Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:129 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-162

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:129
Datum uitspraak: 05-07-2021
Datum publicatie: 21-07-2021
Zaaknummer(s): 20-162
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht over kwaliteit dienstverlening. Naar oordeel van de raad moest verweerster, en was dat in het belang van klager ook noodzakelijk dat zij, gelet op de inhoud van de procesinleiding van de wederpartij, gemotiveerd en uitgebreid verweer voerde. Klager is daarbij nauw betrokken en heeft met de indiening ervan ingestemd. Excessieve kosten zijn niet onderbouwd of gebleken. Nadat betaling van declaraties door klager uitbleef, stond het verweerster vrij om klager een concept incasso dagvaarding te sturen. Toereikende uitleg waarom verweerster de kosten van de klacht van de wederpartij aanvankelijk aan klager in rekening heeft gebracht en later alsnog heeft gecrediteerd. Ongegronde klacht.  

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 5 juli 2021

in de zaak 20-162/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 januari 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 28 februari 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 773706/HH/SD van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 april 2021. Daarbij waren klager en verweerster  aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de in de aanbiedingsbrief en op de inventarislijst genoemde bijlagen.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerster heeft klager in 2014 bijgestaan in een procedure tot afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader. In hoger beroep is tussen de betrokken partijen overeenstemming bereikt. Verweerster heeft het dossier daarna gesloten.

2.3    Begin januari 2018 heeft klager zich opnieuw tot verweerster gewend omdat de afspraken over de afwikkeling van de nalatenschap niet werden nagekomen.

2.4    Per e-mail van 23 januari 2018 aan klager heeft verweerster haar visie gegeven op de correspondentie van klager met zijn broer L en de mogelijkheid tot aansprakelijkheidstelling van broer L. Ook heeft zij klager gevraagd of de aangekondigde procesinleiding van broer M al aan hem was betekend en of daar bijlagen bij zaten. In dat kader heeft zij verder geschreven:

“Als ik me meld in de procedure dan zou ik dit wellicht kunnen zien. Alleen dan gaat er meteen een verweertermijn lopen, in welk verband ik liever al vooraf zoveel mogelijk input heb voor dit verweer. Ik ontvang in dit kader nog graag jouw reactie op de procesinleiding en verneem graag als jij contact hebt kunnen krijgen met [G]. (…).”

2.5    In reactie hierop heeft klager per e-mail van 23 januari 2018 aan verweerster laten weten het aan haar oordeel over te laten wanneer broer L aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. Verder heeft hij gemeld nog geen contact met G te hebben gehad en heeft hij zich afgevraagd welke reactie hij kon geven op de procesinleiding.

2.6    Per e-mail van 25 januari 2018 heeft verweerster aan klager laten weten dat zij zich in de door broer M gestarte procedure zal richten op het juridische relaas, maar dat zij een reactie van klager nodig heeft op de in de procesinleiding genoemde feiten.

2.7    Diezelfde dag heeft klager aan verweerster gemaild:

“Ik wil voorkomen dat wij in een oneigenlijke discussie terecht komen. Alle feiten en argumenten zijn de afgelopen jaren breed en wel over tafel geweest. Dit brengt ons niets, alleen maar veel tijd en energie. Er zijn m.i. geen nieuwe feiten meer. Laten wij ons beperken tot de kern van de zaak en dat is het testament. Daartoe wil ik mij beperken, het heeft al teveel nodeloze energie en geld gekost. Als jij je hier niet in kunt vinden, laat dit dan weten dan bellen we even.”

2.8    Op 30 januari 2018 is op verzoek van broer M de op 16 januari 2018 gedateerde procesinleiding aan klager betekend. Voor zover relevant is in de procesinleiding het volgende gesteld:

Ten aanzien van het erfdeel heeft eiser daarin - samengevat - verzocht:

- primair voor recht te verklaren dat het testament van beide ouders zo moet worden uitgelegd dat 1) van een legaat/ recht van vruchtgebruik geen sprake is, maar 2) dat eiser tezamen met de andere broers voor gelijke delen erfgenaam is geworden of 3) geen sprake is van een recht op vruchtgebruik door klager ten behoeve van het legaat en eiser recht heeft op het bedrag van ten minste € 111.743,16 als een deel van zijn legaat/erfdeel, aan uitbetaling door de notaris waarvan 4) klager zijn medewerking zal moeten verlenen;

- subsidiair voor recht te verklaren dat klager (i) misbruik van zijn bevoegdheid maakt door zijn recht van vruchtgebruik uit te oefenen dan wel (ii) in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt, zodat (iii) eiser recht heeft op vergoeding van € 111.743,16 als zijnde een deel van zijn legaat/erfdeel en dit bedrag door de notaris aan eiser, met medewerking van klager, moet worden uitgekeerd;

- meer subsidiair klager, onder verbeurte van een dwangsom, te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst en de bijbehorende afspraken waarbij hij zijn medewerking zal moeten verlenen aan het openen van de vruchtgebruik-rekening zodat daarop het aan eiser verschuldigde bedrag van

€ 111.743,16 kan worden gestort.

Daarnaast zijn door broer M vorderingen  tegen klager ingediend ten aanzien van de ervenrekening en een schilderij.

2.9    In haar e-mail van 23 februari 2018 heeft verweerster aan klager een aantal vragen gesteld en kritische opmerkingen gemaakt in verband met het maken van het verweerschrift. Ook heeft verweerster geschreven:

“[Broer L] is naast jou medegedaagde in de door [broer M] gestarte procedure. Ik kan tegenvorderingen instellen tegen [broer M], maar ik kan dit niet tegen [broer L]. Dit is anders als het gaat om verdeling. Op overige punten zou tegen [broer L], indien nodig, apart een procedure gestart moeten worden. [Broer L] staat echter feitelijk buiten het conflict met [broer M] over het vruchtgebruik, althans hij verschuilt zich achter [broer M]. Mede met het oog op de kosten (je bent al bekend met de griffiekosten in de huidige procedure) geef ik je in overweging met eventueel procederen tegen [broer L] in overweging eerst de huidige procedure af te wachten.”

2.10    In zijn e-mail aan verweerster van diezelfde dag heeft klager zijn ernstige zorgen geuit over zijn tot dat moment al gemaakte kosten van € 30.000,- voor advisering waarop verweerster in zijn ogen terug leek te komen. Ook heeft klager zich afgevraagd of de procedure zo nog wel zin heeft.

2.11    Verweerster heeft namens klager een verweerschrift tevens eis in reconventie ingediend terzake de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, de door klager geleden schade, de erfbelasting voor het geval het vruchtgebruik niet gevestigd zou hoeven te worden, ten aanzien van een dooplepel, de ervenrekening en gemaakte kosten. Klager heeft met de inhoud daarvan ingestemd, waarna het verweerschrift bij de rechtbank is ingediend.

2.12    Bij haar e-mail van 3 mei 2018 heeft verweerster het van de wederpartij ontvangen verweerschrift aan klager gestuurd. Klager heeft daarop klager op 5 mei 2018 inhoudelijk gereageerd.

2.13    Op 20 augustus 2018 heeft de secretaresse namens verweerster aan klager een aanmaning gestuurd voor de aan hem gezonden declaratie van 19 juli 2018 ter hoogte van € 1.075,46.

2.14    In reactie daarop heeft klager in zijn e-mail van 21 augustus 2018 laten weten geschrokken te zijn van de hoogte van de declaratie en niet te begrijpen waar die uren vandaan kwamen. Verweerster heeft diezelfde dag per e-mail haar gedeclareerde werkzaamheden toegelicht en heeft klager voorgesteld een aantal uren te crediteren.

2.15    Na uitblijven van een reactie op het crediteringsvoorstel heeft de secretaresse namens verweerster op 23 augustus 2018 aan klager een aangepaste declaratie ter hoogte van € 800,34 gestuurd. Diezelfde dag heeft klager gemaild de hoogte van die declaratie nog steeds niet te begrijpen.

2.16    Per e-mail van 24 augustus 2018 heeft de secretaresse namens verweerster klager gesommeerd om de laatste declaratie te betalen en heeft verder aan hem geschreven:

“Aangezien u niet concreet aangeeft waar het probleem in zit zal ik naar eigen inzicht uw mail beantwoorden.

Ik heb u al eerder verwezen naar de urenspecificatie die bij de onderhavige declaratie hoort. Deze sluit ik volledigheidshalve nog eens bij. Daaruit kunt u opmaken welke werkzaamheden in uw dossier zijn geweest. Daar heeft [verweerster] nog eens kritisch naar gekeken en coulancehalve 1.10 uren zijn gecrediteerd. (…).”

Naar aanleiding van een e-mail van klager dat hij geen flauw idee had waar de gedeclareerde uren vandaan kwamen en een gesprek daarover voorstelde, heeft verweerster diezelfde dag om 11:13 uur nogmaals alle gevoerde correspondentie - waar de declaratie op zag - aan klager toegezonden. Ook heeft zij klager laten weten dat nog altijd onduidelijk bleef met welke specifieke posten hij het niet eens was.

In zijn e-mail van 11:50 uur heeft klager verweerster gemeld:

“Inmiddels zitten ruim boven de € 50.000,- aan advieskosten waarvan ruim € 30.000,- aan advocaat kosten. Dan moet het op enig moment ook klaar zijn. (…)

De uren specificaties kan ik niet inhoudelijk beoordelen aangezien er geen omschrijving staat. Daarmee is ook de tijdsduur hiervan niet te beoordelen. Echter een aanvullend factuur van € 1.000 voor een dossier wat inmiddels ruimschoots klaar is, past niet.

Ik mag dan toch wel hopen dat wij deze zaak gaan winnen, echter gezien jouw opmerking van afgelopen periode maak ik mij daar zorgen om.”

Om 14:56 uur heeft verweerster richting klager gereageerd. Daarin heeft zij aangegeven zijn hoge kosten vervelend te vinden, maar de door haar gedeclareerde uren in de door broer M tegen klager gestarte procedure duidelijk te hebben gespecificeerd. Ook heeft zij klager gevraagd of hij van plan is om haar laatste declaratie en eventueel toekomstige declaraties nog te betalen. Tot slot heeft verweerster zich voor overleg bereid gehouden.

Om 15:20 uur heeft klager daarop gereageerd en zijn standpunt over de gang van zaken nogmaals toegelicht. Ook heeft hij met een afspraak over de declaraties ingestemd.

2.17    Op 18 september 2018 heeft bij de rechtbank een zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan omdat de zaak na een getroffen schikking is doorgehaald.

2.18    In de periode daarna is tussen klager en verweerster gecorrespondeerd over de gang van zaken tijdens de zitting bij de rechtbank en over het nut van de voor klager - achteraf bekeken - kostbare procedure.

2.19    Dit heeft geleid tot een interne klacht van klager over verweerster. Op 13 november 2018 is daarover een bespreking met de klachtenfunctionaris geweest. Die klacht is bij brief van 15 november 2018 door de klachtenfunctionaris ongegrond verklaard en klager voor zover nodig doorverwezen naar de Geschillencommissie Advocatuur. Klager heeft zich van de inhoud daarvan gedistantieerd in zijn e-mail van 16 november 2018.

2.20    Per e-mail van 20 september 2018 heeft de secretaresse namens verweerster een declaratie met urenspecificatie aan klager gestuurd en daarbij aangegeven dat twee uren voor voorbereiding van de zitting niet aan hem zijn doorbelast.

2.21    Per e-mail van 27 november 2018 heeft de secretaresse namens verweerster klager gewezen op de nog openstaande declaratie. De door verweerster in rekening gebrachte kosten voor de tuchtklacht van broer M ad € 253,50 exclusief kantoorkosten en BTW zijn conform toezegging gecrediteerd. Klager is verzocht om een bedrag van € 1.625,69 te betalen. Aan klager is een concept incassodagvaarding gestuurd.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    zich in de procedure inzake de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van klager onnodig bezig te blijven houden met bijzaken, die veel extra uren hebben gekost, terwijl de zaak ging om wat contractueel was overeengekomen;

b)    met klager veel onnodige afspraken op haar kantoor te maken omtrent zaken die al reeds besproken en afgerond waren;

c)    een totaal onnodig en zeer uitgebreide pleitnota/verweerschrift voor te bereiden voor een zitting bij de rechtbank, terwijl de zaak, gelet op de hoogte van de vordering, bij de kantonrechter thuis hoorde;

d)    in de urenspecificaties van de declaratie(s) niet meer te kunnen recapituleren waar het over ging;

e)    aan klager ten onrechte de door haar gewerkte uren ten aanzien van de behandeling van een tegen haar door de wederpartij van klager ingediende klacht, in rekening te brengen;

f)    aan klager een concept-dagvaarding te verstrekken indien klager de laatste declaraties niet aan haar zou betalen, terwijl over die declaraties een verschil van mening bestond en klager voorgaande declaraties binnen een week betaalde.

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdelen a) en c)

4.2    Verweerster stelt dat zij zich heeft gericht op de essentie van de kwestie van klager. Net als de eerdere zaak van klager over de afhandeling van de nalatenschap, die jaren daarvoor tussen partijen met een schikking was geëindigd, heeft zij zijn tweede zaak op deskundige wijze en altijd in nauw overleg met klager behandeld.

4.3    In die tweede zaak heeft broer M een procedure tegen klager gestart. De wederpartij van klager trachtte op diverse juridische gronden onder de uitvoering van het legaat uit te komen. Niet alleen stonden de gemaakte afspraken ter discussie, hij vocht ook vooral het testament aan. Omdat het inleidend processtuk omvangrijk was met diverse juridische insteken en feiten, diende verweerster op al die onderdelen en op de feiten namens klager verweer te voeren. Verweerster heeft dit uitvoerig met klager besproken en in samenspraak met hem is het verweerschrift opgesteld met daarin ook zijn tegenvorderingen. Dat verweer werd ook ter zitting herhaald. Om klager tegemoet te komen, heeft zij haar voorbereidingstijd voor die zitting niet in rekening gebracht.

4.4    Tijdens de comparitie van partijen heeft de rechter een opmerking gemaakt dat de wederpartij van klager aan de gemaakte afspraken is gehouden. Uit die enkele opmerking kan niet achteraf worden afgeleid dat verweerster geen uitgebreid verweer had hoeven te voeren. Dat was juist in het belang van klager noodzakelijk.

4.5    Daarnaast is volgens verweerster tijdens diezelfde zitting ten onrechte door de rechter de suggestie gewekt dat een van de onderdelen van de reconventionele vordering  van klager bij de kantonrechter thuis hoorde. Voor de vorderingen in de hoofdzaak was de rechtbank de bevoegde rechter, zodat de namens klager ingediende reconventionele vordering daarin mee ging. Dit heeft ook geen invloed op de omvang van haar werkzaamheden gehad. Na de zitting heeft zij klager nog uitgelegd dat de rechtbank wel bevoegd was, zoals later ook door de klachtenfunctionaris is herhaald. Klager leek dat niet te willen accepteren, aldus verweerster.

Klachtonderdeel b)

4.6    Verweerster betwist dat zij meer tijd aan de zaak heeft besteed dan volgens haar deskundige opvatting nodig was. Zij heeft slechts twee afspraken met klager op kantoor gevoerd, het intakegesprek en een bespreking voorafgaand aan de zitting. Die afspraken waren nodig gezien de omvang van de procesinleiding van de wederpartij. Met relevante vragen heeft zij klager gebeld en gemaild. Een deel van de kosten voor de voorbereiding van de zaak heeft zij niet aan klager in rekening gebracht, zoals zij hem op 20 september 2018 ook heeft laten weten.

Klachtonderdelen d) en f)

4.7    Verweerster verwijst naar de met klager gevoerde en overgelegde correspondentie over de declaraties en specificaties waarin zij heeft gereageerd op de e-mail van klager van 21 augustus 2018. Ondanks haar verzoek om zijn concrete bezwaren op bepaalde posten aan te geven, weigerde klager dat te doen. Verweerster stelt dat zij klager duidelijk uitleg heeft gegeven over haar specificaties, ook door de onderliggende correspondentie van de betwiste declaratie opnieuw toe te sturen. Een aantal werkzaamheden heeft zij ook gecrediteerd. Slechts een kleine opgevoerde post kon zij niet kon recapituleren, dus ook die heeft zij gecrediteerd, aldus verweerster. Omdat klager weigerachtig bleef om te betalen, kon hij een concept-incassodagvaarding verwachten, wat een gebruikelijk debiteurenbeleid is. Tussen de laatste declaratie en het versturen van die dagvaarding zaten bovendien nog zo’n 2,5 maand, zodat geen betaling viel te verwachten van klager. Klager heeft alles uiteindelijk betaald, aldus verweerster.

Klachtonderdeel e)

4.8    Volgens verweerster wist klager dat zij haar werkzaamheden voor de klachtzaak van de wederpartij van klager aan klager in rekening bracht. Klager heeft daarover eerder ook niet geprotesteerd. Die tuchtklacht was volgens verweerster een direct gevolg van een instructie van klager om een bepaalde productie in het geding te brengen. Alhoewel dat haar eigen verantwoordelijkheid was, merkt zij wel op dat zij die handeling niet had gedaan zonder de uitdrukkelijke instructie van klager. Deze zaaksgebonden kosten zijn daarom achteraf ten onrechte daarom aan klager in rekening gebracht. Uiteindelijk heeft zij die werkzaamheden gecrediteerd, zoals zij in haar e-mail van 27 november 2018 aan klager heeft laten weten.

5    BEOORDELING

5.1    In deze zaak staat centraal of verweerster de zaak van klager inzake de nalatenschap heeft behandeld met voldoende zorg ten opzichte van de belangen van klager, als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De raad neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking.

5.2    Uitgangspunt is dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waarvoor hij kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32).

5.3    Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerster heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:80).

5.4    Voor zover toepasselijk, zal de raad aan de hand van deze maatstaf oordelen.

Klachtonderdelen a) en c)

5.5    Gelet op de samenhang tussen deze klachtonderdelen zal de raad deze gelijktijdig beoordelen.

5.6    Op basis van overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verweerster klager niet naar behoren heeft bijgestaan. Gelet op de inhoud van de procesinleiding van de wederpartij, waarin verschillende juridische gronden werden aangevoerd, moest verweerster daartegen gemotiveerd en uitgebreid voeren zowel in het verweerschrift als ter zitting. Dat was naar het oordeel van de raad in het belang van klager ook noodzakelijk. Een te beperkt (juridisch) verweer had immers tot nadelige procedurele gevolgen voor klager kunnen leiden en zelfs tot een tuchtklacht tegen verweerster over achteraf gebleken ondeskundig handelen.

5.7    De raad is uit de overgelegde correspondentie, voor zover relevant opgenomen onder de feiten hiervoor, verder gebleken dat verweerster klager nauw bij haar verweerschrift heeft betrokken, de reconventionele vorderingen voldoende heeft toegelicht en waar nodig vragen van klager heeft beantwoord en zijn inbreng daarbij heeft gebruikt. Dit alles heeft daarin geresulteerd dat verweerster met instemming van klager het verweerschrift heeft ingediend zoals door haar is gedaan. Dat de kosten, die daarvoor door verweerster in rekening zijn gebracht, excessief zijn geweest, is door klager niet onderbouwd en overigens ook niet uit de stukken gebleken. De juistheid van het verdere verwijt dat verweerster (onderdelen van) de tegenvordering van klager bij de verkeerde rechter heeft ingediend, kan de raad, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen. 

5.8    Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerster de belangen van klager in dezen met voldoende zorg heeft behartigd, zodat haar geen tuchtrechtelijk verwijt treft. De raad zal klachtonderdelen a) en c) ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

5.9    Het verwijt dat verweerster onnodig afspraken met klager heeft gemaakt of met hem wilde maken is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet komen vast te staan. Uit de stukken is de raad gebleken dat twee besprekingen op kantoor van verweerster hebben plaatsgevonden, wat niet buitengewoon veel lijkt te zijn geweest. Of verweerster meer afspraken nodig vond of daarop heeft aangedrongen, is de raad uit de stukken echter niet gebleken. Niet valt dan ook in te zien in welke zin in dezen aan verweerster een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zodat de raad klachtonderdeel b) ongegrond zal verklaren.

Klachtonderdelen d) en f)

5.10    Gelet op de samenhang tussen deze klachtonderdelen zal de raad deze gelijktijdig beoordelen.

5.11    Naar het oordeel van de raad heeft verweerster de declaraties met de bijbehorende duidelijke urenspecificaties telkens aan klager gestuurd en waar nodig ook nader toegelicht. Uit de over de laatste declaraties gevoerde correspondentie is de raad gebleken, dat verweerster de klachten van klager daarover naar beste kunnen heeft geprobeerd te begrijpen en een oplossing daarvoor heeft gezocht. Zo heeft verweerster coulance halve op eigen initiatief bepaalde werkzaamheden, maar ook een kleine post zonder duidelijke urenverantwoording, niet aan klager in rekening gebracht. Dat verweerster meer posten in declaraties niet heeft kunnen verantwoorden, is door klager niet gesteld. Nadat betaling ondanks diverse sommaties uitbleef, stond het verweerster vrij om klager een concept incassodagvaarding toe te sturen voor de onbetaalde declaratie. Dat is tuchtrechtelijk niet verwijtbaar. Dat klager eerdere declaraties binnen een week betaalde, maakt dat oordeel niet anders.

5.12    Op grond van vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerster op zorgvuldige wijze jegens klager heeft gehandeld en haar daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ook klachtonderdelen d) en f) zullen ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel e)

5.13    Uit de stukken en de verklaring van verweerster ter zitting is de raad gebleken dat verweerster niet vanuit een schimmige gedachte de door haar gemaakte kosten voor de tuchtklacht van de wederpartij aan klager in rekening heeft gebracht. De door verweerster gegeven verklaring van verweerster, dat zij die kosten in de door haar geschetste omstandigheden als zaaksgerelateerde kosten heeft beschouwd, kan de raad begrijpen. Ter zitting heeft verweerster nog verklaard dat zij die kosten na ontdekking meteen heeft gecrediteerd. Dat klager desondanks ervoor heeft gekozen om die kosten toch te betalen, is zijn keuze geweest. Verweerster heeft dat bedrag daarna teruggestort.

5.14    Aldus heeft verweerster gehandeld zoals van een zorgvuldig handelend advocaat verwacht mocht worden. Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen jegens klager dan ook geen sprake is geweest, zal ook klachtonderdeel e) ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. K.F. Leenhouts, Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2021.

griffier                                                                   voorzitter

Verzonden d.d. 5 juli 2021