Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:143 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-286

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:143
Datum uitspraak: 28-06-2021
Datum publicatie: 27-07-2021
Zaaknummer(s): 21-286
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Nu niet kan worden vastgesteld wat verweerder precies tegen zijn cliënt heeft gezegd, kan evenmin worden vastgesteld dat verweerder zijn cliënt onjuist heeft geïnformeerd en is een rectificatie ook niet aan de orde. 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2021

in de zaak 21-286/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 23 maart 2021 met kenmerk Z 1298858/BD/SD, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 18 februari 2020 heeft de advocaat van klager verweerder gebeld om hem te informeren dat een broer van klager onderweg was naar de woning van verweerders cliënt, zijnde een andere, tweede broer van klager.

1.2    Op 12 maart 2020 heeft de cliënt van verweerder – de hiervoor bedoelde tweede broer van klager – aangifte tegen klager gedaan van bedreiging.

1.3    Bij e-mail van 7 mei 2020 heeft de advocaat van klager verweerder onder meer geschreven:

“Ik heb begrepen dat uw cliënt (…) aangifte heeft gedaan tegen zijn broer, [klager]. (…)
Ik heb van mijn kantoorgenoot begrepen dat uw cliënt (…) in zijn aangifte op 12 maart jl. zou hebben gesteld dat ik u op woensdag 19 februari jl. zou hebben gebeld met de mededeling dat mijn cliënt (onderstreping Raad van Discipline) (…) naar het huis van [de cliënt van verweerder] op weg was om verhaal te halen.
Ik sta er voor in dat die verklaring van [de cliënt van verweerder] onwaarachtig is. Ik heb u namelijk op dinsdag 18 februari jl. rond 17:30 uur gebeld met de mededeling dat mijn cliënt (…) mij net had verteld dat zijn broer (onderstreping Raad van Discipline) (…) geheel overstuur naar het huis van [de cliënt van verweerder] onderweg was om verhaal te halen. (…)
Ik neem aan dat u opgemelde gang van zaken betreffende ons telefoongesprek op 18 februari desgevraagd kunt bevestigen.

1.4    Op 18 november 2020 is aan klager een kennisgeving voorwaardelijk sepot uitgereikt.

1.5    Bij e-mail van 23 november 2020 heeft de advocaat van klager verweerder onder meer geschreven:

“[Klager] heeft inmiddels bericht gekregen van de officier van justitie (…)waarin [klager] nog steeds wordt verdacht van het zijn broer (…) bedreigd hebben op 19 februari 2020. (…)
In ons telefoongesprek tussen u als advocaat van [de cliënt van verweerder] en ik als advocaat van [klager] op 8 mei 2020 10:50 uur bevestigde u mij dat het precies zo is als ik in mijn (onderstaande) e-mail van 7 mei 2020 had geschreven. (…)
Thans blijkt dat dit toch niet voldoende is voor de ovj om van de juistheid van wat ik u schreef en na ons telefoongesprek bevestigde uit te gaan. Het is kennelijk van belang dat er toch ook nog een schriftelijke bevestiging van uw hand beschikbaar komt.
Ik verzoek u vriendelijk mij met een reactie op deze e-mail te bevestigen dat het gestelde in mijn onderstaande e-mail van 7 mei 2020 en hetgeen ik bovenstaand heb genoteerd uit ons telefoongesprek van 8 mei 2020 juist is.”

1.6    Bij e-mail van 8 december 2020 heeft de advocaat van klager klager geschreven:

“Ik heb [verweerder] telefonisch gevraagd waar zijn antwoord blijft. Hij gaf nu aan dat hij er voor zijn cliënt bang voor is dat met het schriftelijk erkennen dat de aangifte (door een miscommunicatie tussen [verweerder] en zijn cliënt) verkeerd is gegaan (vals is) jij dat gaat gebruiken om een claim tegen hun te lanceren.
Ik heb nu gezegd daarover met jou te overleggen, maar dat ik er vanuit ga dat jij daar helemaal niet op uit bent, maar dat jij absoluut wilt dat deze onjuiste aangifte van tafel gaat.
Laat even weten of ik [verweerder] kan bevestigen dat jij als de bevestiging komt dat niet zal gebruiken om een claim tegen hun in te dienen.”

1.7    Op 11 december 2020 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder weigert een rectificatie af te geven van door hem in februari 2020 aan zijn cliënt gegeven foutieve informatie, ondanks aanhoudende verzoeken van de advocaat van klager.

b)    Verweerder wil de hiervoor bedoelde rectificatie slechts afgeven, indien klager zou melden dat met deze rectificatie niets tegen de cliënt van verweerder zou worden ondernomen.

c)    Verweerder heeft onwaarheden gemeld aan zijn cliënt in februari 2020, hetgeen heeft geleid tot een aangifte van zijn cliënt tegen klager bij de politie op 12 maart 2020 wegens bedreiging, waarna op 18 november 2020 aan klager een voorwaardelijk sepot is uitgereikt.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerder als advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdelen a), b) en c)

4.2    De klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij foutieve informatie aan zijn cliënt heeft gegeven als gevolg waarvan zijn cliënt aangifte tegen klager heeft gedaan en dat verweerder weigert die foutieve informatie te rectificeren, althans dat hij die informatie slechts onder voorwaarden wil rectificeren.

4.3    De voorzitter overweegt als volgt. De klacht is gebaseerd op de veronderstelling dat verweerder tegen zijn cliënt heeft gezegd dat klager onderweg was naar de woning van zijn cliënt, in plaats van de broer van klager. Dat verweerder dat inderdaad tegen zijn cliënt heeft gezegd, heeft klager echter niet onderbouwd en is reeds daarom niet vast te stellen. Verweerder heeft terecht met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht aangevoerd dat het hem niet vrij staat aan klager te vertellen wat hij precies tegen zijn cliënt heeft gezegd, ook omdat hij daarmee zijn cliënt zou kunnen incrimineren. Verweerder mocht ermee volstaan te verklaren dat de advocaat van klager hem had meegedeeld dat de broer van klager onderweg was naar de woning van verweerders cliënt.

4.4    Nu niet kan worden vastgesteld wat verweerder precies tegen zijn cliënt heeft gezegd, kan evenmin worden vastgesteld dat verweerder zijn cliënt onjuist heeft geïnformeerd en is een rectificatie ook niet aan de orde. Dat verweerder voorwaarden heeft gesteld aan het geven van een rectificatie heeft verweerder betwist.

4.5    De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is.

BESLISSING

De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.R. Veerman, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op

28 juni 2021.

Griffier                                                                          Voorzitter

Verzonden d.d. 28 juni 2021