Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2021:60 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200221

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2021:60
Datum uitspraak: 09-04-2021
Datum publicatie: 13-04-2021
Zaaknummer(s): 200221
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Het hoger beroep is beperkt tot de klacht voor zover deze betrekking heeft op de behartiging van de belangen van klaagster. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Verweerder heeft in opdracht van de bewindvoerder van klaagster een kort geding tegen de kinderen van klaagster aanhangig gemaakt en ontruiming van de woning van klaagster door de kinderen gevorderd. Verweerder mocht daarbij afgaan op de opdracht en de informatie die de bewindvoerder hem verstrekte, tenzij dat niet in het belang van klaagster zou zijn. Met de raad is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verweerder de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd. Bekrachtiging van de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

BESLISSING

van 9 april 2021

in de zaak 200221

naar aanleiding van het hoger beroep van :

klaagster

tegen

verweerder

1        DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

1.1        Het hof verwijst naar de beslissing van 7 september 2020 van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort ’s-Hertogenbosch (zaaknummer: 20-049/DB/LI). In deze beslissing is de klacht door de raad niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze betrekking heeft op het optreden van verweerder jegens de kinderen van klaagster. Voor het overige is de klacht door de raad ongegrond verklaard.

1.2        Deze beslissing is als ECLI:NL:TADRSHE:2020:65 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2        DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1        Het beroepschrift dat namens klaagster tegen de beslissing van de raad is ingediend, is op 3 oktober 2020 per e-mail en op 7 oktober 2020 per post ontvangen door de griffie van het hof. 

2.2        Verder bevat het dossier van het hof:

-        de stukken van de raad;

-        het verweerschrift van verweerder.

2.3        Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 februari 2021. De gemachtigde van klaagster, te weten: haar zoon, [naam zoon klaagster], wonende te [plaatsnaam], Duitsland, heeft telefonisch deelgenomen aan de mondelinge behandeling. Verweerder is verschenen ter zitting.

3        KLACHT

3.1        De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar

heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder, voor zover in hoger beroep nog van belang, het volgende.

Verweerder heeft de belangen van klaagster niet naar behoren behartigd. Verweerder heeft ten onrechte een kort geding tot ontruiming aangespannen tegen de kinderen van klaagster, waardoor klaagster haar woning kwijt is, zij een schuld heeft van € 10.000,00 en eigen bijdragen heeft moeten betalen, hetgeen tot vermogensrechtelijk voordeel van verweerder heeft geleid.

4        FEITEN

4.1        Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de volgende feiten.

4.2        Klaagster is ingevolge de beschikking van de rechtbank op 30 december 2016 in een verpleeginrichting opgenomen. De rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2017 machtiging verleend voor opname in een verpleeginrichting voor de periode van 20 januari 2017 tot 20 juli 2017.

4.3        Bij beschikking van de kantonrechter van 13 juli 2017 zijn de goederen van klaagster onder bewind gesteld en is ten behoeve van klaagster een mentorschap ingesteld.

4.4        Klaagster was huurder van een woning. Zij woonde daar samen met haar twee meerderjarige kinderen, waaronder haar gemachtigde. De kinderen van klaagster waren geen mede- of onderhuurders van de woning. De bewindvoerder heeft op 21 juli 2017 de huur van de door klaagster gehuurde woning opgezegd per 21 augustus 2017. De bewindvoerder heeft in december 2017 een kort geding tegen de kinderen van klaagster aanhangig gemaakt en ontruiming van de woning gevorderd. De voorzieningenrechter heeft bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaard - vonnis van 3 januari 2018 de kinderen van klaagster veroordeeld de woning binnen twee maanden te ontruimen. Verweerder heeft in deze procedure de bewindvoerder als advocaat bijgestaan.

4.5        De zoon van klaagster heeft op 26 mei 2019 een klacht over verweerder bij de deken ingediend. De zoon van klaagster heeft daartoe een machtiging van klaagster van 18 mei 2019 overgelegd.

4.6        De klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder heeft per e-mail van 6 juni 2019 aan de bewindvoerder verzocht hem te berichten of zij de zoon van klaagster had gemachtigd dan wel aan klaagster toestemming had gegeven om via haar zoon een klacht tegen verweerder in te dienen. De bewindvoerder schreef per e-mail van 6 juni 2019 het volgende: “Door ons is geen goedkeuring verleend tot het inschakelen van een advocaat aan mevrouw dan wel een machtiging aan zoon of dochter.” De bewindvoerder heeft per e-mail van 24 februari 2020 desgevraagd het volgende aan verweerder geschreven: “Hierbij laat ik je weten dat wij als (…..) bewind vinden dat de belangen inzake de huurkwestie rondom de zaak (naam klaagster) goed zijn behartigd. Wij hebben geen toestemming dan wel volmacht afgegeven dat de kinderen namens hun moeder (naam klaagster) een klacht konden indienen bij de orde van advocaten, wij staan hier ook niet achter. Kijkend naar de medische gegevens (dementie) en dagrapportage over de gesteldheid is (naam klaagster) niet in staat haar kinderen te verzoeken een klacht in te dienen, zij zal niet weten waar deze zaak over gaat.”

5        BEOORDELING

omvang hoger beroep

5.1        In het namens klaagster ingediende beroepschrift zijn geen beroepsgronden aangevoerd tegen de beslissing van de raad om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze betrekking heeft op het optreden van verweerder jegens de kinderen van klaagster. Desgevraagd heeft de gemachtigde van klaagster ter zitting bevestigd dat het hoger beroep zich beperkt tot de klacht voor zover deze betrekking heeft op de behartiging van de belangen van klaagster.

overwegingen raad

5.2        De raad heeft, kort gezegd, overwogen en geoordeeld als volgt. De klacht heeft betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening. De tuchtrechter heeft gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daar over klaagt. Wel zal de tuchtrechter rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Verweerder heeft in opdracht van de bewindvoerder van klaagster een kort geding tegen de kinderen van klaagster aanhangig gemaakt en ontruiming van de woning van klaagster door de kinderen gevorderd. De raad kan op grond van de aan de raad overgelegde stukken niet vaststellen dat verweerder de belangen van klaagster daarbij niet naar behoren heeft behartigd. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet op grond van welke omstandigheden keuzes zijn gemaakt. Verweerder heeft namens klaagster ontruiming van de woning door de kinderen van klaagster gevorderd, welke vordering is toegewezen. Niet valt in te zien dat verweerder hiermee de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd.

beroepsgronden

5.3        Namens klaagster is aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in de ongegrondverklaring van de klacht. De gemachtigde van klaagster heeft in dat verband, kort gezegd, aangevoerd dat de ontruimingsprocedure in strijd met het belang van klaagster is gevoerd. Bij vonnis in kort geding van 3 januari 2018 zijn de kinderen van klaagster veroordeeld haar woning binnen twee maanden te ontruimen. Op 11 januari 2018 liep de aan klaagster verstrekte rechterlijke machtiging tot gedwongen verblijf in een zorglocatie te Venlo af en klaagster zou weer in haar woning kunnen gaan wonen als er afspraken gemaakt zouden worden met betrekking tot de zorg in de thuissituatie. Afspraken bleven echter uit, mede door toedoen van de bewindvoerder. Verweerder was zich ervan bewust dat de ontruimingsprocedure slechts tot doel had de woning te laten ontruimen en dat daarmee aan klaagster de mogelijkheid tot terugkeer naar haar woning werd ontnomen. Verweerder heeft alleen in het belang van de bewindvoerder, maar niet in het belang van klaagster gehandeld, aldus de gemachtigde van klaagster.

verweer in beroep

5.4        Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Dat verweer wordt bij de beoordeling besproken voor zover van belang.

maatstaf en beoordeling

5.5        Het hof stelt voorop dat de raad de juiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van deze zaak.

5.6        Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Hetgeen in hoger beroep nog (aanvullend) naar voren is gebracht, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

5.7        Verweerder heeft in opdracht van de bewindvoerder van klaagster een kort geding tegen de kinderen van klaagster aanhangig gemaakt en ontruiming van de woning van klaagster door de kinderen gevorderd. Verweerder mocht daarbij afgaan op de opdracht en de informatie die de bewindvoerder hem verstrekte, tenzij dat niet in het belang van klaagster zou zijn. Met de raad is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verweerder de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd.

5.8        Klaagster verliest met haar klacht uit het oog dat de huurovereenkomst van haar woning al op 21 juli 2017 door de bewindvoerder was opgezegd. Vast staat dat verweerder op dat moment nog niet door de bewindvoerder was ingeschakeld als advocaat. Verweerder trad ten tijde van de huuropzegging (nog) niet op voor klaagster. Uit de door verweerder in het geding gebrachte e-mail van 19 december 2017 van (de advocaat van) de verhuurder van de woning blijkt voorts dat de verhuurder klaagster aan de opzegging hield. De verhuurder was niet langer bereid te komen tot een constructie waarbij de kinderen van klaagster in de woning konden blijven wonen en de verhuurder heeft de bewindvoerder verzocht respectievelijk gesommeerd de woning te ontruimen en leeg aan de verhuurder op te leveren. De huuropzegging was dan ook al onomkeerbaar vóórdat verweerder opdracht van de bewindvoerder kreeg om in kort geding veroordeling van de kinderen van klaagster tot ontruiming te vorderen. Reeds op grond daarvan falen de verwijten aan verweerder. Het zou onder omstandigheden anders kunnen zijn, indien het voor verweerder ten tijde van de opdracht aan hem door de bewindvoerder evident zou zijn dat die opdracht in strijd met de belangen van klaagster zou zijn gegeven. In dit geval is dat niet aan de orde. Integendeel, de stand van zaken was immers dat klaagster gehouden was de woning leeg en ontruimd op te leveren. Het niet nakomen van die verplichting zou tot aansprakelijkheid van klaagster leiden.

Aan hetgeen overigens namens klaagster is aangevoerd, gaat het hof voorbij als niet, althans onvoldoende, onderbouwd.

5.9        Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beoordeling van de raad bekrachtigen.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 7 september 2020 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 20-049/DB/LI, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter,  mrs. M.A. Wabeke en G.J.K. Elsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Lauvenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.

griffier        voorzitter            

De beslissing is verzonden op 9 april 2021.