Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2021:10 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/5

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2021:10
Datum uitspraak: 28-01-2021
Datum publicatie: 03-05-2021
Zaaknummer(s): 2020/5
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten tekort te zijn geschoten in de verleende zorg aan een hond, nadat uit bloedonderzoek sterk verhoogde nierwaarden waren gebleken. Ongegrond.

X,        klaagster,

tegen

Y,       beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Zowel klaagster als beklaagde waren daarbij aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, samengevat, dat zij tekort is geschoten in de zorgverlening jegens de zieke hond van klaagster, die onder meer sterk verhoogde nierwaarden had.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Mechelse herder, geboren op 5 oktober 2008.

3.2. Op 22 december 2019 is klaagster met de hond bij een collega dierenarts van beklaagde op consult geweest omdat het dier al vijf dagen niet goed wilde eten en drinken, waarbij de eerste paar dagen ook sprake was van braakklachten en daarna van diarree met slijm, naast dat de hond slomer was dan normaal. Deze collega dierenarts heeft de hond klinisch onderzocht en daarover in de patiëntenkaart genoteerd: “Mijn gevoel zegt MDT infectie. Opstarten met metrobac en cerenia. Ook omdat hond eet, en een normaal AO heeft geen echte indicatie tot acuut verder onderzoek. …”. Er zijn injecties met Cerenia en Catosal Vitamine B12 aan de hond toegediend en er is Cerenia en Metrobactin voorgeschreven.

3.3. Op 25 december 2019 is klaagster bij beklaagde op consult geweest omdat de gezondheidstoestand van de hond, die niet wilde eten en drinken, achteruit ging. Uit het klinisch onderzoek kwam onder meer naar voren dat de slijmvliezen roze, maar plakkerig waren en dat de buik bij palpatie erg gevoelig was. Beklaagde heeft geadviseerd om nader onderzoek te doen, te weten een bloedonderzoek en een echografisch onderzoek, onder meer om een baarmoederontsteking uit te sluiten. Blijkens de patiëntenkaart is er op basis van het echografisch onderzoek van het abdomen geconcludeerd dat er waarschijnlijk geen sprake was van een baarmoederontsteking en dat de blaas niet afwijkend was. Uit het bloedonderzoek bleek dat de hond sterk verhoogde nierwaarden had. In de patiëntenkaart is genoteerd dat de prognose slecht was en dat de uitslag en verschillende behandelopties, waaronder doorverwijzing (voor bijv. nader onderzoek), een operatie en een infuusbehandeling met klaagster zijn besproken. Uit de stukken is gebleken dat beklaagde telefonisch nog overleg heeft gehad met een verwijskliniek voor een (behandel)advies. Beklaagde heeft de hond omstreeks 23:45 uur nog onderzocht en daarbij onder andere geconstateerd dat de slijmvliezen iets minder plakkerig waren, de lichaamstemperatuur verlaagd was (36,8 °C), de buik soepel leek en er geen grote blaas voelbaar was. Omdat de gezondheidstoestand van de hond tijdens de opname niet wezenlijk was verbeterd en gelet op de slechte prognose, is vervolgens telefonisch met klaagster besproken dat het onzeker was of de hond de nacht zou doorkomen. In geschil is hoe laat dit gesprek precies heeft plaatsgevonden. Volgens beklaagde heeft dit gesprek rond middernacht plaatsgevonden. Volgens klaagster was dit later, ergens tussen half een en kwart voor een. Hoe het ook zij, in overleg is afgesproken om de hond op de praktijk aan het infuus te laten en dat er de volgende dag telefonisch contact zou zijn. Niet lang hierna heeft beklaagde haar dienst overgedragen aan een collega dierenarts.

3.4. De volgende dag, op 26 december 2019, heeft een collega dierenarts de hond onderzocht. Daaruit kwam onder meer naar voren dat de hond soporeus en apathisch was, de spreekkamer binnen moest worden gedragen en plakkerige slijmvliezen en een pijnlijke buik had. Er is een röntgenfoto gemaakt, waarop een “enorme blaas” te zien was, naast dat in de verslaglegging is genoteerd “Thorax lijkt alveolair patroon, mogelijk passend bij pneumonie…” Een poging om de hond te katheteriseren is niet gelukt. Gelet op de zorgwekkende situatie waarin de hond verkeerde, heeft overleg met klaagster plaatsgevonden en is besloten tot euthanasie.

3.5. Uit de patiëntenkaart volgt dat er op 30 december 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen klaagster en de collega dierenarts van beklaagde die op 26 december 2019 betrokken was bij de behandeling van de hond. Naar het college heeft begrepen heeft de volgende dag, op 31 december 2019, nog een gesprek tussen klaagster en beklaagde plaatsgevonden, dat echter niet de bij klaagster bestaande onvrede over de zorgverlening aan de hond heeft kunnen wegnemen. Op enig moment hierna heeft klaagster de onderhavige procedure geëntameerd.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beantwoording van die vraag gaat het er naar vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar om de vraag of het veterinair handelen van de dierenarts binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven, de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen. Daarnaast geldt dat in het veterinair tuchtrecht een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen veterinair handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van een collega. In dat verband gaat het college er op basis van de stukken vanuit dat beklaagde alleen op 25 december 2019, tot aan de overdracht van haar dienst aan haar collega dierenarts, bij de behandeling van de hond betrokken is geweest en ligt in deze tuchtzaak haar veterinair handelen op die dag ter beoordeling voor.  

5.2. Beklaagde wordt verweten dat zij op die bewuste dag, 25 december 2019, aan de hond te veel infuusvloeistof heeft toegediend, onvoldoende heeft gecontroleerd of de hond wel kon plassen of geplast had en dat zij ten onrechte geen urinekatheter heeft aangebracht, als gevolg waarvan de hond onnodig heeft geleden voordat het dier de volgende dag is geëuthanaseerd.

5.3. Het college stelt allereerst vast dat na het overlijden van de hond geen sectie is verricht. Hierdoor bestaat er geen zekerheid over de precieze oorzaak die tot de op 26 december 2019 geconstateerde verslechtering en het besluit tot euthanasie heeft geleid, behoudens dat vast staat dat er sprake was van ernstig nierfalen. Dit neemt niet weg dat het college zal hebben te beoordelen of beklaagde in veterinair opzicht onjuist of nalatig heeft gehandeld.

5.4. Het college deelt de visie van beklaagde dat nierfalen een ernstige aandoening betreft met een slechte prognose. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over de aan klaagster verstrekte adviezen na het bekend worden van de afwijkende nierwaarden uiteen lopen, in die zin dat volgens klaagster is besloten om de hond eerst te ‘spoelen’ middels een infuusbehandeling en dat de volgende dag beoordeeld zou worden welke vervolgstappen genomen zouden worden, waarbij de optie van doorverwijzing niet uitgesloten was. Volgens beklaagde zijn met klaagster op die bewuste dag reeds verschillende behandelopties besproken, daaronder een verwijzing of een operatie, maar dat klaagster dit niet wilde vanwege de hoge leeftijd van de hond. Hoe het ook zij, vast staat in ieder geval dat in overleg met klaagster is besloten om de hond op 25 december 2019 niet door te verwijzen, maar om de hond voor de nacht op de praktijk te laten blijven. Gelet op de afwijkende nierwaarden, de plakkerige slijmvliezen en de geconstateerde uitdrogingsverschijnselen, lag de ingestelde infuusbehandeling in de rede, in een poging om de gezondheidssituatie van de hond, al dan niet tijdelijk, te stabiliseren c.q. te verbeteren. Het college heeft geen aanwijzingen om te twijfelen aan de door beklaagde gegeven toelichting dat zij daarbij een infuuszak van 1 liter Ringer vloeistof (80 ml/uur) heeft aangesloten en aan het einde van haar dienst deze op dat moment bijna lege zak heeft vervangen door een nieuwe zak met dezelfde inhoud. Daar vanuit gaande kan niet worden geconcludeerd dat er door beklaagde teveel c.q. overmatig infuusvloeistof aan de hond is toegediend. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.5. Vast staat dat beklaagde op die bewuste dag diverse onderzoeken heeft uitgevoerd, waaruit in ieder geval nierinsufficiëntie naar voren is gekomen. Uit de stukken volgt dat op de gemaakte echografie van het abdomen een “normale blaas, matig gevuld” te zien was en dat beklaagde de hond in de avond nog klinisch heeft onderzocht en omstreeks 23:45 uur nog de buik heeft gepalpeerd, waarbij er geen grote blaas voelbaar was. Ter zitting heeft beklaagde toegelicht dat zij er op basis van het eerder die dag uitgevoerde echografisch onderzoek en de buikpalpatie kort voor middernacht, vanuit is gegaan dat de hond geen problemen had met plassen en dat er geen sprake was van een overvulde blaas of van anurie. Bij gebrek aan bewijs voor het tegendeel volgt het college beklaagde in haar stelling dat het aanbrengen van een urinekatheter in de door haar geschetste omstandigheden niet direct geïndiceerd was.

5.6. Duidelijk is dat de volgende dag, op 26 december 2019, de gezondheidssituatie van de hond bleek te zijn verslechterd en dat toen door een collega dierenarts middels een röntgenfoto is geconstateerd dat de blaas van de hond erg groot en bij het uitoefenen van druk daarop pijnlijk was en dat katheterisatie niet mogelijk bleek. Mede omdat er geen sectie is uitgevoerd, kan niet bewezen worden geacht dat de verslechtering van de gezondheidssituatie en het overlijden van de hond voorkomen hadden kunnen worden althans dat het handelen van beklaagde debet is geweest aan het feit dat de gezondheidstoestand van de hond de volgende dag zodanig bleek te zijn verslechterd dat moest worden besloten tot euthanasie. Overigens is beklaagde in haar communicatie naar klaagster zorgvuldig geweest door haar er op te wijzen dat de situatie, met name gelet op het nierfalen, zorgelijk was en dat de kans bestond dat de hond de nacht niet zou doorkomen, in welk kader zij nog overleg heeft gevoerd met een gespecialiseerde kliniek. In samenspraak met klaagster is besloten de hond op de praktijk aan een infuus te laten, waarna de volgende dag de situatie opnieuw zou worden beoordeeld.

5.7.  Als hiervoor reeds is overwogen heeft het college niet kunnen concluderen dat de hond teveel infuusvloeistof door beklaagde toegediend heeft gekregen en gaat het college er op basis van de door beklaagde beschreven onderzoeksbevindingen omstreeks 23:45 uur vanuit dat voor het plaatsen van een urinekatheter op dat moment geen directe indicatie bestond. Aldus wordt onvoldoende aanleiding gezien beklaagde veterinair onjuist of nalatig handelen te verwijten dat een tuchtrechtelijke sanctie zou rechtvaardigen.

5.8. Ten aanzien van het verwijt dat het lang duurde voordat klaagster de patiëntenkaart kreeg en zij geen hokkaart heeft ontvangen, betreft dit niet het veterinair technisch handelen van beklaagde en rechtvaardigt dit ook nog niet de conclusie dat beklaagde zaken te verbergen zou hebben en onjuistheden in de patiëntenkaart heeft genoteerd. Daarvoor heeft het college geen  concrete aanwijzingen.

.

5.9.  Op grond van het vorenstaande wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 28 januari 2021.