Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:287 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-1007/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:287
Datum uitspraak: 15-11-2021
Datum publicatie: 12-01-2022
Zaaknummer(s): 20-1007/AL/MN
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen eigen advocaat. Het verzoek om partneralimentatie dat verweerder bij de rechtbank heeft ingediend, voldeed niet aan de daaraan te stellen minimale eisen van motivering en onderbouwing. Gelet op het feit dat verweerder gedurende een langere periode werkzaamheden heeft verricht voor klaagster, heeft hij onvoldoende zorgvuldigheid betracht door in deze periode ongespecificeerde voorschotnota’s te sturen. Klacht deels gegrond. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 15 november 2021
in de zaak 20-1007/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster
over
verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 december 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 17 december 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 1045545/AS/SD van de deken ontvangen.
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 september 2021. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 12 oktober 2018 heeft klaagster een eerste gesprek gevoerd met verweerder, waarbij zij hebben gesproken over de afhandeling van haar echtscheiding en over een eventuele aangifte tegen haar ex-man. Verweerder heeft op dezelfde dag per e-mail aan klaagster de opdracht bevestigd dat hij haar zou gaan bijstaan bij de afhandeling van haar echtscheiding.
2.3    Verweerder heeft op 25 januari 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. In dit verzoekschrift heeft verweerder namens klaagster tevens verzocht om partneralimentatie, de verdeling van de huwelijkse gemeenschap, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een gebruiksvergoeding ten laste van de man te bepalen ten aanzien van het gebruik van de echtelijke woning.
2.4    Op 4 juni 2019 heeft klaagster verweerder een e-mail gestuurd, waarin zij heeft geïnformeerd naar zijn aanpak inzake een aangifte tegen haar ex-man.
2.5    Bij e-mail van 7 juni 2019 aan verweerder heeft klaagster gereageerd op het verweerschrift van de wederpartij van 17 april 2019. Hierin heeft zij over het alimentatieverzoek het volgende vermeld:

“Conclusie:

Ik wil graag z.s.m. een voorlopige toekenning van alimentatie, of in ieder geval toekenning van de vordering van € 15.000,-, zodat ik rond kan komen en niet nog meer schulden maak.”

2.6    Op 18 september 2019 heeft verweerder aan klaagster een e-mail gestuurd met een kopie van de vijf aanvullende producties, waaronder fiscale rapporten van de Belastingdienst, die hij ten behoeve van de zitting bij de rechtbank had ingediend.
2.7    Op 1 oktober 2019 heeft de behandeling van het echtscheidingsverzoek ter zitting plaatsgevonden. Tijdens de zitting is onder meer tussen partijen afgesproken dat klaagster een makelaar zou vragen om de echtelijke woning te taxeren. Verder is afgesproken dat partijen zo spoedig mogelijk een viergesprek zouden plannen nadat het taxatierapport van de zijde van klaagster gereed was, om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de huwelijkse gemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
2.8    Op 5 november 2019 heeft klaagster het in haar opdracht opgestelde taxatierapport ontvangen en naar verweerder doorgezonden.
2.9    De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beschikking van 13 november 2019 het verzoek tot echtscheiding toegewezen en het verzoek om partneralimentatie van klaagster afgewezen, omdat zij onvoldoende heeft gesteld dat zij behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud en, mocht dat het geval zijn, wat de omvang van haar (aanvullende) behoefte is. Het verzoek van klaagster de verdeling van de huwelijkse gemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bevelen, is gelet op de onder 2.7 vermelde ter zitting gemaakte afspraken door de rechtbank toegewezen. De vordering met betrekking tot de gebruiksvergoeding is afgewezen.
2.10    Op 18 november 2019 heeft verweerder klaagster per e-mail de beschikking zonder toelichting toegezonden en verzocht om de bijgevoegde akte van berusting te ondertekenen. Klaagster heeft op dezelfde dag per e-mail verzocht om telefonisch contact over de uitspraak.
2.11    Bij e-mail van 26 november 2019 heeft klaagster haar verzoek om telefonisch contact over de uitspraak herhaald en aangekondigd dat zij zich zou wenden tot de Orde van Advocaten, als zij op 27 november 2019 aan het eind van de dag nog niets van hem zou hebben vernomen.
2.12    Op 3 december 2019 heeft klaagster de Orde van Advocaten om bemiddeling verzocht.
2.13    De Orde van Advocaten heeft verweerder op 16 december 2019 verzocht om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met klaagster.
2.14    Verweerder heeft op 17 december 2019 klaagster uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor op 19 december 2019 om de beschikking te bespreken. Op die dag hebben klaagster en verweerder telefonisch overleg gehad.
2.15    Bij e-mail van 19 december 2019 heeft verweerder aan klaagster de telefonisch gemaakte afspraken bevestigd. Eén van die afspraken was dat verweerder zijn secretaresse de opdracht zou geven om een viergesprek te plannen.
2.16    Op 20 januari 2020 heeft verweerder het taxatierapport naar de wederpartij gezonden met het verzoek om een viergesprek te plannen.
2.17    Klaagster heeft op 30 januari 2020 aan verweerder per whatsappbericht gevraagd of het viergesprek al was gepland, waarop verweerder op 10 februari 2020 heeft geantwoord dat de wederpartij daar eerst nog over wilde nadenken.
2.18    In antwoord op de vraag van klaagster bij e-mail van 10 februari 2020 of dan niet toch beroep moest worden ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank, heeft verweerder in zijn e-mail van dezelfde dag aangegeven dat hoger beroep volgens hem niet nodig was.
2.19    In haar e-mail van 12 februari 2020 heeft klaagster verweerder verzocht toch namens haar in hoger beroep te gaan.
2.20    Verweerder heeft op 12 februari 2020 hoger beroep ingesteld.
2.21    Bij e-mail van 12 maart 2020 heeft verweerder klaagster laten weten niet langer haar belangen te willen behartigen.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a)    Niets te doen met haar opdracht om aangifte te doen tegen haar ex-man.
Toelichting
Verweerder heeft dit deel van de opdracht ook aangenomen, maar hij heeft daar niets mee gedaan. Hij heeft klaagster nooit duidelijk gemaakt wat zijn strategie en aanpak in dezen was en tot een aangifte is het nooit gekomen. Klaagster had zich juist tot verweerder gewend vanwege zijn expertise op het gebied van strafrechtzaken. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klaagster verwezen naar haar e-mail aan verweerder van 4 juni 2019 waarin zij hem nadrukkelijk heeft gevraagd hoe de aangifte tegen haar ex-man moest worden aangepakt. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
b)    Te eisen dat zij geen therapeutische hulp mocht zoeken.
c)    De informatie die zij heeft aangedragen niet te delen met de rechtbank waardoor de feiten door de rechtbank onjuist zijn vastgesteld.
Toelichting
Klaagster heeft in haar e-mail van 7 juni 2019 in reactie op het verweerschrift van de wederpartij informatie aangeleverd waar verweerder niets mee heeft gedaan. Hierdoor beschikte de rechtbank over feitelijk onjuiste en onvolledige informatie op basis waarvan de echtscheidingsbeschikking tot stand is gekomen.
d)    Het verzoek om alimentatie niet te onderbouwen met een gedetailleerde alimentatieberekening.
Toelichting
Verweerder heeft ten onrechte het verzoek om partneralimentatie in het geheel niet onderbouwd, waardoor de rechtbank dit verzoek heeft afgewezen. Zoals uit haar e-mail van 7 juni 2019 aan verweerder duidelijk blijkt, is het verzoek om partneralimentatie niet alleen ingediend om met de wederpartij om tafel te komen - zoals verweerder ten onrechte stelt - maar vooral ook omdat klaagster anders financieel niet rond kon komen en nog meer schulden moest gaan maken. Verder heeft klaagster verwezen naar een e-mail van verweerder van 21 maart 2019 waarin hij zelf heeft geschreven dat klaagster de partneralimentatie niet moet vergeten.
e)    Na het wijzen van de beschikking niet te reageren op haar verzoeken om hierover in overleg te treden.
Toelichting
Verweerder heeft niet gereageerd op haar verzoeken bij e-mails van 18 november 2019 en 26 november 2019 om te overleggen over de beschikking van de rechtbank. Verweerder heeft alleen de beschikking toegezonden en zonder toelichting verzocht om de akte van berusting te ondertekenen. Pas na tussenkomst van de Orde van Advocaten heeft verweerder klaagster uitgenodigd voor een gesprek om de beschikking te bespreken.
f)    De fiscale rapporten van de Belastingdienst in te dienen bij de rechtbank zonder dat duidelijk was wat het doel daarvan was.
g)    Pas op 20 januari 2020 een voorstel te doen aan de wederpartij voor een viergesprek.
Toelichting
Klaagster heeft verweerder al op 5 november 2019 het in haar opdracht opgestelde taxatierapport doorgezonden. Vanaf dat moment had door verweerder al een viergesprek gepland kunnen worden, maar hij heeft zonder reden daarmee gewacht tot 20 januari 2020.
h)    De voorschotnota’s niet te onderbouwen met een urenverantwoording.
Toelichting
Verweerder heeft zijn voorschotnota’s van een bedrag van in totaal € 6.987,- niet onderbouwd met een urenverantwoording, waardoor klaagster geen zicht heeft op de juistheid van de declaraties.
i)    Het ingestelde hoger beroep tegen de beschikking niet te motiveren en geen proces in gang te zetten om een alimentatieberekening op te stellen.
Toelichting
De wederpartij heeft op 21 april 2020 een verweerschrift ingediend in verband met het hoger beroep. Uit dit verweerschrift blijkt dat het beroepschrift van verweerder niet voldoet aan de eisen van artikel 278 Wetboek van Rechtsvordering en onvoldoende gemotiveerd is.
j)    Haar niet de stukken van de wederpartij (taxatierapport en draagkrachtberekening) toe te sturen.
Toelichting
Klaagster heeft zelf het taxatierapport van de wederpartij in oktober 2019 bij verweerder opgevraagd, terwijl hij dit taxatierapport al in juli 2019 in zijn bezit had. Verder heeft klaagster pas bij het indienen van het beroepschrift in februari 2020 een draagkrachtberekening van de wederpartij gezien. Zij heeft het vermoeden dat dit de berekening is die door haar ex-man is aangedragen tijdens de zitting op 1 oktober 2019.

4    VERWEER
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2    Verweerder heeft onder verwijzing naar de door hem overgelegde opdrachtbevestiging betwist dat hij een opdracht van klaagster heeft gekregen om namens haar aangifte te doen tegen haar ex-man. Klaagster heeft wel met hem gesproken over haar wens om aangifte te doen tegen haar ex-man, maar verweerder heeft haar geadviseerd daarvan af te zien.
Klachtonderdeel b)
4.3    Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster wel met hem heeft gesproken over therapeutische hulp, maar dat hij haar daar niet over heeft geadviseerd en zeker geen eisen aan haar heeft gesteld over dit onderwerp.
Klachtonderdelen c) en d)
4.4    Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster feitelijk geen partneralimentatie wenste, maar dat zij hebben afgesproken deze toch te vorderen met de bedoeling de wederpartij aan tafel te krijgen. Klaagster kon door inkomsten uit arbeid zelfstandig in haar onderhoud voorzien en bovendien was er sprake van een kortdurend huwelijk met huwelijkse voorwaarden. Dit is aldoor het uitgangspunt geweest in de echtscheidingsprocedure. Aan een verdere onderbouwing van het alimentatieverzoek hoefde dan ook geen aandacht te worden besteed. Bovendien heeft de wederpartij geweigerd om financiële gegevens te verstrekken, waardoor het ook om die reden zinloos was om een alimentatieberekening te maken. Verder heeft verweerder erop gewezen dat klaagster niet in haar belangen is geschaad, omdat de kans klein was dat het alimentatieverzoek zou worden toegewezen.
Klachtonderdeel e)
4.5    Verweerder heeft erkend dat hij niet direct in overleg is getreden met klaagster over de beschikking van de rechtbank. Hij heeft hieraan toegevoegd dat dit ook niet nodig was, omdat er immers een beroepstermijn van drie maanden geldt. Verweerder heeft binnen die termijn met klaagster overleg heeft gehad over de beschikking en haar geadviseerd om geen hoger beroep in te stellen.
Klachtonderdeel f)
4.6    Verweerder heeft erop gewezen dat klaagster hem stukken heeft toegezonden, die hij vervolgens namens haar bij de rechtbank heeft ingediend. De bedoeling van deze fiscale stukken was om het inkomen van klaagster aan de rechtbank duidelijk te maken. Het doel van de stukken was niet om alimentatie te krijgen, omdat dit niet de wens van klaagster was.
Klachtonderdeel g)
4.7    De secretaresse van verweerder is vanaf begin januari 2020 doende geweest om een viergesprek te realiseren. Klaagster was ervan op de hoogte dat verweerder op dat moment nog op vakantie was. Verweerder heeft op 20 januari 2020 zelf de wederpartij aangeschreven, maar deze wilde zich eerst beraden. Dat kan verweerder niet worden verweten.
Klachtonderdeel h)
4.8    Verweerder heeft erop gewezen dat klaagster een onderbouwing van de voorschotnota’s had kunnen krijgen, maar dat zij daar nooit om heeft gevraagd. Hij heeft beperkte voorschotnota’s gestuurd en altijd met klaagster overlegd of zij deze kon betalen. Verder heeft klaagster een geheel gespecificeerde eindafrekening ontvangen. Zij heeft hierover tot de indiening van de klacht geen opmerkingen gemaakt.
Klachtonderdeel i)
4.9    Verweerder heeft klaagster geadviseerd om geen hoger beroep in te stellen. Op de laatste dag waarop beroep mogelijk was, heeft klaagster laten weten dat zij toch hoger beroep wenste in te stellen. Ter bewaring van de termijn en ter voorkoming van aansprakelijkheid heeft verweerder hoger beroep ingesteld en (inhoudelijke) grieven geformuleerd. Er was nog alle ruimte om in het hoger beroep aanvullingen te doen.
Klachtonderdeel j)
4.10    Verweerder heeft aangevoerd dat het taxatierapport al bij klaagster bekend was en in haar bezit. De alimentatieberekening was door de wederpartij zeer kort voor de zitting ingestuurd. Verweerder heeft deze stukken voorafgaand aan de zitting met klaagster besproken.

5    BEOORDELING
5.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van de eigen advocaat. De tuchtrechter toetst de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat in volle omvang. Daarbij wordt rekening gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft bij de manier waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor hij bij de behandeling kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat daarbij heeft is niet onbeperkt. Deze vrijheid wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld. Volgens deze eisen dient zijn werk te voldoen aan de binnen de beroepsgroep geldende professionele standaard. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2    Verweerder heeft betwist dat hij een opdracht heeft aangenomen om aangifte te doen tegen de ex-man van klaagster. De raad stelt vast dat het doen van aangifte niet is vermeld in de opdrachtbevestiging van 12 oktober 2018. Verder heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat hij klaagster mondeling heeft afgeraden aangifte te doen. Tegen deze achtergrond is niet komen vast te staan dat klaagster aan verweerder de opdracht heeft gegeven om aangifte te doen tegen haar ex-man. Klachtonderdeel a) zal om die reden ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.3    Verweerder heeft nadrukkelijk betwist dat hij haar heeft verboden om therapeutische hulp te zoeken. Nu klaagster haar klacht niet nader heeft onderbouwd, mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag. Klachtonderdeel b) zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdelen c), d) en f)
5.4    De klachtonderdelen c), d) en f) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.5    De klachtonderdelen betreffen het verzoek om partneralimentatie dat verweerder namens klaagster bij de rechtbank heeft ingediend. De raad is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de onder 5.1 vermelde kwaliteitseisen die daaraan worden gesteld. Vaststaat dat verweerder het verzoek niet heeft onderbouwd met een alimentatieberekening, en dat hij niets heeft gedaan met de door klaagster in haar e-mail van 7 juni 2019 aangeleverde uitgebreide informatie over haar financiële situatie. Verweerder heeft als verweer aangevoerd dat het niet nodig was om het alimentatieverzoek te onderbouwen, omdat klaagster geen partneralimentatie nodig had en hij daarom met klaagster had afgesproken dat dit verzoek alleen zou worden gedaan om met de wederpartij in onderhandeling te komen. De raad constateert echter dat verweerder op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat een dergelijke afspraak daadwerkelijk is gemaakt. Verweerder heeft geen stuk overgelegd waaruit blijkt dat hij aan klaagster heeft bevestigd dat zij deze afspraak hebben gemaakt en dat om die reden het alimentatieverzoek geen nadere onderbouwing behoefde. Bovendien wijst de e-mail van klaagster van 7 juni 2019 op het tegendeel, daar zij in deze e-mail met nadruk aangeeft dat zij zo spoedig mogelijk een voorlopige toekenning van alimentatie wenst, zodat zij rond kan komen en niet nog meer schulden maakt. Zelfs al was wel de afspraak gemaakt om slechts om strategische redenen een alimentatieverzoek bij de rechtbank in te dienen, dan nog mag van een zorgvuldig handelend advocaat worden verwacht dat hij dit verzoek ook in enige mate motiveert en met stukken onderbouwt. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder aan de minimale eisen van motivering en onderbouwing van een bij de rechter ingediend verzoek niet voldaan. Verweerder had in ieder geval een poging moeten doen om de financiële situatie van klaagster inzichtelijk te maken en enigszins te onderbouwen, waarbij hij ook de door klaagster aangeleverde informatie had moeten betrekken. Verder had verweerder de als producties aan de rechtbank overgelegde fiscale rapporten moeten voorzien van een toelichting. Zoals blijkt uit de beschikking van de rechtbank van 13 november 2019, is het gebrek aan toelichting dan wel nadere cijfermatige onderbouwing mede redengevend geweest voor de afwijzing van het verzoek van klaagster om partneralimentatie.
5.6    Naar het oordeel van de raad is verweerder in zijn behartiging van de belangen van klaagster ten aanzien van het verzoek om partneralimentatie tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten en zullen klachtonderdelen c), d) en f) om daarom gegrond worden verklaard.  
Klachtonderdeel e)
5.7    Een advocaat is gehouden de hem opgedragen werkzaamheden, zoals het bespreken van een beschikking van de rechter met zijn cliënt, met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Het bespreken van een door de rechtbank gewezen beschikking met zijn cliënt is een onderdeel van deze werkzaamheden. Verweerder heeft in zijn schriftelijk verweer en ter zitting aangevoerd dat er kort na het wijzen van de beschikking van 18 november 2019 via Whatsapp of telefonisch contact over de beschikking is geweest, maar dit wordt ontkend door klaagster en is door verweerder niet nader onderbouwd. Daarentegen staat wel vast dat de secretaresse van verweerder, zonder enige toelichting, de beschikking aan klaagster heeft gemaild, klaagster bij e-mails van 18 november 2019 en nogmaals op 26 november 2019 verweerder heeft verzocht om overleg over de beschikking. Ook is door verweerder niet weersproken dat hij pas na tussenkomst van de deken klaagster op 17 december 2019 heeft uitgenodigd voor overleg. Op basis van deze vaststaande feiten oordeelt de raad dat verweerder klachtwaardig laat heeft gereageerd op de verzoeken van klaagster om met haar in overleg te treden. Klachtonderdeel e) is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel g)
5.8    Zoals overwogen onder 5.7, is een advocaat gehouden de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Tijdens de zitting op 1 oktober 2019 is door partijen afgesproken dat zij zo spoedig mogelijk een viergesprek zouden plannen nadat het taxatierapport van de zijde van klaagster gereed was. Vaststaat dat klaagster op 5 november 2019 het taxatierapport naar verweerder heeft gezonden. Eveneens staat vast dat verweerder pas op 20 januari 2020 een e-mail met het taxatierapport naar de wederpartij heeft gestuurd met het verzoek om een viergesprek te plannen. De raad is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend is geweest in het benaderen van de wederpartij om te komen tot het viergesprek. Verweerder heeft aangevoerd dat zijn secretaresse tijdens zijn vakantie begin 2020 heeft geprobeerd om het viergesprek te organiseren, maar dat zij op weerstand van de wederpartij was gestuit. Het had echter naar het oordeel van de raad op de weg van verweerder gelegen om zelf (en eerder) hierover in contact te treden met de wederpartij, zeker gelet op het feit dat inmiddels een groot deel van de beroepstermijn was verstreken. Aangezien verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar lang heeft gewacht met het organiseren van een viergesprek en daarbij bovendien onvoldoende regie heeft gevoerd, zal klachtonderdeel g) gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel h)
5.9    Van een advocaat mag worden verwacht dat hij integer en zorgvuldig handelt in financiële aangelegenheden en dat hij daarvoor nauwgezet verantwoording aan zijn opdrachtgever aflegt. Vanwege het feit dat verweerder werkzaamheden voor klaagster heeft verricht gedurende  een langere periode – tijdens de zitting heeft verweerder verklaard dat dit van eind 2018 tot april 2020 was – heeft hij naar het oordeel van de raad onvoldoende zorgvuldigheid betracht door in deze periode voorschotnota’s naar klaagster te sturen die niet gespecificeerd waren. Verweerder heeft aangevoerd dat hij de eindafrekening volledig heeft gespecificeerd, maar klaagster heeft daar terecht tegen ingebracht dat het voor haar moeilijk is om achteraf, na een dergelijk lange periode de juistheid hiervan te controleren. Klachtonderdeel h) zal om die reden gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel i)
5.10    Aangezien de raad op basis van de stukken niet feitelijk heeft kunnen vaststellen of het beroepschrift onvoldoende is gemotiveerd en of al dan niet een proces in gang is gezet om een alimentatieberekening op te stellen, zal klachtonderdeel i) ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel j)
5.11    Van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht dat hij alle stukken die hij van de wederpartij ontvangt onverwijld doorstuurt naar zijn cliënt. Met betrekking tot het taxatierapport van de wederpartij is voldoende komen vast te staan dat verweerder dit rapport niet direct naar klaagster heeft doorgezonden, gelet op het e-mailbericht van 28 oktober 2019 van klaagster, waarin zij verweerder heeft gevraagd het taxatierapport aan haar toe te sturen omdat zij het in augustus 2019 alleen had ingezien bij hem op kantoor. Ten aanzien van de draagkrachtberekening van de wederpartij heeft verweerder aangevoerd dat hij deze pas vlak voor de zitting heeft ontvangen en dat hij de berekening nog wel voorafgaand aan de zitting met klaagster heeft besproken. Dit neemt echter niet weg dat hij op het moment van ontvangst de alimentatieberekening aan klaagster ter hand had moeten stellen dan wel deze direct na afloop van de zitting had moeten toesturen. Nu verweerder heeft verzuimd om de beide stukken van de wederpartij direct aan klaagster te doen toekomen, zal klachtonderdeel j) gegrond worden verklaard.

6    MAATREGEL
Klachtonderdelen c), d), e), f), g), h) en j) zijn gegrond. De kwaliteit van de dienstverlening door verweerder is meerdere keren en gedurende een langere periode niet naar behoren geweest. Aangezien de klachtwaardige gedragingen derhalve niet incidenteel, maar structureel van aard waren, acht de raad de maatregel van berisping passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c)    € 500,- kosten van de Staat.
7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer 20-1007/AL/MN.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen c), d), e), f), g), h) en j) gegrond;
-    verklaart klachtonderdelen a), b) en i) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

Aldus beslist door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. E.J.C. de Jong en P.J.F.M. de Kerf, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2021.

Griffier                                                     Voorzitter

Verzonden d.d. 15 november 2021