Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2021:116 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210113

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2021:116
Datum uitspraak: 16-07-2021
Datum publicatie: 21-07-2021
Zaaknummer(s): 210113
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Artikel 13 beklag. Klaagster heeft de deken om aanwijzing van een advocaat verzocht om een civiele procedure te starten tegen haar voormalig advocaat. Het hof is van oordeel dat de deken gegronde redenen had om het verzoek van klaagster af te wijzen. Klaagster had een advocaat die haar in deze procedure wilde bijstaan. Dat klaagster niet tevreden is over de (voorgenomen) rechtsbijstand van deze eerdere advocaat brengt, gezien de bevindingen in het kader van de second opinion, niet mee dat de deken alsnog een advocaat moet aanwijzen. Hiervoor is de vangnetvoorziening van artikel 13 niet bedoeld.

BESLISSING

van 16 juli 2021

in de zaak 210113

naar aanleiding van het beklag van:

klaagster

tegen:

de deken

1        HET BEKLAG

1.1        Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft het verzoek van klaagster tot aanwijzing van een advocaat afgewezen met zijn beslissing van 25 februari 2021. Klaagster heeft op 1 april 2021 haar beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het hof.

2        DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1        Het beklag is per e-mail op 1 april 2021 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2        Verder bevat het dossier:

-        de e-mail van klaagster van 7 april 2021;

-        de e-mail met bijlagen van de deken van 29 april 2021.

2.3        Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

3        FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1        In een e-mail van 6 september 2019 heeft klaagster bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend op grond van artikel 13 Advocatenwet. Klaagster schrijft dat ze een advocaat zoekt om haar belangen te behartigen in een aansprakelijkheidskwestie tegen [naam aansprakelijkgestelde advocaat] (hierna: de aansprakelijkgestelde advocaat). Ook schrijft klaagster dat een andere advocaat, [naam eerdere advocaat], (hierna de eerdere advocaat) eerder voor het behandelen van deze zaak een toevoeging heeft aangevraagd, waardoor het moeilijk voor haar is een advocaat te vinden.

3.2        Bij brief van 17 september 2019 heeft de deken hierop gereageerd. De deken heeft hierin uitgelegd aan welke voorwaarden het verzoek van klaagster dient te voldoen en welke stukken de deken nodig heeft om haar verzoek in behandeling te kunnen nemen.

3.3        Bij e-mail van 1 oktober 2019 geeft klaagster eerst een opsomming van een aantal advocaten dat zij heeft benaderd met het verzoek haar in de kwestie tegen de aansprakelijkgestelde advocaat bij te staan. Vervolgens schrijft zij in deze e-mail aan de deken het volgende:

“De financiële problemen in de sociale advocatuur, met name betreffende (meer) complexe zaken zijn algemeen bekend. Opnieuw dreig ik de dupe te worden, eerst van falende advocaten, vervolgens van een maatschappelijk probleem.

2. de soort zaak die het betreft heb ik in mijn verzoek om toewijzing d.d. 6 september 2019 beschreven:

huurrecht- aansprakelijkheid. De zaak betreft de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht

3. - dat de reeds gestarte procedure m.b.t. de aansprakelijkheidskwestie kan worden voortgezet. (met als doel, gunstige afwikkeling van de geleden en nog te lijden schade als gevolg van een onjuist vonnis)

- dat de zaak grondig wordt uitgezocht

- schriftelijke visie en degelijk advies over de zaak mij doen toekomen

Ik heb recht op goede (gefinancierde-) rechtsbijstand en in deze zaak waarin mijn belang groot is, heel

hard een advocaat nodig. De tijd dringt(!), mr. [de aansprakelijkgestelde advocaat] is reeds d.d. 12 april 2018 aansprakelijk

gesteld.

Gezien het ellendig verloop van het juridisch proces afgelopen tijd met alle ernstige gevolgen vandien

vraag ik u nadrukkelijk om een integer en kundig advocaat toe te wijzen.”

3.4        Bij e-mail van 29 oktober 2019 heeft de deken aan klaagster bericht dat hij op grond van artikel 13 Advocatenwet [naam de door de deken benaderde advocaat] (hierna: de door de deken benaderde advocaat) heeft aangewezen om een second opinion uit te brengen inzake haar aansprakelijkheidskwestie tegen de aansprakelijk gestelde advocaat en dat dit niet betekent dat hij haar zaak in behandeling neemt.

3.5        In de periode van 2 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020 hebben tussen klaagster en de deken een aantal e-mailwisselingen plaatsgevonden. Klaagster heeft hierin onder meer aangegeven dat ze het niet eens is met de gang van zaken rondom de second opinion.

3.6        In een e-mail van 15 oktober 2020 heeft klaagster aan de door de deken benaderde advocaat bericht dat zij niet akkoord gaat met doorzending van zijn advies aan de deken. In een e-mail van 21 oktober 2020 heeft de door de deken benaderde advocaat aan de deken bericht dat het advies is afgerond en op 14 oktober 2020 aan klaagster is toegezonden.

3.7        In de periode van 27 oktober 2020 en 22 december 2020 hebben een aantal e-mailwisselingen plaatsgevonden tussen de deken en klaagster. De deken heeft klaagster verzocht om een aantal stukken toe te sturen om de haalbaarheid van de door haar gewenste procedure te beoordelen, waaronder het advies van de door de deken benaderde advocaat. Klaagster heeft geweigerd het advies toe te sturen.

3.8        Op 21 december 2020 heeft de door de deken benaderde advocaat zijn advies aan de deken toegezonden.

3.9        In een e-mail van 12 januari 2021 heeft de deken wederom informatie en stukken bij klaagster opgevraagd. Op 2 februari 2021 heeft de deken aan klaagster een rappel gestuurd. Bij brief van

25 februari 2021 heeft de deken het verzoek tot aanwijzing van een advocaat door klaagster afgewezen op twee gronden; kort gezegd 1. voor de te voeren procedure is geen bijstand door een advocaat verplicht en 2. klaagster had zelf een advocaat gevonden die bereid is de rechtsbijstand te verlenen.

4        BEOORDELING

Beklag

4.1        Klaagster voert het volgende aan. De deken heeft zijn afwijzende beslissing gebaseerd op een concept advies van de door de deken benaderde advocaat, terwijl klaagster geen toestemming heeft gegeven om dit advies aan de deken door te sturen. Klaagster stelt dat dit advies onzorgvuldig en niet onafhankelijk tot stand is gekomen. Door dit advies te gebruiken in de besluitvorming op haar verzoek, heeft de deken volgens klaagster onrechtmatig gehandeld en is er sprake van machtsmisbruik. Klaagster stelt voorts dat ze niet uit eigen beweging de samenwerking met de eerdere advocaat heeft beëindigd, maar dat een medewerker van de deken uit het arrondissement Den Haag haar heeft geadviseerd een andere advocaat te zoeken. Daarnaast voert klaagster aan dat de deken een eigen rekensom heeft gemaakt zonder gebruik te maken van financiële bewijsstukken waardoor hij tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een procedure bij de kantonrechter. De deken heeft onvoldoende met klaagster gecommuniceerd en in de afwijzingsbrief staan onjuistheden, aldus klaagster.

Verweer deken

4.2        De deken voert aan dat hij geen toestemming van klaagster nodig heeft om het advies van de door hem benaderde advocaat te gebruiken voor zijn beslissing op haar verzoek. De deken heeft geen twijfels bij de juistheid van het advies en het is de deken niet gebleken van enige onzorgvuldigheid of dat het advies niet onafhankelijk en buiten klaagster om tot stand is gekomen. De deken kan klaagster ook niet volgen in haar standpunt dat de deken onrechtmatig heeft gehandeld en er sprake is van machtsmisbruik. Ook kan hij klaagster niet volgen in haar stelling dat hij onvoldoende met haar heeft gecommuniceerd. De deken voert voorts aan dat hij zijn rekensom heeft gebaseerd op de stukken die hij van klaagster heeft ontvangen en het is de deken niet duidelijk op welke financiële bewijsstukken klaagster doelt. De deken heeft klaagster verschillende keren in de gelegenheid gesteld alle relevante stukken te verstrekken en het lag op haar weg deze stukken te verstrekken. De deken is van mening dat hij op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het verzoek van klaagster betrekking heeft op een (aansprakelijkheids-)procedure die valt binnen de competitiegrens van de kantonrechter. Voor het voeren van een dergelijke procedure geldt geen verplichte bijstand door een advocaat, zodat de deken niet bevoegd is om een advocaat aan te wijzen. Daarnaast is de deken van mening dat hij niet bevoegd is een advocaat aan haar toe te wijzen om de reden dat klaagster een eerdere advocaat had die bereid was haar bij te staan in de aansprakelijkheidskwestie tegen de aansprakelijkgestelde advocaat en klaagster uit eigen beweging bij hem is weggegaan zonder hier een goede reden voor aan te voeren.

Toetsingskader

4.3        Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende, die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de rechtszoekende reeds een advocaat heeft gevonden om hem bij te staan in de zaak waarvoor hij een verzoek tot aanwijzing van een advocaat heeft ingediend.

Beoordeling

4.4        Het hof oordeelt als volgt. Artikel 13 Advocatenwet is een vangnetvoorziening voor rechtszoekenden die zelf geen advocaat kunnen vinden in zaken waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden. De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat door klaagster afgewezen onder meer om de reden dat de eerdere advocaat de rechtsbijstand in de procedure tegen de aansprakelijkgestelde advocaat  kan voortzetten. Klaagster heeft hem zelf als haar advocaat benaderd. Het enkele feit dat klaagster het niet eens is met zijn advies en een medewerker van de deken van een ander arrondissement heeft gezegd dat ze dan een andere advocaat kan zoeken, maakt niet dat de deken gehouden is een andere advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet. Dat zou anders zijn als het advies van de eerdere advocaat onbegrijpelijk zou zijn. Dit advies is getoetst door de door de deken benaderde advocaat en die advocaat is niet tot de conclusie gekomen dat het advies onbegrijpelijk is. In dat advies is ook aangegeven dat de eerdere advocaat de rechtsbijstand in de door klaagster gewenste procedure zou kunnen voortzetten. De deken mocht dit advies ook zonder toestemming van klaagster gebruiken voor de beoordeling van het verzoek van klaagster. De deken heeft met medeweten en medewerking van klaagster advies bij hem gevraagd met het doel om zich beter in staat te stellen een beslissing op haar verzoek te kunnen nemen.

4.5        Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de deken gegronde redenen had om het verzoek tot aanwijzing af te wijzen. Dat klaagster niet tevreden is over de (voorgenomen) rechtsbijstand van de eerdere advocaat brengt, gezien de bevindingen in het kader van de second opinion, niet mee dat de deken alsnog een advocaat moet aanwijzen. Hiervoor is de eerder genoemde vangnetvoorziening niet bedoeld. Gelet hierop behoeft de andere afwijzingsgrond geen nadere bespreking meer. Wat klaagster overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een andere afweging.

5        BESLISSING

Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland van 25 februari 2021 ongegrond.

Aldus beslist door mr. T. Zuidema, voorzitter, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. I.P.A. van Heijst, leden en mr. A.M. van der Hoorn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2021.

griffier         voorzitter   

De beslissing is verzonden op 16 juli 2021.