Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2021:212 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-395/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2021:212
Datum uitspraak: 22-11-2021
Datum publicatie: 24-11-2021
Zaaknummer(s): 21-395/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Verweerder heeft het dossier van klager overgenomen van een kantoorgenoot die met verlof gaat. Verweerder heeft telefonisch gegeven advies niet schriftelijk vastgelegd. Dit is gelet op alle omstandigheden – bezwaar was ingediend, een vovo was afgewezen, de woningsluiting was feitelijk tot een einde gekomen - van onvoldoende gewicht om te leiden tot gegrondheid van het verwijt.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 november 2021 in de zaak 21-395/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 21 september 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 15 april 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K191 2020 ar/ab van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 oktober 2021. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager was niet fysiek aanwezig, maar is tijdens de zitting telefonisch gehoord.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 5 (inhoudelijk) en 1 tot en met 6 (procedureel) 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Bij beslissing van 12 februari 2020 heeft de burgemeester gelast dat klagers woning voor een periode van drie maanden, van 19 februari 2020 tot 19 mei 2020, gesloten wordt gehouden. 
2.3    Op 19 februari 2020 heeft mr. C, kantoorgenoot van verweerder, namens klager pro forma bezwaar ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester. 
2.4    Mr. C heeft namens klager ook een voorlopige voorziening gevraagd, strekkend tot schorsing van de woningsluiting. De voorlopige voorziening is door de rechtbank afgewezen. 
2.5    Op 1 april 2020 heeft mr. C de gronden van het bezwaar aangevuld. 
2.6    Op 13 mei 2020 is mr. C met zwangerschapsverlof gegaan. Verweerder heeft de behandeling van de zaak vanaf dit moment waargenomen. 
2.7    Op 19 mei 2020 heeft klager de sleutel van de in 2.2. bedoelde woning terug ontvangen. 
2.8    Op 31 juli 2020 heeft klager aan een medewerker van de gemeente het volgende geschreven:
“Hierbij bevestig ik dat ik niet meer wil bijstaan door de advocaat [mr. C]”
2.9    Bij brief van 4 augustus 2020 van de adviescommissie bezwaarschriften is aan klager meegedeeld dat zijn bezwaar mondeling zal worden behandeld op 31 augustus 2020. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a)    Verweerder heeft verzuimd de gemeente in gebreke te stellen.
b)    Verweerder reageerde niet op telefoontjes en berichten van klager. Klager werd te kennen gegeven dat hij niet te vaak moest bellen en dat hij geduld moest hebben.
3.2    De stellingen die klager ter onderbouwing van de klacht naar voren heeft gebracht worden hierna, voor zover van belang, besproken.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Klachtonderdeel a)
5.1    Volgens de niet gemotiveerd weersproken verklaring van verweerder kon er vanaf 5 augustus 2020 succesvol een ingebrekestelling naar de gemeente worden gestuurd, omdat pas op die datum een voor de gemeente geldende termijn zou verstrijken. Verweerder was op 5 augustus 2020 echter niet meer de advocaat van klager. Dat verweerder in de periode tussen 13 mei 2020 en 31 juli 2020, de datum dat de bijstand van (het kantoor van) verweerder door klager werd opgezegd, geen ingebrekestelling naar de gemeente heeft gestuurd is gelet op het voorgaande niet onzorgvuldig of onbetamelijk. Klachtonderdeel a is daarom ongegrond.  
Klachtonderdeel b)
5.2    Verweerder heeft verklaard dat hij klager veelvuldig telefonisch heeft gesproken en uitleg heeft gegeven over de stand van zaken in de bezwaarzaak. Verweerder heeft daarbij ook uitgelegd dat klager in ieder geval tot 5 augustus 2020 moest wachten met het sturen van een ingebrekestelling. De raad heeft geen grond om te twijfelen aan de verklaring van verweerder en stelt daarmee vast dat hij telefonisch met klager heeft gecommuniceerd over de zaak. 
5.3    Verweerder heeft het belang van schriftelijke vastlegging van zijn uitleg aan klager over de zaak onderschat. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder met zijn verzuim om de informatie schriftelijk vast te leggen het belang van klager echter niet geschaad. Op het moment dat verweerder bij de zaak betrokken raakte, was de eerder namens klager verzochte voorlopige voorziening al afgewezen, het bezwaar tegen de woningsluiting en de gronden daarvan waren ingediend en het wachten was op de gemeente om een zitting te plannen. Intussen was de woningsluiting geëffectueerd en enkele dagen nadat verweerder de behandeling van de zaak had overgenomen, kon verweerder zijn eigen woning weer in. Gelet op dit alles is het verzuim van verweerder om de aan klager verstrekte informatie schriftelijk vast te leggen van onvoldoende gewicht om te leiden tot de conclusie dat verweerder onzorgvuldig of onbetamelijk heeft gehandeld. Klachtonderdeel b is daarom ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, mrs. A. Schaberg en M.P. de Klerk, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2021.