Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2021:33 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-864/DB /LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2021:33
Datum uitspraak: 12-02-2021
Datum publicatie: 17-02-2021
Zaaknummer(s): 20-864/DB /LI
Onderwerp: Tuchtrechtelijk aanrekenen van gedragingen aan:, subonderwerp: Kantoorgenoot
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster is bijgestaan door verweerders kantoorgenoot. Van een advocaat-cliëntrelatie is geen sprake geweest. Verweerder kan niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de wijze waarop de kantoorgenoot klaagster heeft bijgestaan, noch van de wijze waarop de kantoorgenoot met haar heeft gecommuniceerd. In zoverre is de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.  Naar het oordeel van de voorzitter biedt het overgelegde dossier onvoldoende aanknopingspunten om verweerder van de kantoororganisatie een tuchtrechtelijk verwijt te maken. In zoverre is de klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van  12 februari 2021

in de zaak 20-864/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 18 november 2020 met kenmerk K20-067, door de raad ontvangen op 18 november 2020, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster heeft zich in juni 2018 voor rechtsbijstand in een echtscheidingszaak gewend tot mr. M, destijds een kantoorgenoot van verweerder. Mr. M heeft de opdracht bij brief d.d. 22 juni 2018 aan klaagster bevestigd en klaagsters zaak in behandeling genomen.

1.2    Mr. M heeft namens klaagster een verzoek voorlopige voorzieningen ingediend, welk verzoek  bij beschikking d.d. 9 oktober 2019 is afgewezen. Klaagster heeft aan mr. M kenbaar gemaakt dat zij teleurgesteld was over de uitkomst, waarna op 24 oktober 2019 een bespreking tussen klaagster en mr. M heeft plaatsgevonden. Bij deze bespreking was verweerder aanwezig.

1.3        Tijdens de afwezigheid van mr. M wegens zwangerschapsverlof heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klaagster en verweerders toenmalige kantoorgenoot mr. B, die klaagsters zaak gedurende de afwezigheid van mr. M zou waarnemen. Bij deze bespreking was verweerder aanwezig.

1.4    Mr. B heeft vervolgens namens klaagster een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen ingediend.

1.5    Op 30 januari 2020 heeft de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek plaatsgevonden. Op 11 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling van het door mr. B ingediende verzoek tot wijziging  plaatsgevonden. Klaagster werd tijdens deze zittingen bijgestaan door mr. B.

1.6    Op enig moment heeft mr. M besloten om over te stappen naar een ander kantoor. Mr. M heeft haar cliënten per e-mail over de overstap geïnformeerd, maar heeft een typefout gemaakt bij het invoeren van het e-mailadres van klaagster, waardoor de e-mail niet aan klaagster is verzonden.

1.7    Op 9 mei 2020 heeft klaagsters gemachtigde bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.8    Bij e-mail d.d. 12 mei 2020 heeft mr. M verweerder bericht dat zij verweerder niet heeft horen toezeggen aan klaagster dat hij klaagster tezamen met mr. B tijdens de zitting zou bijwonen en dat met klaagster is afgesproken dat mr. B klaagsters zaak gedurende de afwezigheid van mr. M zou behandelen. 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

1. de kwaliteit van de dienstverlening was ondermaats;

2. de communicatie met klaagster was onvoldoende.

2.2    Toelichting

Hoewel klaagster alle relevante informatie had aangeleverd aan haar advocaat  heeft de rechter geoordeeld dat klaagsters stellingen niet aannemelijk waren geworden. Verweerder heeft toegezegd dat hij klaagsters zaak in behandeling zou nemen en klaagster ter zitting zou bijstaan, welke toezeggingen hij niet is nagekomen. Klaagster heeft van de wederpartij moeten vernemen dat er in haar zaak uitspraak was gedaan. Toen klaagster vervolgens contact wilde opnemen met mr. M werd haar verteld dat mr. M was overgestapt naar een ander kantoor en klaagsters dossier had meegenomen. Aan klaagster is evenmin medegedeeld dat verweerder zijn praktijk zou staken. De kantoororganisatie en de website van het kantoor waren niet op orde.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter stelt voorop dat een advocaat enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen. Verweerder heeft klaagsters stelling, dat hij heeft toegezegd dat hij de zaak in behandeling zou nemen en haar ter zitting zou bijstaan, uitdrukkelijk weersproken, terwijl van de juistheid van klaagsters stelling ook niet uit de overgelegde stukken blijkt. Uit de overgelegde opdrachtbevestiging blijkt dat niet verweerder, maar mr. M klaagsters zaak in behandeling heeft genomen. Verweerder is weliswaar aanwezig geweest bij de besprekingen tussen klaagster en mr. M, maar van een advocaat-cliëntrelatie tussen klaagster en verweerder is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. Niet verweerder, maar mr. M was de behandelend advocaat. Verweerder kan niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de kwaliteit van de dienstverlening van mr. M. Het moge zo zijn dat klaagster teleurgesteld is over het bereikte resultaat, maar daarvan kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

4.2    Verweerder kan evenmin tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de wijze waarop mr. M met klaagster heeft gecommuniceerd. Dat klaagster in eerste instantie door haar wederpartij, en niet door mr. M, op de hoogte is gesteld van de inhoud van de beschikking kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Hetzelfde geldt voor de overstap van mr. M naar een ander kantoor. Verweerder ging er op basis van mr. M gemaakte afspraken vanuit dat mr. M klaagster over haar overstap zou informeren en verweerder mocht daar ook op vertrouwen, nu mr. M als behandelend advocaat de verantwoordelijkheid droeg voor klaagsters dossier.

4.3    De voorzitter oordeelt op grond van het voorgaande dat, voor zover de klacht betrekking heeft op het optreden van mr. M, klaagster niet in de klacht kan worden ontvangen. In zoverre is de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

4.4    Klaagster klaagt voorts over een gebrekkig ingerichte kantoororganisatie. Naar het oordeel van de voorzitter biedt het overgelegde dossier onvoldoende aanknopingspunten om verweerder hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Voor zover de op de website vermelde informatie niet steeds actueel is geweest rechtvaardigt dat naar het oordeel van de voorzitter niet de conclusie dat sprake was van een gebrekkig ingerichte kantoororganisatie. Anders dan klaagster lijkt te veronderstellen was verweerder tot slot niet verplicht om klaagster te informeren over zijn voornemen om zijn praktijk te staken. Verweerder had immers geen dossier van klaagster in behandeling en van een advocaat-cliënt relatie was geen sprake. In zoverre is de klacht kennelijk ongegrond.

5    BESLISSING

De voorzitter verklaart:

- de klacht, voor zover deze ziet op het optreden van mr. M, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.H.L. Baggel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  T.H.G. Huber - van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2021.

Griffier               Voorzitter