Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiƫle publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:36 Raad van Discipline Amsterdam 21-080/A/A/W

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:36
Datum uitspraak: 08-02-2021
Datum publicatie: 18-02-2021
Zaaknummer(s): 21-080/A/A/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.

Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 8 februari 2021 in de zaak 21-080/A/A/W naar aanleiding van het verzoek tot wraking van na te noemen tuchtrechters, ingediend door:

verzoeker

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) is een klachtzaak aanhangig onder nummer 20-650/A/NH met verzoeker als klager.

1.2    Bij beslissing van 12 oktober 2020 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen is verzoeker in verzet gegaan. De raad heeft de behandeling van de verzetzaak gepland op de zitting van 15 februari 2021. Op 15 januari 2021 heeft de griffie van de raad verzoeker de uitnodiging voor de zitting gestuurd.

1.3    Op 23 januari 2021 heeft verzoeker de wraking verzocht van de leden van de raad die de verzetzaak op 15 februari 2021 zal behandelen: mrs. E.J. van der Molen, M. Bootsma en C.C. Oberman (hierna samen: de tuchtrechters).

1.4    De tuchtrechters hebben niet berust in de wraking.

1.5    Naar aanleiding van het wrakingsverzoek is een wrakingskamer samengesteld. De wrakingskamer heeft bij zijn beslissing kennisgenomen van het wrakingsverzoek, de e-mail van klager van 23 januari 2021, de reacties van de tuchtrechters op het wrakingsverzoek en de e-mails van klager van 1 februari 2021.

2    BEOORDELING

2.1    Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2     Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker, althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.

2.3    Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, aan het wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker is ervan overtuigd dat de leden van de raad die zijn verzetzaak op 15 februari 2021 zullen behandelen niet onafhankelijk zullen zijn. Ook zijn er aanwijzingen dat de dekens van de Orde van Advocaten in de arrondissementen Amsterdam en Noord-Holland zeer partijdig zijn geweest. Er is sprake van vriendjespolitiek en belangenverstrengeling. Mede door alle beperkingen die de raad in de uitnodiging voor de zitting heeft opgelegd, is verzoeker ervan overtuigd dat de raad zich niet onafhankelijk heeft opgesteld en dat sprake is van belangenverstrengeling en partijdigheid.

2.4    Het verweer van mr. Van der Molen luidt dat verzoeker heeft nagelaten enige feitelijke onderbouwing te geven van zijn stelling dat mr. Van der Molen niet onafhankelijk zou zijn. Er is volgens mr. Van der Molen geen enkele reden om te twijfelen aan zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het verweer van mrs. Bootsma en Oberman luidt dat zij onpartijdig zijn en geen reden zien zich terug te trekken.

2.5    De wrakingskamer overweegt als volgt. Op basis van het wrakingsdossier heeft de wrakingskamer niet kunnen vaststellen dat sprake is van gegronde vrees voor rechterlijke onpartijdigheid. Verzoeker heeft dat op geen enkele manier feitelijk onderbouwd. Dat in de (standaard) uitnodiging voor de zitting ter informatie de gang van zaken op de zitting is toegelicht, waarbij onder meer is aangegeven hoeveel spreektijd iedere partij krijgt en tot wanneer nadere stukken bij de raad kunnen worden ingediend, is daartoe onvoldoende. Verzoeker heeft in het kader van zijn wrakingsverzoek ook een ledenlijst van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam (hierna: RTG Amsterdam) aan de raad toegestuurd. Het is de wrakingskamer niet duidelijk wat verzoeker hiermee bedoelt te zeggen. In ieder geval zijn de tuchtrechters niet ook lid van het RTG Amsterdam.

2.6    Het wrakingsverzoek bevat verder ook geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechters schade zou kunnen lijden. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.

2.7    Voor zover het wrakingsverzoek ook betrekking heeft op de griffier van de raad geldt dat op grond van artikel 1 lid 2 van het wrakingsprotocol van de raden van discipline de griffier niet gewraakt kan worden.

2.8    Omdat door verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder kenbare relevante grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van het recht op wraking. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 47 lid 2 Advocatenwet en artikel 515 lid 4 Wetboek van Strafvordering bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet meer in behandeling wordt genomen.

BESLISSING

De wrakingskamer:

- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

Aldus beslist door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mrs. H.B. de Regt en P. van Lingen leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2021.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op 8 februari 2021