Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:131 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-509

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:131
Datum uitspraak: 21-06-2021
Datum publicatie: 21-07-2021
Zaaknummer(s): 20-509
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Berichten aan derden
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager heeft als partijdeskundige opgetreden voor partij B in een civiel geschil tussen B en de cliënte van verweerder. Verweerder mocht klager rechtstreeks benaderen zoals gedaan, nu daaraan geen (gedrags)regel in de weg staat. Alhoewel de inhoud van de gewraakte e-mail van verweerder aan klager een scherpe toonzetting had, heeft verweerder daarmee niet de grenzen van het betamelijke overschreden. Niet is gebleken dat verweerder opzettelijk voor toezending van die e-mail een ander zakelijk e-mailadres van klager heeft gebruikt met de intentie om hem zakelijk te schaden. Het stond verweerder vrij om contact te zoeken met de beroepsverenigingen van klager zoals door hem gedaan. Klacht in zoverre ongegrond.  

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2021

in de zaak 20-509/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 29 augustus 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 6 juli 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 19/102 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 april 2021. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de in de aanbiedingsbrief genoemde stukken.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager is bij [naam bedrijf E] werkzaam als adviseur en register valuator. Hij staat ingeschreven bij het Landelijk Register Gerechtelijk Deskundigen (LRGD).

2.3    Verweerder behartigt sinds maart 2019 de belangen van [naam bedrijf] (hierna verder: cliënte). Zijn cliënte is in een civiele procedure verwikkeld geraakt met (de eenmanszaak van) B.

2.4    Klager is door B ingeschakeld om een schadeberekening uit te voeren. De op 27 november 2018 door klager gemaakte rapportage met berekening is door B gebruikt om ten laste van de cliënte van verweerder beslag te leggen en ter onderbouwing van de hoogte van de vermeende schade van B in de schadestaatprocedure.

2.5    Per e-mail van vrijdag 29 maart 2019 om 15:34 uur heeft verweerder aan klager laten weten dat hij optreedt voor de wederpartij van B in de tussen hun lopende civiele procedure. Voor zover relevant heeft verweerder aan klager het volgende geschreven: 

“Mijn cliënte heeft grote kritiek op het door u afgegeven rapport als register valuater. Daarbij stoort het dat u zich ter zake heeft gepresenteerd niet alleen register valuator, maar ook als inschreven bij het landelijk register van gerechtelijke deskundigen.
Ik zend u hierbij een afschrift van de beschikking (bijlage) van de rechtbank Amsterdam die is verstrekt, op basis waarvan - zakelijk weergegeven en eufemistisch uitgedrukt - kan worden afgeleid dat uw schadeberekening zeker niet wordt gevolgd. Ik had overigens ook al in een brief aan uw opdrachtgever in gelijke bewoordingen aangegeven dat zeer veel is af te dingen op uw rapportage.
U heeft een partij-deskundigenbericht afgegeven in de wetenschap dat dit gebruikt zal gaan worden in een juridische procedure. U bent eenzijdig geïnformeerd en heeft geen hoor en wederhoor toegepast.
Ik constateer het navolgende:
1.    Uit de rapportage blijkt dat u de locatie van mijn cliënte voorafgaand aan de aanstelling heeft bezocht en daarna ook nog drie maal. U heeft hier geen toestemming voor gevraagd en uiteraard ook niet gekregen. De locatie is niet openbaar toegankelijk, zodat u de locatie niet had mogen bezoeken zonder toestemming van cliënte.
2.    In strijd met richtlijn 520 heeft u geen disclaimer aangebracht, inhoudende dat u de verstrekte gegevens, informatie en toelichting niet op juistheid en volledigheid heeft beoordeeld. U bent dus klakkeloos uitgegaan van de juistheid van de verschafte gegevens.  (…)

Uw rapportage, die dus in rechte wordt gebruikt, kent een aantal bijlagen, die in de procedure niet zijn ingebracht. Ik verzoek u mij deze bijlagen te doen toekomen.

Ik verzoek u mij binnen één week na heden inhoudelijk antwoord op het bovenstaande te geven. Naar aanleiding van uw antwoord zal mijn cliënte zich verder beramen op vervolgacties.”

Klager heeft deze e-mail gestuurd naar het e-mailadres [naam klager]@[x].

2.6    In zijn e-mail van 29 maart 2019 om 16:55 uur heeft klager onder meer het volgende aan verweerder geschreven:

“U treft het, ik zat al enkele uren gedachteloos voor mij uit te turen dus uw e-mailbericht kwam als geroepen, twee vliegen in 1 klap: ik heb wat te doen & u hoeft geen week te wachten op antwoord:
Ik reageer als volgt:
(…)
2. U geeft aan dat het stoort (u of uw cliënte?) dat ik mij gepresenteerd heb niet alleen als register valuator maar ook als ingeschreven bij het LRGD. Beide genoemde zaken zijn feiten, als u of cliënte zich daar aan stoort of niet doet niet ter zake. (…) Verder heb ik overduidelijk met hoofdletters aangegeven op het voorblad dat het een partijdeskundigenbericht is, daar kan dus geen misverstand over bestaan. (…)
5. U geeft aan dat de locatie niet openbaar toegankelijk is. Ik heb geen enkele verwijzing hiernaar (…) gevonden, anders had ik uiteraard het terrein niet betreden. (…) bied ik daarvoor mijn welgemeende excuses aan.
6. U geeft aan dat ik in strijd met richtlijnen 500 en 520 gehandeld heb. Nu zou ik uw en mijn tijd kunnen verspillen door te vragen naar welke richtlijnen u verwijst (dat vermeldt u niet) maar laat ik op de vrijdagmiddag serieus blijven. U verwijst ongetwijfeld naar de richtlijnen van het NiRV. (…) Er geldt geen verplichting deze te hanteren. Daarbij zien de richtlijnen op waarderingswerkzaamheden en het (partij)deskundigenbericht ziet op het in kaart brengen van de door partij [B] geleden schade.
7. U geeft aan dat er bijlagen bij het deskundigenbericht niet zijn ingebracht en verzoekt die aan u te doen toekomen. Los van de vaagheid van dit verzoek (welke bijlagen?) is het uiteraard niet aan mij om u bijlagen te verstrekken, u zou beter moeten weten (en ik schat zo in dat u ook daadwerkelijk beter weet).
Zoals gezegd had ik toch niks beters te doen dus heb ik hierbij netjes antwoord gegeven op uw bericht. Ik kan niet uitsluiten dat ik de volgende keer wat beters met mijn tijd te doen heb. Ik stel uw bericht niet op prijs en verzoek u om van verdere correspondentie mij te onthouden. U kunt zich inzake de door [B] aangespannen procedure tot [naam advocatenkantoor] wenden en als u er van overtuigd bent dat ik mij niet aan verplichtingen inzake het lidmaatschap van het NiRV heb gehouden en/of de inschrijving bij het LRGD, dan verwijs ik u naar de tuchtreglementen van beide instanties [link].
Mocht u desalniettemin toch nog een volgend bericht willen sturen, wilt u dan het correcte e-mailadres aanhouden, zoals ook in het deskundigenbericht vermeld staat? Net zo goed dat als ik u wil opzoeken ik dan niet naar de [adres verweerder privé] ga maar naar [adres kantoor verweerder], stel ik op prijs dat u niet een van internet geplukt e-mailadres hanteert maar het e-mailadres van het (/mijn) bedrijf dat het rapport uitgebracht heeft.
Ik wens u een prettig weekeinde toe en vertrouw erop niets meer van u te vernemen.”

2.7    Op 18 april 2019 heeft verweerder een e-mail met bijlagen, waaronder het partij-deskundigenbericht van klager en de tussen verweerder en klager gevoerde correspondentie daarover, aan het bestuur van het LRGD gestuurd en aandacht gevraagd voor het volgende:

“Ondergetekende heeft geen klacht waar het reglement voor de tuchtrechtspraak op ziet, maar ik wil u wel op de hoogte stellen van en uw visie vragen op een kwestie die een cliënt bezig houdt.
In deze kwestie is een partij-deskundigenbericht uitgebracht door iemand die in uw register staat ingeschreven, [klager]. (…).
Hoewel wordt aangegeven dat het een partij-deskundigenbericht is, heeft het bericht de uitstraling van een gerechtelijk-deskundigenbericht. Zoals u ziet, is op pag.2 uw logo gehanteerd door [klager], terwijl op het voorblad ook wordt gesproken over een zaaknummer (…).
(…) In het bijzonder geldt het de navolgende zaken:
1. Is [klager] gerechtigd om uw logo te gebruiken in een partij-deskundigenbericht?
2. Is de opzet van de rapportage van [klager] uwerzijds geoorloofd? Daarmee bedoel ik dat het een partij-deskundigenbericht is dat toch verwijst naar een zaaknummer, waarbij uw naam en logo wordt gebruikt en alle partijen op deze wijze worden benoemd.
(…)
Ik zou het op prijs te stellen een reactie van u te ontvangen omtrent de wijze van optreden door deze betrokkene.”

2.8    Verweerder heeft telefonisch contact gezocht met het Nederlands Instituut voor Register Valuators  (NiRV) over de wijze van optreden van klager. Verweerder heeft van deze instantie geen schriftelijk bericht ontvangen.

2.9    Bij brief van 4 juni 2019 heeft de secretaris van het LRGD namens het bestuur aan verweerder bericht dat het inderdaad geen klacht betrof waarop hun tuchtreglement ziet, zodat inhoudelijk verder niet zal worden gereageerd. En verder is namens het bestuur geschreven:

“Wij beperken ons tot de mededelingen dat het aan bij ons geregistreerde deskundigen is toegestaan het LRGD logo te gebruiken. Aan het gebruik van het Model Deskundigenbericht als format voor een partijdeskundigenbericht staat naar onze mening niets in de weg.”

2.10    Verweerder heeft in de conclusie van antwoord van 20 juni 2019 in de tussen zijn cliënte en B lopende procedure het rapport van klager inhoudelijk betwist. Ook heeft hij daarin dezelfde standpunten ingenomen als vermeld in zijn correspondentie met het LRGD en het NiRV over klager. In punt 16 van het processtuk heeft verweerder, voor zover relevant in deze zaak, gemeld:

“De wijze van reactie van [klager] heeft [cliënte] er toe gebracht om de respectieve besturen hiervan op de hoogte te stellen (…). Beide organisaties hebben aangegeven dat deze kwestie in het desbetreffende bestuur wordt opgenomen en aan de orde zal worden gesteld in een bestuursvergadering. Wat daarvan de uitslag is, is [cliënte] nog niet bekend. [Cliënte] zal dit inbrengen, zodra haar dit bekend wordt. (…).”

2.11    B  en zijn advocaat hebben eveneens een klacht tegen verweerder ingediend, welke zaak bij de raad bekend is onder zaaknummer 20-508.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    klager rechtstreeks te benaderen, terwijl klager optreedt als deskundige voor de wederpartij, en klager te verzoeken om documenten toe te sturen, terwijl deze mogelijk de cliënt van klager zou schaden. Verweerder had zich tot de advocaat van de wederpartij moeten wenden;

b)    het verkeerde e-mailadres van klager te gebruiken en zich daardoor te wenden tot de verkeerde partij ([naam bedrijf]), terwijl een andere partij naam bedrijf E] het deskundigenbericht heeft uitgebracht, wat door klager is opgevat als een poging om hem te beschadigen bij die andere partij waarvoor klager ook werkzaamheden heeft verricht;

c)    klachten in te dienen over klager bij het LGRD en het NiRV, terwijl verweerder al was geïnformeerd dat hij geen klachten kon indienen bij deze partijen, wat door klager is opgevat als een poging om hem te beschadigen binnen zijn beroepsgroep;

d)    in het geschil tussen de cliënt van verweerder en de opdrachtgever van klager de rechtbank van onjuiste informatie te voorzien door in zijn conclusie van antwoord te vermelden dat hij nog niet op de hoogte was van de uitkomst van zijn bij LGRD en NiRV ingediende klachten, terwijl verweerder daarmee al voor het indienen van het processtuk bekend was.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.2    Volgens verweerder mocht hij rechtstreeks contact zoeken met klager die als partij-deskundige optrad voor de wederpartij van zijn cliënte en op de wijze zoals hij dat heeft gedaan. Er is geen gedragsregel die hem dat verbiedt. In het belang van en in opdracht van zijn cliënte heeft hij op 29 maart 2019 een e-mail aan klager gestuurd met een aantal ook kritische vragen waarop zijn cliënte antwoord wilde krijgen. Ook wilde zijn cliënte de onderliggende stukken van klager ontvangen waarop hij zijn rapport had gebaseerd. Het stond klager vrij om al dan niet te antwoorden op de door verweerder gestelde vragen. Tuchtrechtelijk is dit niet verwijtbaar, aldus verweerder.

Klachtonderdeel b)

4.3    Verweerder heeft zijn secretaresse gevraagd om uit te zoeken hoe klager bereikt kon worden. Via internet heeft zij een openbaar kenbaar e-mailadres, specifiek op naam van klager, gevonden. Dat e-mailadres is door verweerder gebruikt bij verzending van zijn e mail van 29 maart 2019 aan klager. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij die e mail niet opzettelijk naar een verkeerd e-mailadres van klager heeft gestuurd en dat hij nimmer de intentie had om klager daardoor te schaden. Dat een ander e-mailadres in de rapportage van klager stond is aan zijn aandacht ontsnapt, aldus verweerder ter zitting.

Klachtonderdeel c)

4.4    Vanwege de zeer scherpe en intimiderende reactie van klager in diens e-mail van 29 maart 2019 heeft verweerder op uitdrukkelijk verzoek van zijn cliënte contact gezocht met het LRGD en het NiRV over de opstelling van klager. Het was bovendien klager zelf die verweerder in genoemde e-mail had aangeraden om klachten over hem in te dienen bij die instanties. In het telefoongesprek met het NiRV heeft hij gemeld wat er speelde met klager en heeft hij toegelicht dat klager wat hem betrof een ongepaste reactie aan hem had gemaild met daarin onnodig vermelding van zijn privé adres. Volgens verweerder wilde het bestuur die onbehoorlijke reactie van klager zien zodat zij klager daarop zouden kunnen aanspreken. Eveneens in het belang van zijn cliënte heeft hij ook het LRGD om een reactie gevraagd over de wijze van optreden van klager.

Klachtonderdeel d)

4.5    Verweerder bevestigt dat het LRGD op 4 juni 2019, dus voor indiening van het processtuk op 20 juni 2019, inhoudelijk heeft gereageerd op zijn e-mail van 18 april 2019 over het onbehoorlijke optreden van klager. Volgens verweerder was dat processtuk al op 16 mei 2019 in concept gereed, maar kon zijn cliënte niet meteen maar wel kort daarna met de inhoud ervan instemmen. Vervolgens is die conclusie van antwoord ongewijzigd op 20 juni 2019 bij de rechtbank ingediend. De in de tussentijd ontvangen brief van het LRGD is door de collega van verweerder, die de zaak verder inhoudelijk behandelde, als niet relevant beschouwd. Daarom is randnummer 16 in het processtuk abusievelijk niet meer aangepast. Dat is niet opzettelijk gebeurd en niet met de intentie om een ander te schaden. Bovendien had de advocaat van de wederpartij die informatie alsnog kunnen overleggen in die procedure indien als dusdanig essentieel werd beschouwd.

5    BEOORDELING

5.1    Allereerst stelt de raad vast dat het gaat om het handelen van de advocaat die niet de advocaat van klager is, maar van een ander bij wiens (civiele) zaak klager als partijdeskundige betrokken is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt in dat geval aan de advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over (voor zover hier van belang) een betrokken derde, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van (voor zover hier van belang) een betrokken derde onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

5.2    De raad zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a)

5.3    Naar het oordeel van de raad is het tuchtrechtelijk geoorloofd om een partijdeskundige rechtstreeks te benaderen zoals verweerder dat in opdracht en in het belang van zijn cliënte heeft gedaan. Daaraan staat geen (Gedrags)regel in de weg. Voorts is de raad van oordeel dat verweerder met de inhoud en toonzetting van zijn e-mail van 29 maart 2019 aan klager wat scherp aan de wind heeft gezeild, maar de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden. Dat klager de door verweerder gestelde vragen niet wilde beantwoorden of aan het verzoek om toezending van stukken wilde voldoen, stond hem ook vrij. Nu verweerder bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte de belangen van klager dan ook niet onnodig of onevenredig heeft geschaad zonder doel, is van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder jegens klager geen sprake.

5.4    De raad zal klachtonderdeel a) dan ook ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

5.5    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de raad niet gebleken dat verweerder met opzet het door klager bij een andere opdrachtgever gebruikte e-mailadres heeft gebruikt met de intentie om klager daardoor in zijn (zakelijke) belangen te schaden. Verweerder heeft nog onbetwist toegelicht dat zijn secretaresse bedoeld e-mailadres op naam van klager zo via internet had gevonden. Het was weliswaar zorgvuldiger geweest als verweerder het door klager in zijn rapportage genoemde e-mailadres had gebruikt, maar dat verweerder door te mailen naar een ander zakelijk e-mailadres van klager diens zakelijke belangen bij dat andere bedrijf heeft beschadigd, is de raad niet gebleken. Feiten die dat standpunt van klager onderbouwen, ontbreken.

5.6    Het voorgaande leidt ertoe dat van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder jegens klager in dezen geen sprake is, zodat ook klachtonderdeel b) ongegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel c)

5.7    Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om ook na zijn telefonische contacten met het LGRD en het NiRV over de niet-ontvankelijkheid van zijn klachten alsnog schriftelijk informatie over klager aan die instanties toe te sturen. Verweerder had immers voldoende reden om zijn klachten over de in zijn ogen onaanvaardbare houding van klager alsnog schriftelijk en met stukken onderbouwd aan de besturen van die instanties voor te leggen en de telefonische informatie kan onjuist of onvolledig zijn geweest. Anders dan klager stelt, heeft verweerder dat naar het oordeel van de raad op zorgvuldige wijze gedaan zonder dat hij de belangen van klager onnodig of onevenredig zonder doel daarmee heeft geschaad. Nu verweerder aldus niet de grenzen heeft overschreden die hij als advocaat tegenover klager als derde had, heeft verweerder daarmee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.8    Daarmee oordeelt de raad ook klachtonderdeel c) ongegrond.

Klachtonderdeel d)

Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Gesteld noch gebleken is dat klager door de genoemde onjuiste informatie in het processtuk in de procedure tussen de cliënte van verweerder en de wederpartij B rechtstreeks in zijn belang is geschaad. Dat betekent dat klager in zoverre in klachtonderdeel d) niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hetgeen over en weer over dit verwijt is gesteld, behoeft dan ook geen nadere bespreking.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) tot en met c) ongegrond;

-    verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel d).

Aldus beslist door mr. K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. K.F. Leenhouts, Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2021.

griffier                                                                      voorzitter

Verzonden d.d. 21 juni 2021