ECLI:NL:TADRSGR:2021:1 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-590/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2021:1
Datum uitspraak: 11-01-2021
Datum publicatie: 15-01-2021
Zaaknummer(s): 20-590/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
  • Waarschuwing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Raadbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder heeft nagelaten klaagster (schriftelijk) te informeren over de proceskansen en het kostenrisico in haar zaken. Verweerder is daardoor tekort geschoten in zijn informatieplicht jegens klaagster. De raad legt een waarschuwing op. Verdere klachten over oa onzorgvuldigheid en ondeskundigheid ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 11 januari 2021 in de zaak 20-590/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 5 december 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 30 juli 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K246 2019 ar/cw van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van 2 november 2020 van de raad. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 (inhoudelijk) en 1 tot en met 8 (procedureel).

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    De gemachtigde van klaagster (hierna: “de gemachtigde”) is statutair bestuurder van klaagster. Via klaagster hield de gemachtigde een 49%-aandelenbelang in B BV. De heer C hield, via M Holding BV, een 51%-aandelenbelang in B BV.

2.3    Klaagster is in een geschil verwikkeld geweest met de heer C. De gemachtigde verweet de heer C dat hij te veel gelden (onrechtmatig) onttrok aan B BV en daardoor het aandelenbelang van klaagster niet respecteerde. Daarnaast is er een geschil geweest over een aantal merkenrechten die de gemachtigde had geregistreerd op naam van klaagster.

2.4    Bij e-mail van 16 september 2016 heeft mr. S – een advocaat-stagiair/kantoorgenoot van verweerder – in een e-mail aan de gemachtigde het volgende geschreven:

“Vanmorgen hebben wij elkaar telefonisch gesproken met betrekking tot uw aandelenbelang in [B B.V.] en uw zorgen over de wijze waarop de huidige bestuurder, [dhr. C], de onderneming bestuurt. (…) Tot slot treft u bijgaand onze algemene voorwaarden aan”

2.5    Bij e-mail van 30 september 2016 heeft mr. S in een e-mail aan de gemachtigde het volgende geschreven:

“Tijdens onze bespreking van afgelopen woensdag zijn ook nog de mogelijkheden besproken om [dhr. C] in privé aansprakelijk te stellen voor zijn handelen als bestuurder van [B B.V.] (…) Het starten van zowel de procedure bij de Ondernemingskamer, als bij de civiele rechter is uiteraard niet nodig als [dhr. C] aan de onderhandelingstafel plaatsneemt en instemt met een redelijk voorstel. (…)

Verder zouden wij een prijsvoorstel doen. Wij stellen voor aanvankelijk te werken tegen 85% van ons uurtarief, maar achteraf 110% van onze uurtarieven in rekening te brengen indien jij jouw aandelenbelang te gelde hebt kunnen maken. (…)

Het uurtarief van [mr. S] bedraagt € 125,- en van [verweerder] € 350,- ex BTW en overige (proces)kosten, verschotten, kosten van derden etc. Van andere betrokken senior medewerkers is het uurtarief € 275,- ex BTW. (…) Wellicht ten overvloede zouden wij wel nog willen vastleggen dat:

-    indien en voor zover de procedure wordt verloren er een kostenveroordeling kan volgen;

-    er altijd een reconventionele (tegen)vordering kan worden ingediend, en

-    wij bij een toewijzend vonnis een hoger beroep natuurlijk niet kunnen uitsluiten.”

2.6    De gemachtigde heeft in een e-mail van 2 oktober 2016 aan mr. S een ander prijsvoorstel gedaan.

2.7    Mr. S heeft de gemachtigde in een e-mail vervolgens het volgende laten weten:

“Jouw tegenvoorstel inzake ons honorarium, inhoudende dat vooraf 75% van onze uurtarieven worden gedeclareerd en achteraf, indien jij jouw aandelenbelang te gelde hebt kunnen maken, 125% van onze uurtarieven, is akkoord.”

2.8    Op 11 oktober 2016 heeft de heer C een dagvaarding laten uitbrengen tegen klaagster en de gemachtigde met betrekking tot de merkenrechtenkwestie.

2.9    Klaagster heeft in januari 2017 de Ondernemingskamer bij het Gerechtshof Amsterdam verzocht om een onderzoek te bevelen naar het beleid van en de gang van zaken bij B BV.

2.10    Op 13 januari 2017 heeft mr. S in een e-mail aan de gemachtigde over de merkenrechtenprocedure het volgende geschreven:

“Zoals eerder met [verweerder] besproken tref je bijgaand een eerste concept van de Conclusie van Antwoord aan die mijn collega [mr. B] en ik hebben opgesteld. (…) Vanzelfsprekend houden [mr. B] en ik je op de hoogte van het verdere verloop van deze procedure. Mocht je nog vragen hebben, dan kun je mij uiteraard bereiken.”

2.11    De conclusie van antwoord is op 18 januari 2017 bij de rechtbank ingediend.

2.12    Op 1 juni 2017 heeft de mondelinge behandeling bij de Ondernemingskamer plaatsgevonden.

2.13    Op 7 juni 2017 heeft mr. S in een e-mail aan de advocaat van de wederpartij van klaagster een schikkingsvoorstel gedaan.

2.14    Bij e-mail van 28 juni 2017 heeft de advocaat van de wederpartij te kennen gegeven dat de wederpartij niet akkoord is. In deze e-mail is namens de wederpartij een (nieuw) schikkingsvoorstel gedaan.

2.15    Verweerder heeft het schikkingsvoorstel diezelfde dag afgewezen. Verweerder heeft vervolgens in een e-mail van 28 juni 2017 aan de gemachtigde het volgende geschreven:

“Ik neem aan dat je je in mijn antwoord kunt vinden. Heb gelijk geantwoord om dit krachtiger over te laten komen want als ik eerst met jou zou (hebben moeten) overleggen, dan lijkt het net of er over na gedacht wordt en ze met dit bod in de buurt komen.”

2.16    De gemachtigde heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd en te kennen gegeven dat verweerder goed gehandeld heeft.

2.17    De Ondernemingskamer heeft het verzoek van klaagster bij beslissing van 7 juli 2017 afgewezen.

2.18    Op 12 september 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden ter voorbereiding op de comparitie van partijen in de merkenrechtenprocedure. Mr. S heeft, mede namens mr. B, die dag het volgende aan de gemachtigde geschreven:

“Nogmaals dank voor de constructieve bespreking. Zoals besproken ontvangen we nog graag de volgende stukken van je (…)

De mondelinge behandeling staat gepland op donderdag 12 oktober aanstaande”

2.19    In het vonnis van 17 januari 2018 van de Rechtbank Den Haag is mr. B vermeld als advocaat van klaagster en de gemachtigde. De rechtbank heeft de gemachtigde veroordeeld om er voor te zorgen dat de betreffende woord-/beeldmerken op naam van de heer C worden gezet. Ook zijn klaagster en de gemachtigde veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.20    Verweerder heeft diezelfde dag in een e-mail aan de gemachtigde het volgende geschreven:

“Allereerst het slechte nieuws, maar dat was ook wel te verwachten: de vorderingen van [dhr. C] zijn toegewezen en daarnaast moet je een bedrag van € 8.6K aan proceskosten aan [dhr. C] voldoen. (…)

Met name hetgeen onder punt 4.12 staat, heb je tijdens de zitting toch wel je eigen ruiten een beetje ingegooid. (…)

Maar wellicht ten overvloede, dit is en was niet het gevecht waar het om ging want het gaat om de licentievergoeding en de hoogte daarvan.”

2.21    De gemachtigde heeft diezelfde dag gereageerd:

“Dit keer hadden jullie (helaas) wel gelijk. Ik heb de uitspraak gelezen en volgens mij is er weinig reden tot hoger beroep.”

2.22    De gemachtigde heeft op 18 januari 2018 per e-mail doorgegeven hoe dan ook niet in hoger beroep te gaan.

2.23    Op 14 mei 2018 heeft mr. S in een e-mail aan de gemachtigde gevraagd of en hoe hij verder wil.

2.24    Bij e-mail van 31 mei 2018 heeft de gemachtigde aan mr. S het volgende geschreven:

“Ik wil ook geen nieuwe rechtszaak dus heb ik het voornemen om het voor nu uit de juridische sfeer te trekken.”

2.25    Op 12 juni 2018 heeft mr. S. aan de gemachtigde geschreven zijn keuze te respecteren.

2.26    Op 14 juni 2018 heeft de gemachtigde in een e-mail aan mr. S het volgende geschreven:

“ben tot een conclusie gekomen: het is voor ons beiden beter als ik een andere advocaat ga zoeken. Mijn vertrouwen in jullie is nog steeds aangetast, vooral door de bij mij gewekte verwachtingen over de uitkomst van de Ondernemingskamer. Dit hebben wij besproken. De Ondernemingskamer zou het pressie middel worden om een deal te bereiken (..) Ik heb al eerder gezegd dat ik niet tevreden was en ben over jullie passiviteit ten aanzien van zijn persoonlijke gemene aanvallen op mij in de rechtszaal (…) Met de brief van [advocaat wederpartij] van 3 mei zijn jullie ook niet met een concreet plan van aanpak gekomen en naar mijn mening ben ik verder weg van een oplossing dan voordat wij begonnen. (…) Ik wil het dus graag hierbij laten en ga van jullie diensten in deze zaak verder geen gebruik meer maken.”

2.27    Verweerder heeft diezelfde dag als volgt gereageerd:

“Vanzelfsprekend vind ik het altijd jammer als een samenwerking eindigt, maar als er geen vertrouwen is (en daar hebben we het al vaak over gehad), dan is het beter dat je jouw belangen door een ander laat behartigen. (…)

Van de procedure omtrent het merk die tegen jou was aangespannen, wisten we vanaf dag 1 dat deze niet erg kansrijk was en deze was ook geen doel op zich. (…)

Tot slot ben ik het nog steeds met jou eens dat de uitspraak van de Ondernemingskamer onverwacht was. Maar zoals ik ook heb toegelicht, vond ik deze ook weer niet onbegrijpelijk. (…)

Voorts is het juist dat wij niet met een concreet plan zijn gekomen om [dhr. C] aan te pakken omdat jouw doelen ons niet helder waren en onze handen gebonden.”

2.28    Op maandag 18 juni 2018 heeft de gemachtigde in een e-mail aan verweerder het volgende geschreven:

“Begrijp mij niet verkeerd. Ik leg niet alles bij jullie neer. Ook heel veel bij mijzelf. (…) Onze percepties over de gang van zaken lopen echter uiteen. (…) De declaratie ga ik betalen.”

2.29    Op 24 september 2018 is door het kantoor van verweerder een aanmaning verzonden aan de gemachtigde.

2.30    De gemachtigde heeft bij e-mail van 30 september 2018 gereageerd:

“Deze laatste aanmaning komt voor mij als een verrassing. Ik had eigenlijk verwacht dat beide partijen het hierbij zouden laten. Ik ga deze declaratie dus niet op voorhand voldoen. (…)

Hierbij dien ik derhalve formeel een klacht in over [verweerder]. Mijn klacht is dat [verweerder] voor mij een rechtszaak inzake merkrecht heeft gevoerd terwijl hij wist of kon weten dat deze zaak kansloos was. Dat de zaak voor mij kansloos was, heeft hij voor mij verzwegen. (…) Ik neem aan dat deze klacht conform de voor uw kantoor geldende klachtenprocedure wordt behandeld.”

2.31    Verweerder heeft bij e-mail van 1 oktober 2018 gereageerd:

“Vanzelfsprekend kun je ons aan het werk zetten met een klachtenprocedure en er zijn vast ook nog wel andere zaken te bedenken. Wat je evenwel vergeten lijkt te zijn, is dat toen jij aangaf gebruik te willen maken van de diensten van een andere advocaat, ik daaraan direct mijn medewerking heb verleend. Het liep immers al een tijdje niet meer zoals het mijns inziens zou moeten lopen. Jij hebt toen afgesproken de laatste uren die tegen 75% gefactureerd zouden worden, direct te betalen en ik heb daarbij afstand gedaan van de afgesproken variabele kosten op het moment dat je de aandelen te gelde zou maken.

Vervolgens vindt je nieuwe advocaat dat je een korting zou moeten bedingen en kom je terug met zaken die niet juist zijn. We hebben altijd gezegd dat de procedure met betrekking tot het IE-recht het middel was en niet het doel. (…) We kunnen wat mij betreft nu twee dingen doen. Jij betaalt de factuur en we zijn klaar. De andere optie is dat ik de afspraken ontbind (…) we de klachtenprocedure afwikkelen (…)

Mocht ik deze week niets meer van je horen, dan rest optie B en zal de klachtenfunctionaris aan het werk mogen en zullen wij de dagvaarding voorbereiden. Ik hoop vanzelfsprekend op optie A.”

2.32    De gemachtigde heeft bij e-mail van 2 oktober 2018 als volgt gereageerd:

“Dan heb ik nog een optie C. Ik betaal de factuur en ik handhaaf mijn klacht. (…) Omdat mijn optie C en jouw optie A beiden leiden tot betaling van de factuur, doe ik die betaling per ommegaande.”

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft bij aanvang van de zaak geen opdrachtbevestiging verzonden met een duidelijke beschrijving van de proceskansen in klaagsters zaken en de daarmee gepaard gaande kosten.

b)    Verweerder heeft de hem opgedragen zaken niet zorgvuldig behandeld. Zijn aanpak was opportunistisch, rommelig en ondoordacht.

c)    Verweerder en zijn medewerkers bleken ter zake niet deskundig; verweerder heeft klaagster pas een jaar na de zaak in behandeling te hebben gehad en maanden daarvoor een uitgebreid verweerschrift te hebben geschreven op de hoogte gesteld van het ontbreken van bewijs. Verweerder is vervolgens zelf niet ter zitting betreffende het merkenrecht aanwezig geweest, maar heeft dit overgelaten aan zijn medewerkers, die niet over voldoende dossierkennis beschikten en nauwelijks verweer wisten te voeren.

d)    Verweerder heeft de tegen hem ingediende klacht bij zijn kantoor tegengehouden en niet doorgezet naar de klachtencommissie van zijn kantoor.

3.2    Met betrekking tot klachtonderdeel b stelt klaagster dat zij de door verweerder gevoerde procedures nooit had gevoerd en dat zij het schikkingsvoorstel van de tegenpartij had geaccepteerd als verweerder haar niet telkens had verzekerd van succes bij de Ondernemingskamer, klaagster niet had laten dwalen in de merkenrechtenzaak en klaagster deskundig op de hoogte had gebracht van de kansen en bedreigingen. Klaagster betwist verweerders stelling dat de enquêteprocedure niet bedoeld was om gelijk te krijgen.

3.3    Klaagster vindt dat verweerder een schadevergoeding moet betalen bestaande uit de kosten van onterecht en/of onjuist uitgevoerde werkzaamheden van het kantoor, de kosten van de tegenpartij waartoe klaagster is veroordeeld en de verminderde opbrengsten van de verkoop van de aandelen van B BV door klaagster.

4    VERWEER

4.1    Verweerder stelt dat sprake was van een zakelijk geschil tussen de gemachtigde en de heer C en hun beider ondernemingen. Dat geschil zag onder andere op een geschil over merkenrechten en de vraag of het aandelenbelang van de gemachtigde voldoende werd gerespecteerd.

4.2    Verweerder stelt dat hij klaagster wel degelijk informatie heeft verstrekt over het te hanteren uurtarief en de algemene voorwaarden van zijn kantoor. Ook heeft hij klaagster gewezen op enkele risico’s die samenhangen met het voeren van een procedure. Dat geen schriftelijke opdrachtbevestiging zou zijn verstuurd, is volgens verweerder dan ook onjuist. Verweerder stelt dat hij niet verplicht is een procesanalyse uit te brengen en daar is bovendien ook niet om gevraagd. Verweerder stelt uitgebreid te hebben gesproken over de proceskosten in beide procedures.

4.3    Met betrekking tot klachtonderdeel c heeft verweerder aangevoerd dat geen sprake is van onzorgvuldig of ondeskundig handelen. De merkenrechtenprocedure is door mr. B behandeld omdat zij IE-specialist is. Verweerder was ervan op de hoogte dat mrs. B en S klaagsters belangen zouden behartigen tijdens de zitting. De comparitie is uitgebreid voorbesproken en daarbij is meegedeeld dat klaagsters bewijspositie in die procedure slecht was. De procedure was er echter met name voor bedoeld om te bewerkstelligen dat de aandeelhoudersbelangen zouden worden gerespecteerd.

4.4    Met betrekking tot klachtonderdeel 4 heeft verweerder aangevoerd dat de factuur uiteindelijk volledig is betaald. Waar de klacht feitelijk uit bestond, vernam verweerder niet meer en toen verweerder ook overigens niet meer van de gemachtigde vernam, ging verweerder ervan uit dat de kwestie daarmee ten einde was gekomen. Had klaagster hem bericht dat hij de klacht wenste te handhaven, dan had verweerder de klachtenprocedure gevolgd zoals die op de website van zijn kantoor staat vermeld.

4.5    Voor het overige komt het verweer – waar nodig – aan de orde bij de beoordeling van de klacht.

5    BEOORDELING

5.1    Voorop staat dat de tuchtrechter de kwaliteit van de dienstverlening in volle omvang toetst. De tuchtrechter houdt daarbij rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor hij bij de behandeling van een zaak kan komen te staan. Die vrijheid en die keuzes zijn niet onbegrensd, maar worden beperkt door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld. Die eisen brengen met zich dat het werk van de advocaat dient te voldoen aan hetgeen binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt dat de advocaat handelt met de zorgvuldigheid die in de gegeven omstandigheden van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Deze maatstaf brengt mee dat de tuchtrechter bij een klacht over de door de advocaat geleverde kwaliteit een eigen oordeel vormt.

Klachtonderdeel a)

5.2    Klaagster verwijt verweerder dat hij bij aanvang van de zaak geen opdrachtbevestiging heeft verzonden met een duidelijke beschrijving van de proceskansen in klaagsters zaken en de daarmee gepaard gaande kosten.

5.3    De raad overweegt dat over het te hanteren uurtarief en de algemene voorwaarden waaronder de dienstverlening zou plaatsvinden geen onduidelijkheid bestond. Dit deel van de door verweerder te verstrekken informatie is, verwezen wordt naar 2.5 tot en met 2.7, genoegzaam vastgelegd.

5.4    Tot de hiervoor genoemde professionele standaard behoort echter ook het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dat de advocaat zijn cliënt dient te wijzen op de proceskansen en het kostenrisico in zijn zaak. De raad is van oordeel dat verweerder in dit opzicht tekort is geschoten in zijn informatievoorziening. De raad kan op grond van de stukken niet vaststellen dat verweerder klaagster heeft gewaarschuwd voor bewijsrisico’s of schriftelijk heeft vastgelegd om welke reden de procedure bij de Ondernemingskamer noodzakelijk was en wat de te verwachten uitkomst met zich mee zou brengen. De raad zal dit klachtonderdeel daarom gegrond verklaren.

5.5    Het is de raad overigens niet gebleken dat verweerder daarbij heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende kernwaarde onafhankelijkheid of met de door hem afgelegde eed of belofte. Een procedure kan immers ook een ander doel dienen dan enkel het winnen daarvan. 

Klachtonderdelen b) en c)

5.6    Klaagster verwijt verweerder dat hij de hem opgedragen zaken niet zorgvuldig heeft behandeld en dat hij en zijn medewerkers niet deskundig bleken te zijn. Nu beide klachtonderdelen betrekking hebben op de wijze waarop verweerder (en zijn kantoorgenoten) klaagsters zaken hebben behandeld, zal de raad deze onderdelen gezamenlijk behandelen.

5.7    De raad is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verweerders feitelijke dienstverlening niet aan de voor hem geldende voornoemde professionele standaard heeft voldaan of dat zijn aanpak opportunistisch, rommelig of ondoordacht was. Ook kan niet worden vastgesteld dat verweerder of zijn kantoorgenoten onvoldoende vakbekwaam waren om klaagsters belangen te behartigen of onvoldoende bekend waren met het dossier. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat zijn kantoorgenoten vanaf het begin af aan betrokken waren bij de door hen behandelde procedure. Zij hebben klaagster (in concept) processtukken toegezonden en hebben deze stukken ook met klaagster besproken. De raad heeft ook niet kunnen vaststellen dat door verweerder of zijn kantoorgenoten standpunten zijn ingenomen die bij voorbaat onhaalbaar waren of dat anderszins een strategie is gevolgd die onbegrijpelijk was. De raad zal deze klachtonderdelen daarom ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel d)

5.8    Klaagster verwijt verweerder dat hij de tegen hem ingediende klacht bij zijn kantoor heeft tegengehouden en niet heeft doorgezet naar de klachtencommissie van zijn kantoor.

5.9    De raad overweegt dat er bij verweerder onduidelijkheid kon bestaan over wat klaagster van hem verwachtte ten aanzien van de klacht, waarvan de inhoud ook niet geheel duidelijk was. Klaagster had in ieder geval nog een keer kunnen verzoeken de klacht door te leiden naar de klachtenfunctionaris. Dat verweerder ervoor heeft gezorgd dat die procedure niet werd gevolgd, heeft de raad niet kunnen vaststellen. De raad zal dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaren.

5.10    Voor zover klaagster van mening is dat door verweerder een schadevergoeding moet worden betaald, geldt dat de mogelijkheden tot toewijzing van schadevergoedingsvorderingen door de raad in zijn algemeenheid beperkt zijn.  In het onderhavige geval ziet de raad mogelijkheden noch aanknopingspunten voor het honoreren van deze wens van klaagster.

6    MAATREGEL

6.1    Het gedrag van verweerder heeft niet voldaan aan de professionele standaard, dat een advocaat dient te handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Verweerder heeft nagelaten klaagster (schriftelijk) te informeren over de proceskansen en het kostenrisico in haar zaken. Verweerder is daardoor tekort geschoten in zijn informatieplicht jegens klaagster.

6.2    Gelet op de ernst van de gedraging acht de raad de maatregel van waarschuwing passend en nodig.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25,- reiskosten van klaagster,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen b, c en d ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. L.P.M. Eenens en J.G. Colombijn-Broersma, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2021.