 verrichte onderzoek en de daarbij ingestelde behandeling.

5.4. Op grond van het vorenstaande is de klacht deels gegrond. Het college acht een waarschuwing een passende maatregel.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht deels gegrond, als in  5.3 beschreven;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J.A.M. van Gils, drs. J. Hilvering, en drs. B.J.A. Langhorst-Mak, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en uitgesproken op 22 februari 2021.