Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2021:46 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-768/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2021:46
Datum uitspraak: 22-03-2021
Datum publicatie: 07-04-2021
Zaaknummer(s): 20-768/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen:
  • Waarschuwing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Klacht over de eigen advocaat in een familierechtzaak. De psychotherapeut van klager heeft contact gezocht met verweerster om de noodklok te luiden over de emotionele veiligheid van de kinderen en zijn voornemen om een melding te doen bij veilig thuis. Verweerster heeft na een verzoek hiertoe van klager toegezegd om contact op te nemen met de psychotherapeut, maar heeft dit vervolgens niet gedaan. Dit is onzorgvuldig; verweerster heeft niet kunnen beoordelen of de psychotherapeut beschikte over relevante informatie. Verweerster heeft daarnaast haar uurtarief bedongen voor het te voeren overleg met de therapeut. Zij heeft miskend dat dit overleg zou vallen onder het bereik van de toevoeging, omdat de therapeut zou kunnen beschikken over relevante informatie. De klacht is gegrond en leidt tot een waarschuwing. De raad heeft in aanmerking genomen dat verweerster advocaat-stagiaire is en veelvuldig overleg heeft gevoerd over de kwestie met haar patroon.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 maart 2021 in de zaak 20-768/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 28 augustus 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 13 oktober 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K203 2019 ar/cw van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de videozitting van de raad van 8 februari 2021. Daarbij waren klager en verweerster (vergezeld door haar patroon mr. L.J.W. Govers) aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerster heeft voor klager opgetreden in een echtscheidingsprocedure en een voorlopige voorzieningenprocedure.

2.3    Op 7 juni 2019 is door de wederpartij het verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend.

2.4    Op 12 juli 2019 heeft verweerster aan klager een concept-verweerschrift (tevens houdende zelfstandige verzoeken) gezonden. Op 17 juli 2019 is dit verweerschrift ingediend.

2.5    Op 18 juli 2019 heeft een viergesprek plaatsgevonden. Partijen hebben daarin voorwaardelijke overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Omdat in de ogen van klager niet aan de voorwaarde was voldaan, zijn de afspraken niet onvoorwaardelijk geworden.

2.6    Op 24 juli 2019 heeft de heer M. H., psychotherapeut bij GGZ Den Haag, verweerster een mail gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud:

“Client is sinds begin mei bij mij in behandeling. Aanleiding was de zorgelijke ontwikkeling van zijn kinderen agv (te veel) veranderende omstandigheden in hun thuissituatie.

Aspecten die daarbij een rol speelden/spelen waren vaststelling van ASS bij moeder, het besluit van beide ouders uit elkaar te gaan en hun gezamenlijk zoeken naar een passende omgangsregeling. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de snel wisselende omstandigheden waarin én waarop kinderen al dan niet in contact (kunnen) treden met moeder hebben hun weerslag op de jongens.

N.a.v. huidige situatie overweeg ik een melding bij Veilig Thuis. (…)

(…) bij moeder heb ik in een gesprek laten weten hoe de procedure is (ik zal haar verwittigen als ik meld) en betrokken hulpverlener(s) zijn voor mij tot op heden onbereikbaar. (…)

Omdat ik van [klager] begreep dat de zitting de 26e juli mogelijk niet doorgaat en dat er een voorstel tot een bezoekregeling op tafel ligt, overweeg ik een melding te doen. De emotionele veiligheid staat wat mij betreft onder druk wat eerder door een collega vanuit GGZ Delfland op eenzelfde wijze werd beoordeeld.

De juridische aspecten gaan mijn kennis en kunde te buiten, die wat betreft de geestelijke gezondheid van mijn (neven)clienten i.h.a. niet. Het is mijn plicht aan de bel te trekken.

Voor een toelichting ben ik te bereiken per mail (…) of per tel. (…).”

2.7    Klager heeft verweerster toestemming gegeven contact op te nemen met de heer H. en heeft haar ook herhaaldelijk verzocht dat te doen. De heer H. heeft diverse keren getracht telefonisch contact met verweerster te krijgen. Verweerster heeft te kennen gegeven dat overleg met de heer H. in haar ogen niet relevant was omdat alleen klager en niet ook zijn kinderen onder behandeling van deze therapeut stonden, dat het hebben van contact met een therapeut niet onder het bereik van de toevoeging viel en dat zij klager daarvoor haar uurtarief in rekening zou brengen.

2.8    De wederpartij heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure op 24 juli 2019 (twee dagen voor de zitting zou plaatsvinden) de verzochte voorlopige zorgregeling gewijzigd in de zorgregeling zoals die tijdens het viergesprek was besproken. Naar aanleiding daarvan heeft klager getracht verweerster telefonisch te bereiken, hetgeen pas aan het eind van de middag van 25 juli 2019 is gelukt.

2.9    Tijdens een telefoongesprek op 25 juli 2019 heeft verweerster klager te kennen gegeven dat er sprake was van een vertrouwensbreuk en heeft zij aangekondigd haar werkzaamheden voor hem na de zitting van 26 juli 2019 te zullen neerleggen.

De rechtbank heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure op 9 augustus 2019 een beschikking gewezen. Daarbij zijn onder meer een voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie vastgesteld.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)    De kwaliteit van de dienstverlening door verweerster voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Klager noemt daarbij ter illustratie de volgende voorbeelden:

•    Verweerster was niet bereid om de heer H., psychotherapeut, te woord te staan ondanks dat klager akkoord was met het in rekening brengen van extra kosten hiervoor.

•    Het verweerschrift dat verweerster namens klager heeft ingediend was te ‘mager’.

•    Tijdens het viergesprek ging verweerster zonder overleg met klager mee in het standpunt van de wederpartij.

•    Verweerster heeft klager er niet voor gewaarschuwd dat de inhoud van het viergesprek in de procedure naar buiten kon worden gebracht.

•    Daags voor de zitting dreigde verweerster niet naar die zitting te komen.

•    Tijdens de zitting heeft verweerster onvoldoende bezwaren geuit tegen de stellingen van de wederpartij en ten aanzien van de kinderalimentatie was zij niet goed voorbereid.

•    Verweerster heeft diverse documenten en suggesties van klager terzijde geschoven met het argument dat dit teveel zou afleiden waar het om gaat.

b)    Verweerster heeft gedragsregel 18 lid 2 overtreden doordat zij een vergoeding heeft bedongen voor het telefonisch te woord staan van de heer H. terwijl zij klager bijstond op basis van een toevoeging.

c)    Verweerster heeft de zaak van klager op onzorgvuldige wijze neergelegd.

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

5.1    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter op grond van artikel 46 Advocatenwet mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening aan een client te beoordelen indien deze daarover klaagt. Wel zal de tuchtrechter daarbij rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes – zoals over procesrisico en kostenrisico – waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de client daarover. De client dient door de advocaat te worden gewezen op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.

5.2    Verweerster heeft gemotiveerd betwist dat haar werkzaamheden voor klager, het door haar ingediende verweerschrift en haar optreden ter zitting niet aan de daaraan te stellen eisen zouden hebben voldaan.

5.3    Hoewel voor een inhoudelijke beoordeling van het verweerschrift als zodanig in onderhavige tuchtrechtprocedure geen plaats is en de raad bij gebreke van een proces-verbaal van de zitting ook niet kan vaststellen wat er precies ter zitting besproken is, blijkt naar het oordeel van de raad uit de over en weer ingenomen – en deels onweersproken – stellingen én de door de rechtbank in de beschikking d.d. 9 augustus 2019 opgenomen overwegingen, in elk geval niet aanstonds en duidelijk dat de inhoud van het door verweerster ingediende verweerschrift en haar optreden ter zitting niet aan de professionele standaard hebben voldaan. In zoverre is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen dan ook geen sprake.

5.4    Dit is naar het oordeel van de raad evenwel anders voor wat betreft de weigering van verweerster om telefonisch contact op te nemen met de heer H.

5.5    Uit de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerster zich op het standpunt stelt dat het voeren van overleg met de heer H. niet onder het bereik van de toevoeging van klager viel en dat klager hiervoor haar uurtarief diende te betalen. Klager heeft daarmee ingestemd. Desalniettemin heeft verweerster nagelaten de heer H. te woord te staan omdat zij van mening was dat dat niet relevant was voor de zaak aangezien alleen klager en niet ook de kinderen onder behandeling van H. stonden. Die veronderstelling is echter aantoonbaar onjuist. In de mail die de heer H. aan verweerster heeft geschreven en waarin hij aangeeft te overwegen een melding bij Veilig Thuis te doen omdat de emotionele veiligheid van de kinderen wat hem betreft onder druk staat, maakt hij er immers ook melding van dat hij de moeder van de kinderen (en dus de wederpartij in de voorlopige voorzieningenprocedure) heeft gesproken. De heer H. kon dus (mogelijk) wel degelijk ook iets verklaren over de moeder en de kinderen. Gelet hierop had het naar het oordeel van de raad op de weg van verweerster gelegen de heer H. in elk geval te woord te staan om te beoordelen of hij informatie kon verstrekken die van belang zou kunnen zijn voor de zaak van klager. In bevestigend geval had zij de heer H. dan kunnen (en moeten) vragen een schriftelijke verklaring op te stellen die zij dan voorafgaand aan de zitting in het geding had kunnen (en moeten) brengen. Door – zelfs ondanks het akkoord van klager dat hem daarvoor het uurtarief in rekening zou worden gebracht - te (blijven) weigeren de heer H. te woord te staan heeft verweerster naar het oordeel van de raad onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel is in zoverre dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b)

5.6    Gedragsregel 18 lid 2 bepaalt dat het een advocaat niet is toegestaan om voor de behandeling van een zaak waarvoor hij is toegevoegd, voor zijn werkzaamheden een vergoeding te bedingen of in ontvangst te nemen (behoudens de eigen bijdrage, verschotten en proceskosten). Naar het oordeel van de raad heeft verweerster in strijd met dit verbod gehandeld door voor het door haar te voeren overleg met de heer H. (mocht dat plaatsvinden) een vergoeding op basis van haar uurtarief te bedingen. Er waren immers voldoende redenen om aan te nemen dat de heer H. wel degelijk informatie kon verschaffen die bruikbaar zou (kunnen) zijn in de lopende procedure, zodat dit overleg onder het bereik van de toevoeging van klager viel. Dat de Raad voor Rechtsbijstand verweerster heeft laten weten dat zij geen contact hoefde op te nemen met de heer H. indien zij van mening was dat dat geen voor de zaak van klager relevante informatie zou opleveren, impliceert niet dat zij wanneer zij dat contact toch zou hebben, daarvoor een vergoeding mocht bedingen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft zich over het bedingen van een vergoeding helemaal niet uitgelaten. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel c)

5.7    Vast staat dat verweerster klager tijdens het gesprek op 25 juli 2019 heeft medegedeeld dat er naar haar mening sprake was van een vertrouwensbreuk en dat zij om die reden de advocaat-client relatie wilde beëindigen. Dat is als zodanig niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bij de advocatuur is het bestaan van wederzijds vertrouwen immers essentieel voor een behoorlijke beroepsuitoefening en dat brengt mee dat ieder van partijen de vrijheid moet hebben aan de relatie een einde te maken, zij het dat de advocaat zich niet op een ongelegen moment mag terugtrekken en zorgvuldig te werk moet gaan teneinde de belangen van de cliënt niet te schaden. Daarvoor heeft verweerster naar het oordeel van de raad zorggedragen, door haar werkzaamheden voor klager – uiteindelijk – eerst na afloop van de zitting van 26 juli 2019 neer te leggen. Nu zij vanaf dat moment niet langer voor klager optrad en de rechtbank daarvan op de hoogte moest stellen, heeft niet zij maar klager zelf de beschikking van de rechtbank ontvangen. Van onzorgvuldig handelen is naar het oordeel van de raad geen sprake. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Alles overziend acht de raad de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de raad in aanmerking genomen dat verweerster nog in haar stageperiode zit en dat haar patroon ter zitting te kennen heeft gegeven veelvuldig overleg met haar te hebben gepleegd over de zaak van klager.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond en deels ongegrond;

-    verklaart klachtonderdeel b) gegrond;

- verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. A. Schaberg en P. Rijpstra, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2021.