Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2021:219 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210174

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2021:219
Datum uitspraak: 26-11-2021
Datum publicatie: 30-11-2021
Zaaknummer(s): 210174
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Bekrachtiging beslissing raad. Klacht van de wederpartij over verkeerde procedure, onjuistheden in processtukken en onnodig grievende handelingen en uitlatingen ongegrond. Verweerster heeft gehandeld binnen de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt.

BESLISSING

van 26 november 2021

in de zaak 210174

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerster

1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 17 mei 2021 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) in de zaak met nummer 20-722/AL/OV. De raad heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2021:121 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.


2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing van de raad is op 28 mei 2021 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
-  het verweerschrift van verweerster;
-  de e-mail met bijlage van de gemachtigde van klager van 8 september 2021;
-  de e-mail met bijlagen van verweerster van 20 september 2021.
 
2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 oktober 2021. Daar is verweerster verschenen. De gemachtigde, tevens levenspartner van klager, heeft de griffie van het hof na afloop van de zitting laten weten dat het haar te veel werd en dat ze daarom niet ter zitting is verschenen. Verweerster heeft haar standpunt mondeling toegelicht.


3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de door de raad vastgestelde feiten, met een aanvulling in 3.3.

3.2 Tussen klager en zijn ex-partner is op 18 mei 2000 de echtscheiding uitgesproken.
Daarna is de echtscheidingsbeschikking, met daaraan gehecht het overeengekomen echtscheidingsconvenant op 19 juni 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk tussen klager en zijn ex-partner is één zoon geboren.

3.3 In artikel 3 van het echtscheidingsconvenant (“Alimentatie kind”) is onder meer bepaald:
“Voorts zullen partijen bewerkstelligen dat het kind wordt aangewezen als eerste begunstigde van een polis bij [verzekeraar, soort lijfrente en certificaatnummer], terwijl partijen tezamen als tweede begunstigde zullen worden aangewezen.” 
Het betreft gelden die in 2017 zouden vrijkomen uit een lijfrenteplan. Nadat was gebleken dat de begunstiging niet kon worden gewijzigd, hebben partijen over de gewenste bestemming van de gelden in 2001 nader gecorrespondeerd. Over de in 2017 door klager uit deze polis ontvangen gelden is tussen klager en zijn ex-partner een geschil gerezen. Verweerster staat de ex-partner in dit geschil bij.

3.4 Bij brief van 17 september 2018 aan klager heeft verweerster onder andere geschreven:
 “(…) Los van het feit of u hier nu wel of geen afspraken heeft gemaakt, zou u zich sowieso geroepen kunnen voelen om bij te dragen in de studie van uw zoon, vanuit uw verantwoordelijkheid als vader. (…)”
3.5 Op 4 juli 2019 heeft verweerster, namens haar cliënte, klager gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland. In de dagvaarding is onder andere opgenomen:
 “(…)
 5. Partijen hebben geen afspraken gemaakt over partneralimentatie, [ex-partner] heeft er voor gekozen om daar geen aanspraak op te maken. Voorwaarde voor [ex-partner] om af te zien van deze aanspraak, was dat er goede afspraken werden gemaakt ten behoeve van [de zoon]. Helaas zijn deze afspraken door [klager] echter niet nagekomen.
 6. Al vrij snel nadat partijen gescheiden zijn is [klager] naar [stad] verhuisd (terwijl de afspraak was dat hij in [dorp] zou blijven wonen ten behoeve van de omgang met [de zoon] en heeft hij weinig tot geen aandeel gehad in de kosten van het levensonderhoud van [de zoon].
 (…)
 11. Deze afspraak is tevens door [klager] aan de notaris bevestigd bij brief van 22 juli 2001 (productie 7), waarin door [klager] wordt aangegeven dat:
 “Zoals u echter aangeeft is de begunstiging ook irrelevant, aangezien wat mij betreft de afspraak dat de uitkering van dit spaarplan bestemd is voor de studie van [de zoon] van kracht blijft”.
 (…)
 15. [Ex-partner] heeft haar deel, een bedrag ad. € 2.356,21 ontvangen
 (…)
 22. (…) Bij gebreke aan betere wetenschap vordert [ex-partner] een bedrag van € 20.000,00. (…)
 Inzage in inkomens- en vermogensgegevens
 25. [Ex-partner] heeft ten tijde van de echtscheiding ingestemd met een veel lagere kinderalimentatie dan waartoe gedaagde draagkracht en [ex-partner] behoefte had, omdat partijen destijds met elkaar de afspraak hadden gemaakt dat zowel [klager] als [ex-partner] in [dorp] zouden blijven wonen vanwege de zorg voor [de zoon]. (…) Echter, dit co-ouderschap is helaas niet mogelijk gebleken omdat [klager] al snel na de echtscheiding heeft besloten om naar [stad] te verhuizen. Dit zonder erbij stil te staan wat voor gevolgen dit zou hebben voor [de zoon] en de financiële gevolgen voor [ex-partner].
 26. (…) [Ex-partner] heeft hier verder geen energie in gestoken, wetend dat [klager] hiertoe niet zou overgaan.
 27. [Ex-partner] neemt het [klager] kwalijk dat hij op een dergelijke manier met haar en [zoon] is omgegaan. Ondanks het feit dat partijen hebben getracht om goede afspraken te maken met betrekking tot de zorg en omgang ten aanzien van [de zoon] is [klager] al deze afspraken niet nagekomen. Dit met als gevolg dat [klager] en [de zoon] elkaar al gauw veel minder zijn gaan zien en de omgang vrij weinig tot niets voorstelde. (…)
 28. [De zoon] is inmiddels volwassen en studeert inmiddels ook. (…)”
3.6   Bij bericht van 24 juli 2019 is positief beslist op de door verweerster voor de ex-partner aangevraagde toevoeging. Als zaakcode/zaakaanduiding is vermeld: O030 geschil verbintenissenrecht.
3.7    In de conclusie van antwoord in incident van verweerster van 10 september 2019 is onder meer opgenomen:
 “(…)
 4. De vrouw heeft een bedrag genoemd in de zin van een schatting, waarbij expliciet is aangegeven dat het haar niet bekend is om welk bedrag het gaat, omdat de man die informatie niet verstrekt. Op grond van art. 93 lid b Rv, behandelt de kantonrechter alleen dan zaken van onbepaalde waarde, als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Die aanwijzingen zijn er niet, laat staat dat het een duidelijke aanwijzing zou zijn. (…)
 5. Nu de vordering (1) ziet op een afspraak die in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is gemaakt en als zodanig is vast gelegd in het echtscheidingsconvenant is en (2) van onbepaalde waarde is, omdat de man geen inzage heeft verstrekt in de hoogte van het hem toegevallen bedrag, is de rechtbank bevoegd om van de vordering van [ex-partner] kennis te nemen.
 (…)
 9. Het is juist dat [de zoon] 23 jaar oud is. Het is ook juist dat de man aan zijn kinderalimentatieverplichtingen heeft voldaan. N.B. tot op de dag nauwkeurig: [de zoon] is op [datum] 21 geworden, de man heeft alimentatie betaalt tot die dag. Overigens is het bedrag aan kinderalimentatie fors lager dan waartoe de man draagkracht had. Daarmee heeft [ex-partner] ingestemd, omdat zij vooral wilde dat [de zoon] het contact met zijn vader zou behouden.
 10. [De zoon] is na zijn middelbare school begonnen aan een vervolgopleiding, maar zonder een financiële bijdrage van zijn vader redde hij dat financieel niet. Hij had gerekend op het geld dat vanuit de lijfrentepolis zou komen, zodat hij niet om een aanvullende bijdrage van zijn vader zou hoeven vragen. Om een aanvullende beurs van DUO te krijgen, stelt DUO als eis dat een student aantoont dat de relatie zodanig verstoord is, dat van de student niet te vergen valt een bijdrage aan vader te vragen. Zo ver wilde [de zoon] niet gaan, ook omdat hij vóór alles graag wil dat er een prettige vader/zoon relatie is/zou kunnen ontstaan. Deze twee zaken hebben gemaakt dat hij niet om een bijdrage heeft gevraagd.
 11. [De zoon] is zodanig in de financiële problemen beland door het uitblijven van de uitkering van vader uit de lijfrentepolis, dat hij heeft moeten stoppen met zijn studie en aan het werk is gegaan. Het klopt dat hij bij [werkgever] werkt, het klopt niet dat hij mede-eigenaar is van een speelgoedwebshop.
 (…)
 13. Zij hecht er wel aan dat de raadsvrouwe het hierboven onder randnummer 9-11 naar voren gebrachte onder de aandacht van de man brengt via deze wijze. (…) Het steekt [ex-partner] dat de man zijn verantwoordelijkheid hierin als ouder van [de zoon] niet wil nemen. Niet op basis van de afspraken die zijn gemaakt, maar ook niet vanuit een eigen verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn zoon.
 14. De man geeft in zijn stuk aan dat de vrouw hem op kosten zou jagen, maar dat is op zijn zachtst gezegd de wereld op zijn kop. Immers, als de man zich simpelweg aan de afspraken zou hebben gehouden die partijen in het kader van de echtscheiding hebben gemaakt en hebben vast gelegd in een convenant, was deze procedure helemaal niet nodig geweest. (…) en [ex-partner] samen met [de zoon] al de grootst mogelijke moeite heeft om het hoofd financieel boven water te houden, gezien de financiële problemen die tijdens de studie van [zoon] zijn ontstaan. [Ex-partner] en [de zoon] leven onder het bestaansminimum, het einde daarvan is nog niet in zicht. (…)”
3.8   Op 10 oktober 2019 is de zoon overleden.
3.9   Op 11 februari 2020 heeft verweerster producties ingediend ten behoeve van de comparitie van de volgende dag, waaronder een factuur van de uitvaart en een declaratie van een notaris.
3.10   Op 12 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank Noord-Nederland. In het proces-verbaal is onder meer opgenomen:
 “(…) De rechter heeft de vrouw en de advocaten voorgehouden dat het zich laat aanzien dat de procedure is ingeleid met een verkeerd processtuk. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad is in alimentatiezaken de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven ook als tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten, aldus de rechter.
 Verder is besproken dat nakoming is verlangd van een alimentatieovereenkomst waarin het gaat om een beding dat partijen destijds ten behoeve van hun toen nog minderjarige zoon zijn overeengekomen. Zij hebben dat beding naar het oordeel van de rechter ten behoeve van hun zoon geaccepteerd.
 De rechter heeft de vrouw en de advocaten voorgehouden dat het zich laat aanzien dat sprake is van een derdenbeding waarvan de nakoming alleen kan worden gevorderd door de op 16 januari 2017 meerderjarig geworden zoon van partijen.
 De rechter heeft de advocaat en de vrouw ook voorgehouden dat gelet op het overlijden van de zoon op 10 oktober 2019, het hoe dan ook de vraag is of de vrouw, die de vordering op eigen naam heeft ingesteld, de procedure, ongewijzigd, kan voortzetten.
 Tijdens de mondelinge behandeling is verder aan de orde gekomen dat partijen in onzekerheid verkeren over de hoogte van de uitkering die de man van [verzekering] heeft ontvangen en waarvan de vrouw stelt dat die aan de zoon van partijen toekomt.
 Teneinde de onzekerheid daarover te beëindigen zijn tijdens de mondelinge behandeling een tweetal stukken in het geding gebracht
 (…)
 Na hervatting van de behandeling verklaren de advocaten, samengevat, weergegeven, dat partijen de huidige procedure niet wensen voort te zetten en verzoeken zij de rechtbank deze door te halen. De beide advocaten verklaren verder dat partijen ervoor kiezen om het geschil vrijwillig voor te leggen aan de kantonrechter, die dan voor hen in hoogste instantie gaat beslissen, in die zin dat partijen kiezen voor de toepasselijkheid van artikel 96 lid 2 Rechtsvordering en het de vrouw vrijstaat de vordering voor te leggen aan de kantonrechter. (…)”
3.11  Na afloop van de comparitie heeft de ex-partner een enveloppe aangeboden aan klagers advocaat. Deze enveloppe is niet aangenomen. Een dag later heeft klagers advocaat per e-mail aan verweerster laten weten dat klager de aangeboden enveloppe graag zou ontvangen. De enveloppe is niet aan klager verstrekt.
3.12  Op 25 februari 2020 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerster. In reactie op de klacht heeft verweerster in haar brief van 7 maart 2020 (alinea 6) onder meer het volgende geschreven:
 “(…) [Klager] zou natuurlijk nog steeds kunnen besluiten om dit bedrag in de erfenis van [de zoon] te laten vallen, dan hoeven partijen ook niet meer naar de kantonrechter. Met dit bedrag levert [klager] dan een kleine bijdrage aan de kosten die bijvoorbeeld voor de uitvaart van [de zoon] zijn gemaakt. Ter onderbouwing van deze kosten zijn de facturen van de uitvaartonderneming en de notaris in het geding gebracht. (…)”


4 KLACHT

4.1   De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)  Verweerster is ondeskundig en heeft een onnodige vordering ingediend.

b) Verweerster heeft in de dagvaarding en in de conclusie van antwoord (in incident) onjuistheden vermeld.

c)  Verweerster heeft zich niet professioneel/zakelijk opgesteld: door verweersters opstelling is de zaak geëscaleerd.

d)  Verweerster is een na de comparitie gemaakte afspraak niet nagekomen.


5 BEOORDELING

overwegingen raad
5.1 De raad heeft met betrekking tot het ongegrond verklaarde klachtonderdeel a) overwogen dat uit het proces-verbaal van 12 februari 2020 volgt dat eerst op die zitting duidelijkheid is verkregen over de hoogte van de vordering, wat betekent dat verweerster klager niet bij de kantonrechter had hoeven dagvaarden. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat het gaat om nakoming van een in een echtscheidingsconvenant neergelegde alimentatieberekening (noot hof: de raad zal hebben bedoeld: alimentatiebeding), waarvan verweerster namens haar cliënte nakoming kon vorderen. Verweerster heeft erkend dat zij de procedure met een verkeerd processtuk is gestart, maar klager heeft hiervan geen nadeel ondervonden, omdat artikel 69 lid 3 Rv de mogelijkheid biedt de procedure voort te zetten volgens de regels van een verzoekschriftprocedure. Bij het door klager gemaakte bezwaar dat de toevoeging met een onjuiste zaakcode is aangevraagd, heeft klager geen eigen belang. Verweerster heeft bij het indienen van producties op 11 februari 2020 gehandeld binnen de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij.

5.2 De klachtonderdelen b) en c) zijn door de raad ongegrond verklaard. De raad heeft overwogen, dat verweerster in de procedure het standpunt van haar cliënte uiteengezet heeft. Dat klager zich daarin niet kan vinden, betekent niet dat verweerster onjuiste informatie heeft verstrekt. Dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt is de raad ook niet gebleken. De raad is voorts van oordeel dat verweerster bij haar uitlatingen de grenzen van de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt, niet heeft overschreden en dat geen sprake is van onnodig grievende uitlatingen.

5.3 De raad heeft klachtonderdeel d) ongegrond verklaard, omdat verweerster geen verwijt ervan kan worden gemaakt dat haar cliënte de eerder aan klager aangeboden enveloppe nadien niet meer aan hem heeft willen verstrekken.

beroepsgronden
5.4 Het bezwaar van klager tegen de door de raad vastgestelde feiten behoeft geen bespreking meer, nu het hof deze, zoals blijkt uit r.o. 3.3, zelfstandig heeft aangevuld.

5.5 Klager voert voorts met betrekking tot klachtonderdeel a - kort weergegeven - aan dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat verweerster de zaak niet bij de kantonrechter had hoeven aan te brengen alsmede dat artikel 69 lid 3 Rv - anders dan de raad overweegt - niet van toepassing is. De vordering van de cliënte van klaagster was evident ongegrond. Verweerster heeft door haar ondeskundige behandeling van de zaak de belangen van klager nodeloos en op ontoelaatbare wijze geschaad. Verweerster heeft ook de toevoeging onrechtmatig aangevraagd en verkregen; zonder toevoeging had haar cliënte niet bij de rechtbank kunnen procederen. Het indienen van de facturen van de uitvaart was niet doelmatig en onnodig grievend.

5.6 Met betrekking tot de klachtonderdelen b) en c) voert klager aan dat de dagvaarding vele onjuistheden bevat, dat zaken uit hun context zijn gehaald en dat niet relevante opmerkingen zijn gemaakt, wat hij onnodig grievend acht. In de antwoordconclusie in het incident had verweerster zich moeten beperken tot het incident en niet op de hoofdzaak mogen ingaan. Zij heeft het standpunt van haar cliënte gebracht alsof het feiten zijn en een causaal verband gelegd dat er niet is. Zeer onnodig grievend en totaal misplaatst, aldus klager.

5.7 Tot slot is klager van mening dat hetgeen de raad over klachtonderdeel d) heeft overwogen feitelijk onjuist is. Omdat klager niet bij de comparitie was, is blijkbaar het aanbod van de enveloppe na de aanvaarding ingetrokken, waarvan verweerster dan minimaal een bericht had kunnen geven.

verweer in beroep
5.8 Het hof zal, voor zover nodig, hierna ingaan op hetgeen verweerster in beroep heeft aangevoerd.

maatstaf
5.9 Bij de beoordeling van de handelwijze van verweerster, die de belangen behartigt van de wederpartij van klager, stelt het hof voorop dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem in overleg met zijn cliënt passend voorkomt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als omschreven in artikel 10a Advocatenwet, is niet absoluut maar kan onder andere worden beperkt doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag stellen waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen en (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel.
5.10 Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren als er aanleiding is tot gerede twijfel over de juistheid daarvan. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen (vergelijk HvD 15 april 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:YA4394).
klachtonderdeel a) – het voeren van de procedure
5.11 Met de raad is het hof van oordeel dat verweerster de procedure ten behoeve van haar cliënte niet op de juiste wijze heeft ingestoken. Verweerster had andere keuzes kunnen - en wellicht ook moeten - maken in overleg met haar cliënte. Dat wil evenwel niet zeggen dat zij jegens klager (de wederpartij) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Er bestond immers een geschil tussen de cliënte van verweerster en klager, waarover zij in onderling overleg niet tot overeenstemming konden komen. Het  stond  verweerster daarom vrij om in overleg met haar cliënte te besluiten daarover een procedure te voeren. Verweerster heeft er om haar moverende redenen voor gekozen om de zoon niet als procespartij te laten optreden, maar haar cliënte. Van een evident ongegronde vordering is naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook kan niet worden gesteld dat een andere insteek van de vordering steeds had geleid tot een procedure bij de kantonrechter in plaats van bij de rechtbank. Verweerster had met het voeren van de procedure een redelijk doel voor ogen en de belangen van klager zijn niet onnodig of onevenredig geschaad, doordat verweerster de procedure heeft gevoerd zoals zij dat heeft gedaan. Daarbij dient te worden bedacht dat het tuchtrecht niet in het leven is geroepen om de handelingsvrijheid van de wederpartij te beknotten.

5.12 De raad heeft voorts met juistheid geoordeeld dat klager geen eigen belang heeft bij de klacht over de zaakcode van de aangevraagde toevoeging.

klachtonderdeel b) – onjuistheden
5.13 Bij het verwoorden van het standpunt van haar cliënte mocht verweerster afgaan op de informatie die haar door haar cliënte werd verstrekt en deze in de context stellen die haar en haar cliënte nuttig en zinvol voorkwam. Dat valt binnen de grote mate van vrijheid die haar als advocaat toekomt om de belangen van haar cliënte te behartigen op de wijze die haar in overleg met haar cliënte passend voorkomt. Het is het hof niet gebleken dat verweerster buiten de grenzen van de haar toekomende vrijheid als bedoeld in r.o. 5.9 is getreden door stellingen te poneren waarvan zij wist of behoorde te weten dat die niet juist waren.

klachtonderdeel c) – onnodig grievend
5.14 Het hof is voorts, met de raad, van oordeel dat verweerster ook met de verwoording van het standpunt van haar cliënte binnen de vrijheid is gebleven die haar als advocaat van de wederpartij toekomt en dat van onnodig grievende uitlatingen geen sprake is geweest. Verweerster heeft zich zakelijk en met voldoende distantie opgesteld in haar processtukken, gelet op het beoogde doel van de door haar gevoerde procedure. Verweerster heeft de grenzen van de haar toekomende vrijheid evenmin overschreden bij het overleggen van stukken of door in de incidentele conclusie in te gaan op aspecten van de bodemprocedure. Dat klager zich in de procedure niet kon vinden en het met de ingenomen standpunten, en de wijze waarop de procedure werd gevoerd, niet eens was, maakt dat niet anders. Het hof heeft begrip ervoor dat klager met name door aspecten van de zaak die verband houden met het overlijden van de zoon van partijen tijdens de procedure onaangenaam zal zijn getroffen, maar dat maakt de opstelling van verweerster tijdens de procedure niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

klachtonderdeel d) - afspraak
5.15 Het hof kan niet vaststellen dat na de comparitie of later een afspraak is gemaakt, waaraan verweerster of haar cliënte gebonden was en die verweerster namens haar cliënte had moeten nakomen. De cliënte van verweerster heeft de advocaat van klager een enveloppe aangeboden en die advocaat heeft de enveloppe niet aangenomen. Verweerster stond hier buiten. De raad heeft terecht overwogen dat klager verweerster niet kan verwijten dat haar cliënte hem de enveloppe later niet heeft willen geven.

slotsom
5.16 Het voorgaande brengt met zich mee dat de beslissing van de raad zal worden bekrachtigd.

6 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

6.1  bekrachtigt de beslissing van 17 mei 2021 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden in de zaak met nummer 20-722/AL/OV.

Deze beslissing is gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2021.

griffier voorzitter            


De beslissing is verzonden op 26 november 2021.