Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:293 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-575/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:293
Datum uitspraak: 09-08-2021
Datum publicatie: 14-01-2022
Zaaknummer(s): 20-575/AL/GLD
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. De klacht van klager is in alle klachtonderdelen gebaseerd op en hangt nauw samen met meerdere civielrechtelijke geschillen die bestaan tussen verweerder en zijn kantoorgenoten enerzijds en klager anderzijds. Die geschillen zien – kort gezegd – op de rechtmatigheid van het handelen van verweerder c.s. met betrekking tot de overgang van de Wsnp-zaken naar het kantoor van verweerder. Het behoort echter niet tot de taak van de tuchtrechter om in civielrechtelijke geschillen een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de genoemde maatstaf heeft overtreden. Om daar over te kunnen oordelen moeten de feiten waarop klager zijn klachten baseert in voldoende mate vastgesteld kunnen worden en moet bovendien uit die vaststaande feiten blijken dat het gedrag van verweerder dermate laakbaar is dat die niet alleen de civielrechtelijke toets niet kan doorstaan maar daarenboven ook nog het vertrouwen in de advocatuur schaadt. Het gaat daarbij niet om het vertrouwen van klager in verweerder, maar om het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur in het algemeen. Klager en verweerder verschillen over de feiten op tal van punten van mening zodat lang niet alle door klager gestelde feiten zijn komen vast te staan. Bovendien is het voor de raad, zonder nadere toelichting door klager, die ontbreekt, niet vast te stellen door welke van de gedragingen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 9 augustus 2021
in de zaak 20-575/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:

klager
over
verweerder
gemachtigde: mr. van de B

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brieven van 25 februari 2019, 8 maart 2020 en 3 april 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 juli 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K19/35 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 juni 2021. Daarbij waren klager en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 19. Ook heeft de raad kennisgenomen van een e-mail van klager met bijlagen van 28 mei 2021 en een e-mail met bijlagen van verweerder van 31 mei 2021.

2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 31 december 2012 is de Coöperatie Bewindvoeringskantoor Velp u.a. (hierna: de Coöperatie) opgericht door enerzijds klager en anderzijds de besloten vennootschap Fiscale en Financiële Advocatuur Velp B.V. (hierna: FFA). Binnen de Coöperatie was er een bestuur van twee leden, klager en FFA.
2.3 FFA was de rechtspersoon waarmee mr. G (hierna: G), mr. W (hierna: W) en verweerder via hun persoonlijke houdstervennootschappen de advocatenpraktijk uitoefenden onder de naam WG Advocaten en Belastingkundigen. In FFA was ieder van de genoemde personen zelfstandig bevoegd bestuurder.
2.4 De bewindvoeringspraktijk wordt feitelijk uitgeoefend door één of meer door de rechtbank benoemde bewindvoerders. In dit geval was dat in eerste instantie klager die behalve bewindvoerder ook lid van de Coöperatie was. Klager werd in deze zogenaamde Wsnp-zaken door de rechtbanken Gelderland en Oost-Brabant als bewindvoerder benoemd. klager en de Coöperatie hielden kantoor in hetzelfde pand als FFA.
2.5 In het najaar van 2015 zijn de advocaten van FFA in gesprek gekomen met de vennoten van R Advocaten te [plaats] over een samenwerking. De besprekingen hebben ertoe geleid dat een aantal advocaten van FFA en R Advocaten per 1 januari 2016 een nieuw kantoor heeft opgericht in [plaats] onder de nieuwe naam WR Advocaten. Van dit kantoor zijn W en verweerder, samen met (onder andere) mr. Van de B vennoot geworden. G heeft daarvan afgezien en heeft een seperate aansluitingsovereenkomst met WR Advocaten gesloten. 
2.6 Bij brief van 18 maart 2016 heeft de rechtbank Gelderland medegedeeld dat klager niet langer zal worden benoemd in Wsnp-zaken. Op 18 april 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager, verweerder en mr. V., hoofd van de afdeling insolventie van de Rechtbank Gelderland. In dat gesprek is klager te kennen gegeven dat ook in zijn lopende dossiers op korte termijn - in ieder geval vóór 1 juni 2016 - ontslag zou volgen en er in die lopende zaken een nieuwe bewindvoerder zou worden aangesteld.
2.7 Verweerder heeft de rechtbank vervolgens verzocht om een oplossing voor deze kwestie te bedenken. De rechtbank heeft hem daartoe de gelegenheid gegeven. In mei 2016 heeft verweerder aan de rechtbank meegedeeld dat A.M.H. S (hierna: S) als nieuwe bewindvoerster kon worden aangesteld en dat zij in staat was alle zaken van klager over te nemen. De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd en op 27 mei 2016 een beschikking afgegeven houdende het ontslag van klager in zijn zaken en de benoeming van S in die zaken.
2.8 WR Advocaten heeft S gevraagd om voor onbepaalde tijd voor vier dagen in de week in dienst te treden om als bewindvoerster benoemd te kunnen worden. S was daartoe bereid. Per 1 juni 2016 is zij in dienst getreden bij WR Advocaten (hierna: WR).
2.9 De samenwerking tussen mr. G (en zijn praktijkvennootschap D en D) en WR (thans WF) is op 1 maart 2017 tot een eind gekomen. Tussen G en WF zijn vervolgens geschillen ontstaan over de financiële afwikkeling van hun samenwerking. In een aantal van die geschillen is bij arbitraal vonnis van 9 juni 2020 en bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 30 december 2020 een beslissing genomen.
2.10 Tussen de Coöperatie en FFA en klager en tussen WF en klager zijn nog civiele procedures aanhanging.

3 KLACHT
3.1 De klacht houdt in dat verweerder in strijd met de algemene norm in artikel 46 van de Advocatenwet heeft gehandeld. Klager heeft in zijn klachtbrieven in het bijzonder de volgende handelingen van verweerder genoemd:
1. verweerders handelwijze in het kader van de overname door mevrouw S van de WSNP-dossiers die bij de rechtbank Gelderland liepen en zijn handelwijze bij de overgang van mevrouw S naar WR;
2. geen of onvoldoende transparantie over zijn contacten met de rechtbank Gelderland en de stakeholders van de coöperatie inzake de benoeming van mevrouw S tot opvolgend bewindvoerder;
3. als er in de arbeidsovereenkomst van mevrouw S met de coöperatie een bepaling voorkomt die mevrouw S verbiedt om dossiers mee te nemen dan heeft verweerder nagelaten om zich op die bepaling te beroepen en als in de arbeidsovereenkomst van mevrouw S een dergelijke bepaling niet is opgenomen dan is dat in tuchtrechtelijke zin eveneens aan verweerder verwijtbaar;
4. verweerder heeft als bestuurslid van de coöperatie nagelaten om een redelijke vergoeding te bedingen voor de overgang van de WSNP-zaken aan WR;
5. verweerder heeft als werkgever van mevrouw S geweigerd om van WR de coöperatie een redelijke vergoeding aan te bieden voor de overdracht van alle WSNP-dossiers naar WR;
6. verweerder heeft ondanks alle discussies die zijn gevoerd drie jaar lang geen enkele bereidheid getoond om de vraag of er een redelijke vergoeding verschuldigd is voor de overgang van de WSNP-dossiers naar WR aan een deskundige voor te leggen;
7. het starten van een civiele procedure tegen klager wat als misbruik van recht moet worden gekwalificeerd;
8. de pogingen van verweerder om klager in een omvangrijke schikkingsregeling te betrekken;
9. het fingeren en/of creëren van een vordering op basis van valselijk opgemaakte jaarstukken van de coöperatie die afwijken van de jaarstukken die in een formele vergadering zijn goedgekeurd;
10. het indienen van een aangifte vennootschapsbelasting die gebaseerd is op de valselijk opgemaakte jaarstukken;
11. verweerder heeft op 10 januari 2019 zonder toestemming van klager en mr. G twee betalingen uitgevoerd (één betaling van FFA aan de coöperatie onmiddellijk gevolgd door een betaling van de coöperatie aan WF Advocaten Belastingkundigen, de nieuwe naam van WR; verder te noemen “WF”);
12. verweerder heeft als bestuurder van WF nagelaten om de onbevoegde betaling aan WF te restitueren;
13. verweerder heeft alle handelingen die hebben plaatsgevonden opzettelijk geregisseerd met als doel dat WF de activiteiten van de coöperatie kon overnemen zonder daarvoor te betalen.
14. verweerder heeft misbruik van recht gemaakt;
15. verweerder heeft klager belangrijke stukken onthouden;
16. verweerder heeft klager een voorstel gedaan dat inhoudt dat een advocaat van WF hem kosteloos zal bijstaan onder de voorwaarde dat hij al zijn (stem)rechten in de coöperatie opgeeft en overdraagt.

4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verweer gevoerd. Verweerder heeft de gewraakte handelingen niet als advocaat verricht. Niet kan worden gezegd dat het vertrouwen in de advocatuur is geraakt. Verweerder heeft civielrechtelijke standpunten ingenomen. Verweerder heeft daarbij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5 BEOORDELING
5.1 De raad neemt in overweging dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Indien de advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan de advocaat een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Privégedragingen van een advocaat zijn alleen dan tuchtrechtelijk van belang indien er voldoende aanknopingspunten zijn c.q. verwevenheid is met de praktijkuitoefening om de daarvoor geldende maatstaven te laten gelden, dan wel de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht.
5.2 De klacht van klager is in alle klachtonderdelen gebaseerd op en hangt nauw samen met meerdere civielrechtelijke geschillen die bestaan tussen verweerder en zijn kantoorgenoten enerzijds en klager anderzijds. Die geschillen zien – kort gezegd – op de rechtmatigheid van het handelen van verweerder c.s. met betrekking tot de overgang van de Wsnp-zaken naar het kantoor van WR Advocaten. Het behoort echter niet tot de taak van de tuchtrechter om in civielrechtelijke geschillen een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven onder 5.1 genoemde maatstaf heeft overtreden. Om daar over te kunnen oordelen moeten de feiten waarop klager zijn klachten baseert in voldoende mate vastgesteld kunnen worden en moet bovendien uit die vaststaande feiten blijken dat het gedrag van verweerder dermate laakbaar is dat die niet alleen de civielrechtelijke toets niet kan doorstaan maar daarenboven ook nog het vertrouwen in de advocatuur schaadt. Het gaat daarbij niet om het vertrouwen van klager in verweerder, maar om het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur in het algemeen. Klager en verweerder verschillen over de feiten op tal van punten van mening zodat lang niet alle door klager gestelde feiten zijn komen vast te staan. Bovendien is het voor de raad, zonder nadere toelichting door klager, die ontbreekt, niet vast te stellen door welke van de gedragingen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. E.M.G. Pouls en C.A.Th. Philipsen, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2021.

Griffier                                     Voorzitter

Bij afwezigheid van mr. W.B. Kok
is deze beslissing ondertekend door
mr. M.M. Goldhoorn (griffier)

Verzonn d.d. 9 augustus 2021