Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiƫle publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2021:175 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210173

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2021:175
Datum uitspraak: 10-09-2021
Datum publicatie: 14-09-2021
Zaaknummer(s): 210173
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beklag tegen afwijzende beslissing op verzoek om aanwijzing van een advocaat. Het hof oordeelt dat de deken het beklag op goede gronden heeft afgewezen. In het dossier van klaagster zitten namelijk twee weloverwogen procesadviezen van advocaten op basis waarvan de deken mocht concluderen dat de zaak van klaagster geen redelijke kans van slagen heeft. Nu klaagster bij haar verzoek aan de deken (en ook in de procedure bij het hof) verder geen informatie heeft gegeven waaruit zou volgen dat die procesadviezen niet juist zouden zijn of om een andere reden niet gevolgd zouden moeten worden, verklaart het hof het beklag ongegrond.

BESLISSING

van 10 september 2021

in de zaak 210173

naar aanleiding van het beklag van:

klaagster

tegen:

mr. E.J. Henrichs

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Amsterdam

de deken

1        HET BEKLAG

1.1        Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft dit verzoek afgewezen met zijn beslissing van 10 mei 2021. Klaagster heeft een beklag d.d. 7 juni 2021 tegen de beslissing van de deken ingediend bij het hof.

2        DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1        Het beklag is op 7 juni 2021 met bijlagen ontvangen door de griffie van het hof.

2.2        Verder bevat het dossier:

- het e-mailbericht van 8 juni 2021 van klaagster;

- het verweerschrift van de deken van 15 juni 2021 met bijlagen.

2.3        Het hof heeft het beklag in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

3        FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1        Klaagster heeft bij haar voormalig werkgever, [naam werkgever] (hierna: werkgever), vanaf 2007 computerwerkzaamheden verricht. Die werkzaamheden hebben volgens klaagster klachten veroorzaakt aan haar handen en armen, waaraan zij een aangeboren afwijking heeft. Gedurende het dienstverband zijn er conflicten ontstaan tussen klaagster en werkgever. In 2010 is klaagster uitgevallen wegens ziekte. Hoewel zij op enig moment weer in staat is geweest om 50% van haar arbeidsuren te werken, is zij in november 2011 weer volledig uitgevallen. Per 2012 ontvangt klaagster een WIA-uitkering.

3.2        Klaagster heeft werkgever aansprakelijk gesteld voor het ontstaan/de toename van haar lichamelijke klachten en beperkingen. Zij voert aan dat die zijn ontstaan door de aard van de werkzaamheden die zij voor werkgever moest verrichten. Werkgever heeft bij monde van haar verzekeraar (VGA) aansprakelijkheid afgewezen.

3.3         Klaagster werd aanvankelijk bijgestaan door [naam eerste advocaat] (verder: de eerste advocaat). Na bestudering van de zaak en na overleg met een medisch adviseur heeft hij op 22 november 2016 een negatief procesadvies uitgebracht. Hij heeft geen procedure tegen werkgever willen starten, maar heeft wel de verjaring gestuit. Aan zijn procesadvies legt de eerste advocaat onder meer het volgende ten grondslag. Volgens hem is het zeer lastig aan te tonen dat klaagster als werknemer schade heeft geleden als gevolg van de door haar gestelde eentonige werkzaamheden, omdat zij al bekend was met forse klachten ten gevolge van een aangeboren afwijking aan beide armen. Voorts blijkt uit gespreksverslagen dat werkgever ondersteuning heeft aangeboden in de vorm van afwisseling van werkzaamheden en een loopbaantraject. Klaagster heeft onder verwijzing naar drukke werkzaamheden geen prioriteit gegeven aan het loopbaantraject. Tot slot blijkt uit stukken dat klaagster zich op het standpunt stelt dat een arbeidsconflict ten grondslag ligt aan het ziekteverzuim.

3.4        Vervolgens heeft klaagster het juridisch loket benaderd voor een andere rechtsbijstandverlener. Het juridisch loket heeft haar 17 namen van advocaten gegeven, die zij allemaal heeft benaderd. Alleen [naam tweede advocaat] (verder: de tweede advocaat) heeft naar de zaak willen kijken en heeft op 25 maart 2021 een negatief procesadvies afgegeven. Daaruit blijkt dat ook hij de zaak te weinig kansrijk acht voor het voeren van een procedure. De tweede advocaat wijst op het ontbreken van een medische onderbouwing van een toename van het functieverlies van de handen en het niet kunnen onderbouwen van de stelling dat werkgever haar zorgplicht heeft geschonden. Hij wijst ook op het tijdsverloop van tien jaar en de verjaring die opnieuw gestuit moet worden

3.5        Op 13 april 2021 heeft klaagster zich tot de deken gewend met het verzoek een advocaat aan te wijzen. Bij e-mailbericht van 14 april 2021 heeft de deken nadere informatie opgevraagd bij klaagster, waarop klaagster per e-mail van 20 april 2021 heeft gereageerd.

3.6        De deken heeft het verzoek van klaagster afgewezen, omdat (onder verwijzing naar de negatieve procesadviezen) de door klaagster gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4        BEOORDELING

beklag

4.1        Klaagster voert in haar beklag aan dat zij meent dat zij wel degelijk schade heeft geleden door toedoen van haar voormalig werkgever, die haar destijds niet de opgedragen werkzaamheden mocht laten verrichten vanwege haar lichamelijke beperkingen. Voordat zij de eentonige werkzaamheden moest doen, had zij namelijk geen klachten. Klaagster is het daarom niet eens met de beslissing van de deken.

verweer deken

4.2        De deken benadrukt in zijn verweer dat hij zich niet heeft uitgelaten over de vraag of klaagster wel of geen gelijk heeft in het geschil met haar voormalig werkgever. De deken heeft enkel besloten geen advocaat voor haar aan te wijzen, omdat hij op basis van de procesadviezen van de twee advocaten concludeert dat de zaak onvoldoende kans van slagen heeft. Het dossier biedt daarom onvoldoende aanknopingspunten voor aanwijzing van een advocaat.

maatstaf

4.3        Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

overwegingen hof

4.4        Het hof stelt vast dat het dossier van klaagster twee procesadviezen bevat van advocaten die een weloverwogen analyse hebben gemaakt van de procespositie van klaagster. Beide advocaten concludeerden dat de vordering van klaagster onvoldoende kans van slagen heeft. Hiermee wordt bedoeld dat de kansen van klaagster te klein zijn ten opzichte van de mogelijke lasten/kosten voor klaagster om deze zaak in redelijkheid te kunnen voeren voor klaagster. Met andere woorden, beide advocaten vinden het onverantwoord de zaak voor de rechter te brengen. In het verlengde hiervan kan van de deken niet verwacht worden dat hij een advocaat aanwijst om een zaak te behandelen, waarvan hij op basis van de stukken in het dossier concludeert dat deze geen redelijke kans van slagen heeft. Gezien de eensluidende, goed gemotiveerde procesadviezen van de advocaten en zonder dat in het verzoek aan de deken enig feitelijk/juridisch aanknopingspunt is aangevoerd dat die procesadviezen niet juist zouden zijn, had de deken in deze zaak voldoende grond om het verzoek van klaagster af te wijzen wegens het gebrek aan een redelijke kans van slagen.

slotsom

4.5        Het hof zal het beklag van klaagster ongegrond verklaren.

5        BESLISSING

Het Hof van Discipline:

5.1 verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 10 mei 2021 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

Deze beslissing is gewezen door  mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.P.C.J. van Bavel en L.H. Rammeloo, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2021.

griffier         voorzitter   

De beslissing is verzonden op 10 september 2021.