Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:187 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-896

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:187
Datum uitspraak: 23-08-2021
Datum publicatie: 16-09-2021
Zaaknummer(s): 20-896
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. De raad is van oordeel is dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door het exploot van dagvaarding in hoger beroep niet in te schrijven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 3:301 lid 2 BW. Deze beroepsfout is verweerder tuchtrechtelijk te verwijten. Verweerder heeft ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door geen redelijk honorarium bij klaagster in rekening te brengen als bedoeld in gedragsregel 17 lid 1. Klacht voor een deel gegrond. Berisping en proceskostenveroordeling.  

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 23 augustus 2021

in de zaak 20-896/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 20 december 2019 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 24 november 2020 heeft de raad het klachtdossier van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 25 juni 2021. Daarbij waren, klaagster, de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    In de periode tussen april 2018 en medio 2019 heeft verweerder klaagster en haar echtgenoot (hierna: de heer B.) bijgestaan in een aantal procedures over de verkoopovereenkomst van twee aan hen in eigendom behorende panden (hierna: de panden) en over de afwikkeling met de hypotheekbank ING Bank N.V. (hierna: ING) en beslagleggers.

2.3    ING heeft de panden op grond van een onherroepelijke volmacht van klaagster en de heer B. eind 2017 onderhands verkocht aan de heer S. Omdat klaagster en de heer B. aan deze koopovereenkomst een restschuld overhielden, wilden klaagster en de heer B. de koopovereenkomst ontbinden door het inroepen van een in de koopovereenkomst opgenomen ontbindingsclausule.

2.4    Op 30 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen waarbij klaagster en de heer B. – kort gezegd – zijn veroordeeld hun medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte strekkende tot levering van onder meer de twee panden. In dit vonnis is ook bepaald dat voor het geval klaagster en de heer B. in gebreke blijven hun medewerking te verlenen aan de levering van de panden, het vonnis in de plaats treedt van de medewerking aan de levering van de panden. Klaagster en de heer B. werden tijdens dit kort geding nog door een andere advocaat bijgestaan. Verweerder heeft de zaak van die advocaat overgenomen.

2.5    Op 17 april 2018 heeft verweerder de opdracht per e-mail bevestigd. In deze e-mail heeft verweerder onder meer het volgende vermeld:

‘Ter voorkoming van misverstanden, bevestig ik onze afspraken.
( …)

We spraken voorts af dat – hoewel u hoogstwaarschijnlijk voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking zal komen – ik de zaak enkel aanneem op betalende basis. Dit houdt in dat ik u een (verlaagd) uurtarief in rekening zal brengen van € 200,=, vermeerderd met BTW. Ik zal bovenop het honorarium geen percentage aan kantoorkosten in rekening brengen. De eventueel te maken noodzakelijke kosten zoals die van deurwaarders, uittreksels uit registers, alsmede het griffierecht voor het voeren van een procedure, worden apart en gespecificeerd in rekening gebracht.’

2.6    Op verzoek van klaagster en de heer B. heeft verweerder tegen het kort gedingvonnis van 30 maart 2018 hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft het in dat kader op 26 april 2018 betekende exploot van dagvaarding in hoger beroep niet laten inschrijven in het rechtsmiddelenregister. Bij brief van 29 juni 2019 heeft de rolraadsheer van het hof verweerder gevraagd of de zaak conform artikel 3:301 BW is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Bij arrest van 8 januari 2019 heeft het hof een comparitie van partijen bepaald op 27 mei 2019. Deze comparitie van partijen heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

2.7    Verweerder is namens klaagster en de heer B. ook een kort geding gestart tegen ING. Bij vonnis van 4 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter de vordering van klaagster en de heer B. afgewezen.

2.8    Eind juni 2018 is verweerder namens klaagster en de heer B. een executie-kort geding gestart tegen de koper van de panden, de heer S. Voor deze zaak heeft verweerder een toevoeging aangevraagd en verkregen. Bij vonnis van 5 juli 2018 is de vordering van klaagster en de heer B. door de voorzieningenrechter afgewezen.

2.9    Op 1 augustus 2018 heeft de levering van de panden aan de heer S. plaatsgevonden.

2.10    In september 2018 is verweerder namens klaagster en de heer B. een bodemprocedure bij de rechtbank tegen de heer S. gestart tot ‘teruglevering’ van de panden aan klaagster en de heer B. Voor deze zaak heeft verweerder een toevoeging aangevraagd en verkregen. Daarnaast heeft verweerder conservatoir beslag op de panden gelegd.

2.11    Op 14 september 2018 heeft verweerder een e-mail gestuurd naar klaagster waarin hij onder meer het volgende heeft vermeld:

‘Tot slot wil ik nog even vastleggen dat jullie akkoord zijn met dat de declaraties ter zake van mijn werkzaamheden, zoals vastgelegd in mijn e-mail van 17 april jl aan jullie, als eerste in mindering mogen en zullen worden gebracht op de te verkrijgen geldelijke opbrengsten in deze zaak. Tot op heden heb ik ongeveer 250 uur aan verrichte werkzaamheden geschreven. Graag even bevestiging.’

Klaagster heeft op dezelfde datum naar verweerder gemaild dat zij en de heer B. akkoord zijn met zijn voorstel over de kosten.

2.12    Bij vonnis in kort geding van 23 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter het namens klaagster en de heer B. gelegde conservatoire beslag op de panden opgeheven.

2.13    Op 22 mei 2019 is in het kader van de bodemprocedure tijdens een comparitie van partijen een schikking getroffen op grond waarvan de heer S. een bedrag van € 75.000,- aan klaagster en de heer B. betaalt. Dat bedrag is door de heer S. overgemaakt naar de derdengeldrekening van het kantoor waar verweerder werkzaam is.

2.14    Bij e-mail van 24 mei 2019 heeft verweerder ter bevestiging onder meer naar klaagster gemaild dat is afgesproken dat het van de heer S. te ontvangen schikkingsbedrag van € 75.000,- wordt aangewend voor de betaling van zijn werkzaamheden. Verder heeft verweerder in zijn e-mail bevestigd dat hij klaagster finale kwijting verleend voor zijn honorarium inclusief btw en gemaakte kosten, omdat deze (veel) meer bedragen dan het bedrag waarvoor de zaak is geschikt. In reactie hierop heeft klaagster verweerder gemaild dat zij akkoord is.

2.15    In augustus 2019 is de heer B., de echtgenoot van klaagster, overleden.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)     Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt en die niet terstond na ontdekking daarvan aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar gemeld;

b)     Verweerder heeft de daaropvolgende afspraak om de bodemprocedure kosteloos te voeren niet schriftelijk vastgelegd en is deze afspraak ook niet nagekomen;

c)    Verweerder heeft in vier daaropvolgende procedures op basis van uurtarief aan klaagster gedeclareerd, hoewel hij voor deze procedures wat toegevoegd door de Raad voor Rechtsbijstand;

d)     Verweerder heeft op diverse wijzen excessief gedeclareerd. Verweerder heeft zonder mededeling het uurtarief bij zijn declaratie verhoogd ondanks de afspraak dat het uurtarief niet zou worden verhoogd. Verweerder heeft zijn uren niet op een inzichtelijke, controleerbare wijze gespecificeerd. Verder heeft verweerder excessieve tijdsbestedingen voor relatief eenvoudige verrichtingen berekend. Verweerders honorarium als geheel is onredelijk gelet op het negatieve resultaat; 

e)    Verweerder heeft de kwade kansen niet met klaagster besproken en deze niet vastgelegd. In de correspondentie heeft verweerder klaagster telkens een rooskleurig beeld voorgespiegeld;

f)    Verweerder is namens klaagster een schikking aangegaan, waarbij zijn belang om zijn declaratie betaald te krijgen heeft voorgezeten. Verweerder heeft het volledige bedrag van de schikking gehouden en met zijn declaratie verrekend.

3.2    De raad zal hierna, waar nodig, bij de beoordeling op de stellingen en stukken van klaagster ingaan.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ten aanzien van de gestelde beroepsfout heeft verweerder aangevoerd dat daar geen sprake van is, omdat artikel 3:301 BW niet van toepassing is op het kortgedingvonnis van 30 maart 2018. Daarbij heeft verweerder gewezen op het verschil tussen artikel 3:300 lid 1 en lid 2 BW. Volgens verweerder lijkt het hof ook van oordeel te zijn dat artikel 3:301 BW niet van toepassing is, omdat het hof een comparitie van partijen heeft bepaald en geen beslissing heeft genomen dat klaagster niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. De raad zal hierna, waar nodig, op dit verweer en het overige verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De klacht gaat in alle onderdelen over het handelen van de eigen advocaat van klaagster. De tuchtrechter heeft mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling zal de tuchtrechter rekening houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt en wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht wordt gesteld en die met zich brengen dat zijn werk moet voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

5.2    Met klachtonderdeel a) verwijt klaagster verweerder dat hij een beroepsfout heeft  gemaakt en dat hij die niet terstond na ontdekking daarvan aan zijn verzekeraar heeft gemeld. Met de gestelde beroepsfout doelt klaagster erop dat verweerder het op 26 april 2018 ingestelde hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte slechts in de openbare registers kan worden ingeschreven indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd beoordeeld en in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen sedert de betekening van de uitspraak is verstreken. Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW moet hoger beroep binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers op straffe van niet-ontvankelijkheid.

5.3    De raad is op grond van de dossierstukken en de ter zitting afgelegde verklaringen van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld zoals dat een behoorlijk advocaat betaamt. In het kortgedingvonnis van 30 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van klaagster en de heer B. aan het passeren van de notariële akte van levering van de panden als klaagster en de heer B. hun medewerking niet verlenen (zie 2.4). Deze bepaling moet redelijkerwijs worden uitgelegd als dat het kortgedingvonnis in de plaats komt van een akte, althans van een door klaagster en de heer B. ondertekende akte tot levering. Anders dan verweerder ziet de raad daarbij geen wezenlijk verschil tussen een vonnis dat in de plaats treedt van de medewerking aan het passeren van de akte en een vonnis dat in de plaats treedt van een daartoe bestemde akte. De andersluidende uitleg die verweerder aan de bepaling in het kortgedingvonnis en artikel 3:301 BW geeft, volgt de raad niet. Artikel 3:301 lid 1 BW is naar het oordeel van de raad dan ook van toepassing.

5.4    Ook na bestudering van de rechtspraak over artikel 3:301 BW komt de raad niet tot een ander oordeel. Weliswaar is het ook in de zaak van klaagster zo dat uiteindelijk niet tot niet-ontvankelijkheid zou zijn geoordeeld als doorgeprocedeerd zou zijn, omdat op een later moment (1 augustus 2018) de panden alsnog aan de heer S. zijn geleverd. Dat maakt dat vanaf dat moment geen niet-ontvankelijkheid meer kan worden uitgesproken (vergelijk Hoge Raad, 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538). Dat neemt echter niet weg dat het bij het instellen van het hoger beroep op 26 april 2018 op dat moment wel degelijk een beroepsfout was om het exploot van dagvaarding in hoger beroep niet in te schrijven, want op dat moment was dat nodig om daadwerkelijk inhoudelijk te kunnen procederen bij het hof. Dat het hof een comparitie van partijen heeft bepaald en niet meteen op grond van het procesreglement heeft geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, zoals verweerder heeft aangevoerd, maakt dit oordeel ook niet anders. Op het moment dat verweerder namens klaagster het kort geding startte, was sprake van niet-ontvankelijkheid. Dat is pas na 1 augustus 2018 veranderd als gevolg van de feitelijke levering van de panden aan de heer S.

5.5    Kortom, de raad is van oordeel dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door het exploot van dagvaarding in hoger beroep van 26 april 2018 niet in te schrijven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 3:301 lid 2 BW. Deze beroepsfout is verweerder tuchtrechtelijk te verwijten. Klachtonderdeel a) is daarom in zoverre gegrond. De raad heeft niet kunnen vaststellen of en in hoeverre klaagster in haar belangen is geschaad doordat deze fout niet terstond door verweerder aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar is gemeld en de raad acht dit onderdeel van de klacht ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.6    Met klachtonderdeel b) verwijt klaagster verweerder dat hij de afspraak om de bodemprocedure kosteloos te voeren niet schriftelijk heeft vastgelegd en deze afspraak ook niet is nagekomen.

5.7    De raad kan op grond van de dossierstukken de juistheid van dit klachtonderdeel niet vaststellen, omdat niet is vast komen te staan dat verweerder met klaagster heeft afgesproken dat hij voor de bodemprocedure geen kosten in rekening zou brengen. Dat deze door klaagster gestelde afspraak zou zijn gemaakt, ligt ook niet voor de hand. De link die klaagster legt met het niet inschrijven van de dagvaarding in hoger beroep door verweerder die verweerder heeft gemaakt, kan de raad niet uit de stukken afleiden. Bovendien blijkt uit de akkoordverklaring van klaagster met de declaraties van verweerder (zie 2.11) niet dat klaagster de door haar gestelde afspraak over het kosteloos voeren van de bodemprocedure eerder dan in deze procedure bij verweerder heeft aangekaart. Omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken, is klachtonderdeel b) ongegrond.

Klachtonderdeel c)

5.8    Met klachtonderdeel c) verwijt klaagster verweerder dat hij in vier procedures op basis van uurtarief aan klaagster heeft gedeclareerd, hoewel hij voor deze procedures een toevoeging had verkregen. Klaagster vindt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met gedragsregels 8 (het zich onthouden van het verstrekken van feitelijk onjuiste informatie) en 18 (gefinancierde rechtsbijstand).

5.9    De raad is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verweerder gedragsregels 8 en 18 leden 2 en 3 heeft geschonden. Verweerder kan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In de opdrachtbevestiging (zie 2.5) heeft verweerder de afspraak over het in rekening brengen van een uurtarief vastgelegd. Klaagster is daar op 14 september 2018, zonder voorbehoud, mee akkoord gegaan door in te stemmen met de declaraties voor de door verweerder verrichte werkzaamheden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij de toevoegingen heeft aangevraagd om het griffierecht voor klaagster te verlagen en niet met de bedoelding om de zaak van klaagster op basis van een toevoeging te behandelen. Ook heeft verweerder betwist dat hij de rechtbank door het aanvragen van de toevoegingen verkeerd heeft voorgelicht. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de inkomens- en vermogenspositie van klaagster haar destijds het recht gaf op gedeeltelijke in debet stelling van het verschuldigde griffierecht. Omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken, is klachtonderdeel c) ongegrond.

Klachtonderdeel d)

5.10    Met klachtonderdeel d) verwijt klaagster dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. Het excessief declareren bestaat er volgens klaagster uit dat (1) verweerder zonder mededeling het uurtarief bij zijn declaratie heeft verhoogd ondanks de afspraak dat het uurtarief niet zou worden verhoogd, dat (2) verweerder zijn uren niet op een inzichtelijke, controleerbare wijze heeft gespecificeerd, dat (3) verweerder excessieve tijdsbestedingen voor relatief eenvoudige verrichtingen heeft berekend en dat (4) verweerders honorarium als geheel onredelijk is gelet op het negatieve resultaat.

5.11    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter geen declaratiegeschillen beslecht, maar wel waakt tegen excessief declareren door een advocaat. Of sprake is van excessief declareren hangt af van alle omstandigheden van het geval.

5.12    Voor wat betreft de verhoging van het uurtarief (1) heeft verweerder ter zitting erkend dat dit niet goed is gegaan en dat hij dit heeft gecorrigeerd op de eindafrekening. Klaagster heeft dit ter zitting niet betwist. Omdat in dit verband geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder is klachtonderdeel d) in zoverre dan ook ongegrond.

5.13    Ten aanzien van de urenspecificaties van verweerder (2) stelt de raad op grond van de stukken vast dat verweerder zijn uren heeft gespecificeerd, waarbij de opmerking ‘diverse werkzaamheden’ is gemaakt. Uit de omschrijvingen die daarbij horen, is af te leiden welke diverse werkzaamheden verweerder heeft verricht en hoeveel tijd hij daaraan heeft besteed. Anders dan klaagster meent, zijn de urenspecificaties van verweerder niet zodanig onduidelijk dat verweerder daar een tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt. Klachtonderdeel d) is in zoverre dan ook ongegrond.

5.14    Het is de raad op grond van de overgelegde urenspecificaties niet gebleken dat verweerder excessieve tijdsbestedingen heeft berekend voor relatief eenvoudige verrichtingen (3). De tijdsbestedingen die klaagster in dit kader als voorbeeld heeft aangedragen, komen de raad niet als excessief voor. Klachtonderdeel d) is in zoverre dan ook ongegrond.

5.15    Bij het door haar gestelde onredelijke honorarium (4) heeft klaagster gewezen op gedragsregel 17 lid 1 waarin is bepaald dat de advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een redelijk honorarium in rekening behoort te brengen. De raad is van oordeel dat verweerder deze gedragsregel heeft geschonden en ook tuchtrechtelijk verwijtbaar ten opzichte van klaagster heeft gehandeld. De zaak van klaagster betrof immers een relatief beperkt geschil waarin het ging om de uitleg van de ontbindingsclausule die in de koopovereenkomst met de heer S. is opgenomen. Verweerder heeft in opdracht van klaagster hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 30 maart 2018, maar dit niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals op grond van het kortgedingvonnis mogelijk was. Verweerder heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij niet gekozen heeft voor de mogelijkheid van een spoedappel, zodat er relatief snel antwoord zou komen op de vraag over de uitleg van de ontbindingsclausule. In plaats daarvan zijn diverse procedures gevolgd zonder positief resultaat voor klaagster, heeft klaagster een jaar later de eigendom van de panden niet terug en is het uiteindelijke resultaat een schikkingsbedrag van € 75.000,- dat volledig is aangewend voor betaling van de facturen van verweerder.  Bovendien weegt de raad hier mee dat klaagster, zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard, op grond van haar inkomens- en vermogenspositie  in aanmerking kwam voor een toevoeging. Omdat verweerder op grond van bovenstaande omstandigheden niet heeft gehandeld zoals dat een behoorlijk advocaat betaamt, is klachtonderdeel d) in zoverre gegrond.

Klachtonderdeel e)

5.16    Met klachtonderdeel e) verwijt klaagster verweerder dat hij de kwade kansen niet met haar heeft besproken en niet heeft vastgelegd en haar een te rooskleurig beeld heeft voorgespiegeld. Volgens klaagster heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 16 lid 1. Op grond van deze gedragsregel dient de advocaat zijn cliënte op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken en dient hij deze schriftelijk aan zijn cliënte te bevestigen ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil.

5.17    Uit de overgelegde e-mails tussen verweerder en klaagster blijkt dat verweerder klaagster op diverse momenten uiteen heeft gezet hoe de zaken ervoor stonden en wat de mogelijkheden waren. Zo blijkt uit een e-mail van 6 juli 2018 dat verweerder klaagster heeft voorgehouden wat de stand van zaken is in het hoger beroep en wat de verdere strategie zal zijn. Verder blijkt uit e-mails van 25 juli 2018 en 14 september 2018 dat verweerder klaagster heeft bevestigd wat zij eerder telefonisch hebben besproken over de zaak en wat er nog wel en niet mogelijk is. In het dossier bevinden zich naast de genoemde e-mails nog een aantal andere e-mails waaruit in meer of mindere mate blijkt dat verweerder klaagster, behalve via het door verweerder aangevoerde en door klaagster niet betwiste regelmatige telefooncontact, op de hoogte heeft gehouden van de diverse procedures en waarin hij ook de te volgen strategie heeft vastgelegd. Al met al is de raad van oordeel dat verweerder de in gedragsregel 16 lid 1 vastgelegde informatieplicht niet heeft geschonden en ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel e) is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel f)

5.18    Met klachtonderdeel f) verwijt klaagster verweerder dat de schikking in zijn eigen belang namens klaagster is aangegaan en dat hij het schikkingsbedrag heeft gehouden en met zijn declaratie heeft verrekend.

5.19    Op grond van de dossierstukken en de verklaringen die ter zitting zijn afgelegd, kan de raad de juistheid van dit door klaagster gestelde handelen van verweerder niet vaststellen. Uit het overlegde proces-verbaal van 22 mei 2019 blijkt dat klaagster de schikking voor akkoord heeft ondertekend. Dat klaagster spijt heeft dat zij met de schikking akkoord is gegaan, zoals zij ter zitting heeft gesteld, betekent niet dat verweerder van de schikking een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verder leidt de raad uit de e-mails van 24 mei 2019 (zie 2.14) af dat verweerder klaagster heeft bevestigd dat het schikkingsbedrag zou worden gebruikt voor de betaling van zijn declaratie en dat klaagster hiermee, zonder enig voorbehoud, akkoord is gegaan. Omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder niet is gebleken, is klachtonderdeel f) ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    De raad heeft vastgesteld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het exploot van dagvaarding in hoger beroep van 26 april 2018 niet in te schrijven in het rechtsmiddelenregister en door het in rekening brengen van een onredelijk honorarium. Hoewel niet eerder een maatregel aan verweerder is opgelegd, is de raad van oordeel dat de aard en ernst van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten een maatregel rechtvaardigen. Bij de bepaling van deze maatregel heeft de raad meegewogen dat verweerder niet inziet waarom het niet inschrijven van het exploot van dagvaarding in hoger beroep een beroepsfout is, terwijl het kantoor waar verweerder aan verbonden is gespecialiseerd is in vastgoedrecht. Verweerder zou dan ook moeten weten van de inschrijfverplichting in het rechtsmiddelenregister. Ook heeft de raad meegewogen dat klaagster met een relatief beperkt geschil (de uitleg van de ontbindingsclausule in de koopovereenkomst) bij verweerder is gekomen en dat verweerder de kosten door het aantal gevoerde procedures uit de hand heeft laten lopen, terwijl hij wist van de kwetsbare situatie waarin klaagster zich bevond door de ernstige ziekte van de heer B. Tot slot heeft de raad meegewogen dat verweerder wist dat klaagster op basis van haar inkomens- en vermogenspositie feitelijk in aanmerking kwam voor een toevoeging en dat het uiteindelijke schikkingsbedrag van € 75.000,- is opgegaan aan de declaraties van verweerder terwijl klaagster aan het einde van de gevoerde procedures met een voor haar negatief resultaat achterbleef. Gelet op deze omstandigheden legt de raad verweerder de maatregel van een berisping op.

7    GRIFFIERECHT EN PROCESKOSTEN

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klaagster,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a), voor zover dat gaat over de beroepsfout, gegrond en voor het overige ongegrond;

-    verklaart klachtonderdeel d), voor zover dat gaat over een onredelijk honorarium, gegrond en voor het overige ongegrond;

-    verklaart klachtonderdelen b), c), e) en f) ongegrond;

-    bepaalt dat aan verweerder de maatregel van een berisping wordt opgelegd;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans, H.Q.N. Renon, S.H.G. Swennen en E.H. de Vries, leden, bijgestaan door

mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2021.

Griffier                                                                     Voorzitter

Verzonden d.d. 23 augustus 2021