Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2021:81 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-715/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2021:81
Datum uitspraak: 29-03-2021
Datum publicatie: 21-05-2021
Zaaknummer(s): 20-715/DH/DH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Verweerster heeft namens de vrouw een verzoekschrift ingediend, terwijl tussen de vrouw en klager nog mediation gaande was. Verweerster heeft hiermee te voortvarend gehandeld en de mogelijkheid tussen klager en de vrouw om tot overeenstemming te komen onmogelijk gemaakt. Er was op het moment van het indienen van het verzoekschrift geen zodanig spoedeisend belang dat de indiening van het verzoekschrift hierdoor kon worden gerechtvaardigd. Verweerster heeft met haar gedragingen de belangen van klager geschaad. Berisping.  

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 maart 2021 in de zaak 20-715/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 30 december 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 7 september 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K255 2019 ar/ak van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de videozitting van de raad van 15 februari 2021. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen. De raad heeft ook kennisgenomen van de e-mail van 29 januari 2021, met bijlage, van klager en van de e-mail van 1 februari 2021, met bijlagen, van verweerster.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Op 17 juni 2019 heeft de ex-echtgenote van klager (hierna: de vrouw), bijgestaan door verweerster, een verzoek tot echtscheiding ingediend. Op 18 juni 2019 heeft verweerster klager een afschrift gestuurd van het verzoekschrift.

2.3    Op 8 juli 2019 heeft verweerster aan klager afschriften gestuurd van stukken die zij bij de rechtbank heeft ingediend. Op 15 juli 2019 heeft verweerster klager een afschrift gestuurd van een bij de rechtbank ingediend F4-formulier.

2.4    Op 11 juli 2019 hebben klager en de vrouw met een mediator een overeenkomst tot mediation gesloten. Geheimhouding, ook na beëindiging van de mediation, vormt onderdeel van die overeenkomst. Daarnaast is in de overeenkomst bepaald dat de mediation eindigt door een daartoe strekkende schriftelijke verklaring van de mediator (artikel 8.1 a) of een schriftelijke verklaring van een van partijen dat hij zich uit de mediation terugtrekt (artikel 8.1b). Verder is bepaald dat, zakelijk weergegeven, lopende procedures tijdens de mediation worden opgeschort (artikel 9.1) en dat behoudens maatregelen ter bewaring van recht geen procedures aanhangig worden gemaakt (artikel 9.2).

2.5    Op 16 september 2019 om 15.19 uur heeft de mediator het volgende geschreven aan verweerster:

“(…) Graag zou ik kort even met je willen overleggen m.b.t. deze scheiding. [De vrouw] heeft via jou een verzoek tot scheiding ingediend. Ik heb ze in mediation teneinde met goede afspraken uit elkaar te gaan. Het proces verloopt met horten en stoten en mogelijk willen partijen een deelbeslissing vragen aan de rechter m.b.t. de partneralimentatie.

Kun jij mij aangeven hoe dat verloopt? (…)”

2.6    Verweerster heeft dezelfde dag om 15.27 uur gereageerd met een uitleg over de gang van zaken als aan de rechter verzocht wordt om de partneralimentatie vast te stellen. Om 16.58 uur heeft de mediator daarop het volgende geschreven:

“Het idee is, dat alle afspraken vast worden gelegd in het convenant, behalve de hoogte van de partneralimentatie en de duur ervan. Daar lijken ze niet uit te komen en overwegen dit aan de rechter voor te willen leggen, zodat zij er niet meer over hoeven te discussiëren.”

2.7    Verweerster heeft vervolgens op 17 september 2019 aan de mediator geschreven dat een deelbeslissing over de alimentatie gevraagd kan worden, naast de vastlegging van de verdeling in een convenant. Verweerster heeft uitgelegd dat de rechtbank een verweertermijn zal stellen en vervolgens een zitting zal plannen en dat het aldus geen snelle oplossing is.

2.8    Op 15 oktober 2019 heeft verweerster klager een afschrift gestuurd van een bij de rechtbank ingediend F4-formulier.

2.9    De mediator heeft een conceptdeelconvenant opgesteld dat zij in november 2019 aan klager en de vrouw heeft voorgelegd. In het conceptconvenant is, in artikel 2.1, bepaald dat partijen de rechter zullen verzoeken om een uitspraak te doen over de hoogte en de duur van de partneralimentatie, omdat zij het daarover niet eens konden worden.

2.10    Op 6 november 2019 heeft klager het volgende geschreven aan de vrouw en de mediator:

“(…) Omdat ik wil checken of mijn belangen goed zijn verwoord in het opgestelde concept-convenant, ook om verrassingen in de toekomst te voorkomen, ga ik het laten toetsen door een juridisch adviseur (second opinion).

Hiervoor ben ik op zoek naar de juiste persoon.

Zodra ik de feedback binnen heb, kom ik er bij jullie op terug. (…)”

2.11    Op 19 november 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en de vrouw.

2.12    Op 20 november 2019 heeft de vrouw de gegevens van verweerster aan klager doorgegeven en gevraagd om toezending van de gegevens van de advocaat van klager.

2.13    Op 26 november 2019 heeft verweerster aan klager een kopie gestuurd van een op die dag ingediend verzoek nevenvoorzieningen echtscheiding.

2.14    Op 2 december 2019 om 11.52 uur heeft de vrouw een e-mail gestuurd naar klager en de mediator. Hierin geeft zij haar visie op de gang van zaken tot dat moment. De vrouw heeft geschreven dat zij klager op 19 november 2019 bij haar thuis heeft gesproken. Het conceptdeelconvenant, de door klager gewenste second opinion over het conceptdeelconvenant en het door verweerster in te dienen verzoekschrift zijn volgens de vrouw aan de orde geweest in het gesprek met klager. De vrouw heeft verder geschreven dat zij aan het gesprek met klager de indruk heeft overgehouden dat hij niet verder wilde met mediation.

2.15    Klager heeft op 2 december 2019 om 16.11 uur gereageerd op het bericht van verweerster van 26 november 2019. Hij heeft geschreven dat het mediationtraject nog aan de gang is en dat met het ingediende verzoekschrift bepalingen uit de mediationovereenkomst zijn geschonden. Klager heeft geschreven dat hij ervan uitgaat dat verweerster het verzoekschrift zal terugtrekken.

2.16    Het aanvullende verzoekschrift is op 2 december 2019 aan klager betekend.

2.17    Op 6 december 2019 heeft verweerster aan klager laten weten dat het gaat om een aanvullend verzoekschrift in de procedure die sinds 17 juni 2019 bij de rechtbank loopt. Het aanvullende verzoekschrift dient ter bewaring van rechten ten aanzien van partneralimentatie, gelet op wetgeving die met ingang van 1 januari 2020 zou wijzigen. Verweerster heeft geschreven dat zij het verzoekschrift niet zal intrekken.

2.18    Bij e-mail van 10 december 2019 aan klager en de vrouw heeft de mediator de mediation met onmiddellijke ingang beëindigd. Reden voor de beëindiging is “gebrek aan commitment en het niet aan de regels houden van het mediationreglement”. 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster heeft een verzoekschrift ingediend, terwijl de procedures waren opgeschort omdat klager en de vrouw in mediation waren.

b)    Verweerster heeft de overeengekomen geheimhouding geschonden.

3.2    De stellingen die klager aan de klacht ten grondslag heeft gelegd zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Toetsingskader

5.1    Uitgangspunt is dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a van de Advocatenwet, mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is, dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt. Daarbij moet een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen spelen.

Klachtonderdeel a)

5.2    Naar het oordeel van de raad is klachtonderdeel a gegrond. Verweerster is, zakelijk weergegeven, te voortvarend geweest met het indienen van het verzoekschrift en heeft daarmee de belangen van klager geschaad. De raad licht dit als volgt toe.

5.3    Op 26 november 2019 was de mediationovereenkomst nog actueel. Dat verweerster van de vrouw had vernomen dat de man geen been meer zag in voortzetting van de mediation, betekent niet dat de mediation ten einde was. De mediationovereenkomst was immers niet op de voorgeschreven wijze opgezegd, namelijk door middel van een schriftelijke verklaring van een van de partijen bij die overeenkomst. Dit betekent dat verweerster zich op 26 november 2019 had te houden aan het uitgangspunt dat niet actief zou worden geprocedeerd tussen klager en de vrouw. Zij heeft dit uitgangspunt geschonden door indiening van het aanvullende verzoekschrift.

5.4    Verweerster heeft aangevoerd dat zij klager door het indienen van het aanvullende verzoekschrift op 26 november 2019 niet heeft benadeeld, omdat de procedure over de partneralimentatie hoe dan ook gevoerd moest worden. De raad verwerpt dit standpunt. Uit het conceptconvenant en de informatie van medio september 2019 van de mediator blijkt dat klager en de vrouw moeite hadden met het bereiken van overeenstemming over de partneralimentatie en dat dit onderwerp mogelijk aan de rechter voorgelegd zou worden. De raad stelt echter ook vast dat de partneralimentatie nog onderwerp van gesprek was tussen klager, de vrouw en de mediator. Dit betekent dat op 26 november 2019 weliswaar waarschijnlijk was, maar dat nog niet vaststond dat klager en de vrouw ervoor zouden kiezen om het onderwerp partneralimentatie aan de rechter voor te leggen. Door toch vast het aanvullende verzoekschrift in te dienen heeft verweerster de stand van zaken in het overleg tussen klager en de vrouw miskend en een verder mogelijk vruchtbaar gesprek tussen hen ondermijnd. Dit is onzorgvuldig en onbetamelijk.

5.5    Verweerster heeft verder aangevoerd dat het indienen van het aanvullende verzoekschrift moet worden gezien als een maatregel ter bewaring van rechten van de vrouw. Een verzoekschrift dat na 1 januari 2020 zou worden ingediend zou, als gevolg van een wetswijziging, immers nadelig zijn voor de vrouw. De raad verwerpt ook dit standpunt. Verweerster had op 26 november 2019 nog vijf weken om het aanvullende verzoekschrift in te dienen, voor de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Na beëindiging van de mediation (op 10 december 2019) zou verweerster nog drie weken hebben. Er resteerde naar het oordeel van de raad derhalve voldoende tijd om tijdig een verzoekschrift in te dienen.

Klachtonderdeel b)

5.6    Klager en de vrouw zijn met de mediator geheimhouding overeengekomen. De geheimhouding duurt voort nadat de mediation is geëindigd. Advocaten van partijen zijn ook gebonden aan de plicht tot geheimhouding. De op grond van de mediationovereenkomst tussen partijen geldende geheimhoudingsverplichting zou immers op onaanvaardbare wijze aan waarde inboeten als het de advocaten van partijen vrij zou staan om naar eigen goeddunken, op grond van een eigen opvatting over hetgeen het belang van de cliënt meebrengt en zonder de wederpartij daarin te kennen, te bepalen dat in een procedure gebruik zal worden gemaakt van (ook voor de rechter) geheim te houden stukken uit de mediation. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn.

5.7    Uitgangspunt is aldus dat dat verweerster geen mededeling mocht doen aan (onder meer) de rechtbank over dat wat zich in de mediation heeft voorgedaan. De vraag die vervolgens voorligt is of de informatie die verweerster in het verzoekschrift heeft opgenomen onder de geheimhouding valt. Het kan dan gaan om stukken uit de mediation, maar ook om informatie over het doel, de inhoud en/of de uitkomst van de mediation.

5.8    De raad kan niet vaststellen dat verweerster dergelijke informatie in haar verzoekschrift heeft opgenomen. Klager heeft zijn klacht daartoe onvoldoende feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel b is daarom ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerster heeft namens de vrouw een verzoekschrift ingediend, terwijl tussen de vrouw en klager nog mediation gaande was. Verweerster heeft hiermee te voortvarend gehandeld en de mogelijkheid tussen klager en de vrouw om tot overeenstemming te komen onmogelijk gemaakt. Er was op het moment van het indienen van het verzoekschrift geen zodanig spoedeisend belang dat de indiening van het verzoekschrift hierdoor kon worden gerechtvaardigd. Verweerster heeft met haar gedragingen de belangen van klager geschaad. De raad acht de maatregel van berisping passend.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient verweerster op grond van artikel 46e lid 5 van de Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door te geven.

7.2    Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 van de Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel b ongegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. J.G. Colombijn-Broersma en R. de Haan, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2021.