Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:12 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/14

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:12
Datum uitspraak: 28-01-2021
Datum publicatie: 03-05-2021
Zaaknummer(s): 2020/14
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordtverweten tekort te zijn geschoten in de verleende zorg aan een hond, nadat het dier op een opvangadres door een andere hond was gebeten en daarbij verwondingen had opgelopen. Ongegrond.    

X,      klager,

tegen

Y,     beklaagde,

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 17 december 2020. Klager was daarbij aanwezig, tezamen met zijn echtgenote. Ook beklaagde is verschenen. Na de zitting is door het college uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen,verweten dat hij tekort is geschoten in de verleende zorg aan de hond van klager, nadat het dier op een opvangadres door een andere hond was gebeten en daarbij verwondingen had opgelopen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een Cocker Spaniel, die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid, ongeveer 11,5 jaar oud was.

3.2. In augustus 2019 is klager op vakantie geweest. De hond is tijdens die vakantie ondergebracht bij een dierenpension.

3.3. Op 27 augustus 2019 is de hond door een van de andere in het pension aanwezige honden gebeten. De pensionhouderster heeft contact opgenomen met beklaagde, niet zijnde de eigen dierenarts van klager, alwaar zij omstreeks 19:30 uur terecht kon. Beklaagde heeft uiteengezet dat hij de hond heeft onderzocht en dat hij daarbij heeft vastgesteld dat de hond – zij het wat moeizaam – op vier poten liep en naast een kleine bijtwond in de nek en een iets grotere bijtwond op de voorborst, een forse diepe open wond achter het linker schouderblad had (dorso ventraal 6 à 7 centimeter), waarin tot in de diepere lagen (bos)grond zichtbaar was. Beklaagde heeft in de stukken beschreven dat hij met betrekking tot die diepe wond, onder lichte sedatie, de haren van de wondranden heeft geknipt, dat hij de wond en de wondranden heeft gespoeld en opgefrist, dat hij de pectoraalspier heeft gehecht en een penrose drain heeft aangebracht tot onder de pectoraalspier, dat hij vervolgens de huid (subcutis en cutis) heeft gesloten met boven en onder een opening voor een drain en de afvoer van wondvocht en dat hij de drain heeft vastgezet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het college af dat beklaagde de hond per injectie een antibioticum (Ampicilline) en pijnstillende c.q. ontstekingsremmende medicatie (Metacam) heeft toegediend en een antibioticum in tabletvorm (Clavaseptin) heeft meegegeven. Beklaagde heeft verder gesteld dat hij de pensionhoudster tijdens het consult mondeling instructies heeft verstrekt over onder meer het schoonhouden van de drain en het controleren van de urine/ontlasting in verband met mogelijk inwendig letsel en dat zij is gewezen op het risico van een ontsteking of het afsterven van de huid. Beklaagde heeft gesteld aan de pensionhoudster te hebben gevraagd de volgende dag of uiterlijk een dag later ter controle naar de eigen dierenarts te gaan dan wel terug te komen naar zijn praktijk.

3.4. Dezelfde dag waarop het bijtincident zich heeft voorgedaan, op 27 augustus 2019, is klager teruggekomen van vakantie. De echtgenote van klager heeft contact opgenomen met de pensionhoudster en gevraagd of de hond – in verband met een verbouwing van de woning – nog enkele dagen in het pension kon blijven. Met de pensionhoudster werd afgesproken dat de hond op 30 augustus 2019 terug naar huis zou gaan. Klager heeft in de stukken en ter zitting naar voren gebracht dat de pensionhoudster hem c.q. zijn echtgenote eerst bij de overdracht van de hond, op 30 augustus 2019, van het bijtincident op de hoogte heeft gebracht.

3.5. Op vrijdag 30 augustus 2019 is de pensionhoudster omstreeks 11.00 uur met de hond bij beklaagde op controle geweest. Beklaagde heeft in de stukken toegelicht dat hij heeft geconstateerd dat de hond geen koorts had en alle vier de poten belastte. Ter zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat de hond wel wat stijfjes liep, maar dat van daadwerkelijke kreupelheid geen sprake was. In de patiëntenkaart heeft beklaagde met betrekking tot dit consult genoteerd dat de huid ‘tegen elkaar’ zat en dat de drain, die de eerste dagen nog weinig had geproduceerd, nu wel zijn werk deed. De wond was distaal nog wel gevoelig en halverwege de wond was een kleine fistelgang zichtbaar. Beklaagde heeft besloten de drain in ieder geval tot na het weekend te laten zitten en de antibioticumkuur te verlengen. De pensionhoudster is geadviseerd om op maandag bij beklaagde terug te komen voor controle, dan wel daarvoor naar de eigen dierenarts te gaan.

3.6. Diezelfde dag heeft de pensionhoudster de hond terug gebracht naar de woning van klager. De echtgenote van klager, die op dat moment bezoek had, heeft de hond in ontvangst genomen. Zij heeft ter zitting verklaard dat de pensionhoudster bij de overdracht enkel aangaf dat de hond was gebeten, dat het niet ernstig was, dat de hond een antibioticumkuur had gekregen, dat er geen (bewegings)beperkingen waren opgelegd en dat de hond maandag weer op controle moest komen bij beklaagde. Nadat de pensionhoudster was vertrokken is de hond de tuin bij de woning ingelopen en daar gaan liggen.

3.7. Omstreeks 18:00 uur is klager thuisgekomen en heeft hij de hond in de tuin onder een plantenbak aangetroffen. De hond rilde en was volgens klager voor haar doen uitzonderlijk stil en rustig. Verder constateerde klager dat de hond een open wond had van 4 à 5 centimeter, die niet met verband was afgedekt en waaruit bloed en pus kwam, naast dat de drain los zat. Klager heeft direct contact opgenomen met beklaagde, die heeft uitgelegd hoe de hond bij hem terecht was gekomen en welke behandeling door hem was ingesteld. Daarbij heeft beklaagde aangegeven dat de wond die klager beschreef niet overeen kwam met de wond die hij tijdens het consult eerder die ochtend had gezien en beoordeeld.

3.8. Na afloop van dit telefoongesprek heeft klager contact opgenomen met de eigen dierenarts. De volgende ochtend, op 31 augustus 2019, is hij met de hond bij deze dierenarts op consult geweest. Deze dierenarts heeft daarover in de patiëntenkaart onder meer genoteerd:

‘algemeen Anamnese: Dinsdag gehecht bij een collega (…). Na een bijtwond. Drain ingehecht, maar wond is nu helemaal open.

bevindingen: Als bovenstaande. Dehiscentie wond. Purulente uitvloeiing en necrotische wondranden, sterk ondermijnd. Wond ongeveer 5 cm lang. Verder kreupel LV. Belast poot wel. Niet duidelijk afwijkend. Hechtingen allemaal los en ook drain ligt los in de wond.

diagnose: Dehiscentie wond.

advies/therapie: Omgeving wond geschoren. Necrotisch weefsel zoveel mogelijk verwijderd. Alle aanwezige losse hechtingen en drain verwijderd. De wond uitgebreid gespoeld en dermiel + verband aangebracht. Maandag opname voor opfrissen wond en wrs. sluiten met drain of flap nodig?? (…) Loopt ook kreupel LV, Rxgeindiceerd? Nu verbonden, Meneer 2x per dag thuis spoelen en zalven + verbinden + door met Clavubactin en opstarten Metacam.’

3.9. Vanaf dit moment heeft de eigen dierenarts de wondbehandeling overgenomen. Na diverse laserbehandelingen, verbandwissels en een wijziging van antibioticum, is de ontsteking uiteindelijk onder controle gekregen. Het college heeft begrepen dat de wond medio oktober volledig was gesloten. Omdat de hond mank bleef lopen zijn medio september röntgenfoto’s gemaakt, waarop een breuk in het linker schouderblad van de hond aan het licht is gekomen. De breuk is conservatief behandeld en uiteindelijk hersteld.

3.10. Op 2 september 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen over de in de ogen van klager ontoereikende zorg die beklaagde bij de consulten op 27 augustus 2019 en 30 augustus 2019 aan de hond had verleend. Dit gesprek heeft partijen niet tot elkaar gebracht. Daarop heeft klager de onderhavige tuchtprocedure geëntameerd.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het veterinair handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Verder geldt dat het college niet oordeelt over financiële aangelegenheden en dat ook klachten over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert buiten de reikwijdte van het tuchtrecht vallen.

5.2. Klager heeft diverse klachten geuit over het handelen van beklaagde met betrekking tot de consulten op 27 en 30 augustus 2019. Het college stelt voorop dat in het onderhavige geval de vaststelling van de feiten wordt bemoeilijkt, omdat niet klager maar de pensionhoudster bij de consulten aanwezig is geweest en zij daarover kennelijk slechts in beperkte mate informatie aan klager en/of zijn echtgenote heeft verstrekt.

5.3. In de avond van 27 augustus 2019 is de pensionhoudster met de hond bij beklaagde op consult geweest. Beklaagde heeft uiteengezet de hond te hebben onderzocht en daarbij – naast twee kleine verwondingen – een forse bijtwond van 6 à 7 cm achter het linkerschouderblad te hebben geconstateerd. Beklaagde stelt de wondranden te hebben geknipt om niet het risico te lopen dat haren en huidschilfers de wond verder zouden vervuilen. Het college trekt dit niet in twijfel. In de visie van het college is in een situatie als hier aan de orde ook niet per definitie veterinair onjuist om het wondgebied niet te scheren. Nu de wondranden met inbegrip van haren wél zijn geknipt, ziet het college onvoldoende aanleiding beklaagde in dit verband een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.4. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde ook niet nalatig gehandeld doordat tijdens dit consult is afgezien van het maken van een röntgenfoto. Beklaagde heeft in de stukken en ter zitting verklaard dat de hond op 27 augustus 2019 alle vier de poten kon belasten. Deze verklaring wordt ondersteund door de patiëntenkaart van de eigen dierenarts, waaruit volgt dat de hond tijdens het consult aldaar op 31 augustus 2019 de linker voorpoot belastte. Gelet hierop gaat het college er vanuit dat er ten tijde van het consult op 27 augustus 2019 geen klinische aanwijzingen waren voor een fractuur en dat er dus geen directe aanleiding bestond voor het maken van een röntgenfoto. Overigens is de eigen dierenarts eerst medio september – toen de hond mank bleef lopen – tot het maken van een röntgenfoto overgegaan.

5.5. Beklaagde stelt de wond vervolgens te hebben gespoeld en gereinigd. Dat daarbij gebruik is gemaakt van sterk verdunde peroxide of Betadine acht het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook over de wijze waarop de drain is aangebracht en de wond is gesloten (zie rov. 3.3) heeft het college geen bemerkingen, noch reden om te twijfelen aan de door beklaagde daarover gegeven uitleg. Het college gaat er verder vanuit dat de hond tijdens het consult per injectie een antibioticum (Ampicilline) toegediend heeft gekregen en dat beklaagde de pensionhoudster daarnaast een antibioticum (Clavuseptin) in tabletvorm heeft meegeven. Gelet op het risico op een infectie lag het inzetten van een antibioticum in de rede. Naar het oordeel van het college is het begrijpelijk en aanvaardbaar geweest dat beklaagde in dit stadium eerstens een breedspectrum antibioticum heeft ingezet zonder direct bacteriologisch onderzoek te doen. Beklaagde heeft de hond daarnaast per injectie Metacam (pijnstillend en ontstekingsremmend) toegediend, hetgeen in de gegeven omstandigheden eveneens in de rede lag. Hoewel het in de visie van het college normaliter de voorkeur heeft om dergelijke pijnmedicatie (oraal) voort te zetten, is niet komen vast te staan dat de hond, doordat dit niet is gebeurd, daardoor daadwerkelijk pijn heeft ondervonden (De hond kwam overigens op 30 augustus 2019 op vier poten de praktijk binnen lopen). Het college overweegt in dit verband voorts nog dat de eerder per injectie toegediende pijnstilling normaliter 24 uur werkzaam is en er door beklaagde vanuit mocht worden gegaan dat dit in eerste instantie afdoende was. Hiernaast geldt dat aan beklaagde geen pijnklachten zijn gemeld en dat de pensionhoudster was geadviseerd binnen 24 tot 48 uur ter controle langs de eigen dierenarts te gaan dan wel met hond terug te komen naar de praktijk, hetgeen niet is gebeurd. Ook op dit punt is naar het oordeel van het college niet gebleken dat beklaagde nalatig handelen kan worden verweten.

5.6. Verder is niet komen vast te staan dat beklaagde de pensionhoudster tijdens het consult op 27 augustus 2019 onvoldoende instructies heeft gegeven. Beklaagde heeft ter zitting en in de stukken toegelicht dat hij de pensionhoudster op de risico’s en mogelijke complicaties van een dergelijke grote bijtwond (infectie en afsterven weefsel) heeft gewezen en instructies heeft verstrekt omtrent het schoonhouden van de drain en de controle van de urine en de ontlasting in verband met mogelijk inwendig letsel. Het college ziet geen aanleiding dit in twijfel te trekken. Daaraan doet niet af dat het wenselijk is dat dergelijke instructies schriftelijk worden verstrekt. Het college volgt klager verder niet in diens opvatting dat beklaagde de chip van de hond had moeten uitlezen en zelf contact met klager had moeten opnemen. De hond werd beklaagde immers door de pensionhoudster aangeboden en duidelijk was dat de verwondingen direct zorg behoefden, zodat niet onlogisch was en niet verwijtbaar wordt geacht dat het contact met de pensionhoudster heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het college lag het in de gegeven situatie op de weg van de pensionhoudster met klager in contact te treden en hem over het bijtincident, de ingestelde behandeling en de gegeven instructies te informeren. Overigens is onduidelijk gebleven wat de gemaakte afspraken tussen de pensionhoudster en klager waren voor het geval de hond tijdens het verblijf op het pension diergeneeskundige zorg nodig zou hebben.

5.7. Op 30 augustus 2019 is de pensionhoudster met de hond omstreeks 11:00 uur bij beklaagde op controle geweest. Gelet op de in de patiëntenverslaglegging beschreven bevindingen, kan het college beklaagde volgen in zijn beslissing om de drain nog enkele dagen te laten zitten en de antibioticumkuur voort te zetten. Dat, zoals klager stelt, op dat moment pijnstillende medicatie had moeten worden ingezet, is voor het college niet komen vast te staan. Verder rechtvaardigt de omstandigheid dat de wond enkele uren later open stond door dat er kennelijk hechtingen waren los geraakt, nog niet de conclusie dat beklaagde het verwijt treft dat hij de hond zonder gedegen wondcontrole en met niet goed vastzittende hechtingen de praktijk heeft laten verlaten. Het college gaat ervan uit dat de hond, die na het vertrek van de pensionhoudster in de tuin was gaan liggen, niet voortdurend is geobserveerd en dat het derhalve niet uitgesloten is dat de hechtingen in de periode gelegen tussen het vertrek uit de praktijk en de thuiskomst van klager omstreeks 18:00 uur zijn losgeraakt, om wat voor reden dan ook. Op grond hiervan kan niet worden vastgesteld dat beklaagde in dit verband veterinair nalatig heeft gehandeld. Ook dit klachtonderdeel wordt afgewezen.

5.8. Voor zover nog over andere kwesties is geklaagd, vallen deze verwijten ofwel buiten de reikwijdte van het tuchtrecht, ofwel zijn deze niet komen vast te staan of van onvoldoende gewicht om daar tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

5.9. Op grond van het voorgaande wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 28 januari 2021.