Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:266 Raad van Discipline Amsterdam 21-673/A/A/D

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:266
Datum uitspraak: 25-11-2021
Datum publicatie: 30-11-2021
Zaaknummer(s): 21-673/A/A/D
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Uit het signaal van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, volgt dat verweerder zich in drie afzonderlijke gevallen niet aan de coronamaatregelen heeft willen houden en op een agressieve wijze heeft gereageerd toen hij daar door medewerkers van de rechtbank op werd aangesproken. De raad is van oordeel dat verweerder met zijn gedrag de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. De raad is verder van oordeel dat van een advocaat die via de deken wordt geconfronteerd met signalen van twee rechtbanken mag worden verwacht dat hij die signalen serieus neemt en aan enige vorm van introspectie/zelfreflectie doet. Verweerder heeft daarvan geen blijk gegeven, ook niet op de zitting van de raad. Hoewel het voorstel van de deken om dit door middel van een coaching-traject te doen een goed voorstel is, is het aan verweerder zelf dat doel te bereiken. Het gaat de raad te ver om het afbreken van een door de deken aangeraden coaching-traject of het niet hervatten van een afgebroken coaching in de gegeven omstandigheden "an sich" tuchtrechtelijk verwijtbaar te vinden. Waarschuwing + proceskostenveroordeling.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 november 2021
in de zaak 21-673/A/A/D
naar aanleiding van het bezwaar van:

deken

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Bij brief aan de raad van 6 augustus 2021 met kenmerk 1497817/EJH/EJH, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, heeft de deken zijn bezwaar ter kennis van de raad gebracht. 
1.2    Het bezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 8 november 2021 in aanwezigheid van de deken, vergezeld door mr. S.M. de Waard, stafmedewerker, en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.3    De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 17.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van het bezwaar gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Bij brief van 13 januari 2021 heeft de deken verweerder geïnformeerd over een signaal dat hij had ontvangen van de president van de rechtbank Amsterdam en verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 29 januari 2021. In de brief heeft de deken onder meer het volgende geschreven:
“De rechtbank Amsterdam heeft door middel van een zgn. signaal mijn aandacht gevraagd voor een voorval dat zich op 2 december 2020 omstreeks 16.00 uur in de middag zou hebben voorgedaan. Het voorval betreft uw gedragen bij het betreden van de rechtbank. Volgens de rechtbank heeft een medewerker van de beveiliging u verzocht een mondkapje te dragen en heeft u dat verzoek genegeerd. Toen u zich naar de detectiepoort van de beveiliging begaf, heeft een medewerker van de afdeling BB&V u aangesproken op de verplichting een mondkapje te dragen wat zou zijn gevolgd is een steeds luider wordende woordenwisseling (waarbij u onder meer gezegd zou hebben “ik ben toch al binnen wat maakt het uit” en “doe niet zo moeilijk”). Vervolgens zou zich het volgende hebben voorgedaan:
“Hierop blokkeerde ik de draai deur zodat [verweerder] niet verder de rechtbank in kon lopen. Ik deelde [verweerder] nogmaals mede dat hij zijn mondkapje op de voorgeschreven manier dus over neus en mond moet dragen. Ik zag toen dat [verweerder] zijn mondkapje niet op de voorgeschreven wijzen op deed. Ik zag dat [verweerder] voor mijn gezicht kwam staan. Ik blokkeerde de draaideur door met mijn lichaam er voor te staan. Ik hield mijn hand voor opening naast mijn lichaam dat de draaideur afstemt. Ik zag dat [verweerder] naar mijn uitgestoken hand liep, en er ligt contact was tussen zijn bovenlichaam en mijn uitgestoken arm. Ik hoorde [verweerder] zeggen “Jij raakt mij niet aan he” dit was met zeer luide stem, [verweerder] hield hier zijn wijsvinger gestrekt voor mijn gezicht. Ik gaf [verweerder] aan dat ik beslis dat hij niet zo verder komt in de rechtbank, hierop reageerde [verweerder] “Jij bepaald hier helemaal niks” toen zag ik dat een collega er tussen kwam staan. Ik zag [verweerder] de draaideur instappen en hoorde [verweerder] zeggen “Wat is je naam! Jij moet op passen, ik pak je nog wel klootzak!”. Dit zei hij met een luide stem.”
2.3    Bij e-mail van 14 januari 2021 heeft verweerder de deken onder meer het volgende geschreven:
“Op 2 december 2020 in de namiddag heb ik het gerechtsgebouw (…) te Amsterdam betreden (…) omdat ik daar voor het verrichten van mijn werk als advocaat moest zijn.
(…)
Ik was het beveiligingspoortje al nagenoeg gepasseerd, terwijl ik de aanwezige veiligheidsmedewerkers persoonlijk heb gegroet, toen ik werd staande gehouden door een medewerker beveiliging die ik niet kende. (…) Dhr X achtte het nodig zich onmiddellijk voor mij te werpen en mijn doorgang te versperren. Reden: ik had het mondkapje niet (volledig) over het gezicht zitten??
Terwijl ik met één voet het poortje al was gepasseerd heb ik dhr X vriendelijk verzocht mij even geheel door het poortje te laten om mij in de gelegenheid te stellen het mondkapje, waar hij commentaar op had, alvorens ik de draaideur zou passeren, geheel en juist te plaatsen.
Om hem moverende redenen heeft dhr X daaraan niet willen meewerken. Integendeel: hij begon mij op meerdere plekken in mijn lichaam te porren onder meer tussen de ribben.
Wellicht omdat hij meende dat ik daardoor enkele stappen terug zou treden. Dat heb ik niet gedaan. Dat porren deed pijn en daar was ik niet van gediend. Wat ik kenbaar heb gemaakt.
Ik heb dhr X meegedeeld dat ik dit beschouwde als een totaal onnodige en ongepaste aantasting van mijn persoonlijke integriteit. (…)
Wegens het ongepaste fysieke optreden van dhr X jegens mij heb ik de hulp ingeroepen van zijn collega’s die ter plekke aanwezig waren.
Dhr X is vervolgens desgevraagd door mij onmiddellijk door een van hen (…) bij mij weggehaald. Ik heb mijn mondkapje beter opgezet en heb de entree via de draaideur verlaten, waarna ik mij in het gebouw heb begeven. (…)
Bij het verlaten van de plaats delict heb ik hem wel meegedeeld dat ik vond dat hij moest oppassen met zijn gedrag.
Ik heb zeker niet gezegd dat hij moest oppassen en dat ik hem, klootzak nog wel zou pakken.
Wel heb ik hem om zijn naam gevraagd, die hij natuurlijk niet wilde geven.
(…)
Ik voel mij in deze aangetast in mijn eer en goede naam en slachtoffer van een verhaal dat vol is van aperte leugens waarin jegens mij onnodig en disproportioneel fysiek en verbaal geweld is gebruikt door dhr X.”  
2.4    Op 29 januari 2021 heeft de deken samen met een stafmedewerker een gesprek gehad met verweerder. In dat gesprek heeft de deken geconcludeerd dat verweerders opstelling er blijk van gaf dat verweerder bereid was over te gaan tot enige introspectie/zelfreflectie, waarop de deken zijn onderzoek naar het signaal van de rechtbank Amsterdam heeft afgerond.
2.5    Bij brief van 16 april 2021 heeft de deken verweerder geïnformeerd over een signaal dat de deken had ontvangen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, en verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 23 april 2021. In de brief heeft de deken onder meer geschreven:
“De rechtbank Lelystad heeft door middel van een zgn. signaal mijn aandacht gevraagd voor een drietal voorvallen die zich op 5 november 2020, 4 en 9 maart 2021 hebben voorgedaan.
De voorvallen betreffen uw gedrag bij het betreden van de rechtbank, het opvolgen van de corona-regels en uw bejegening van rechtbankmedewerkers.
Tijdens het voorval van 5 november 2020 zou het volgende zich hebben voorgedaan:
U was 1,5 uur voor aanvang van de zitting van 15.40 uur op de rechtbank aangekomen. U gaf aan dat u nog met uw cliënten wenste te overleggen. De rechtbankmedewerker vertelde dat in verband met de geldende corona-regels bezoek pas 15 minuten voor aanvang toegelaten mocht worden. U was het hier niet mee eens en eiste toegang tot het pand en de advocatenkamer. De medewerker herhaalde de geldende afspraken en gaf aan dat de advocatenkamer niet beschikbaar was voor cliëntgesprekken. U nam hier geen genoegen mee en gaf aan dat:
•    de medewerker zijn mondkapje af moest doen zodat ik kon zien met wie u in gesprek was;
•    de medewerker zijn naam en functie bekend moest maken;
•    de medewerker niet bevoegd was om een dergelijk gesprek met u te voeren.
U refereerde aan de ‘oorlog’ waarin opdrachten ook klakkeloos worden uitgevoerd en u gebruikte bijvoeglijk naamwoorden (snotjong, kutzitting, kutzaken, kutdingen, broekie) in combinatie met de zitting, rechtszaak en de beveiliging.
Tijdens het gesprek zakte het mondkapje van de medewerker iets af waarop u aangaf dat de medewerker besmettelijk was en afstand diende te bewaren, terwijl u zelf helemaal geen mondkapje droeg. U ging vervolgens naar de Centrale balie en u gaf opnieuw aan wat u wilde en waarbij u zich negatief uitliet over de rechtbankmedewerkers. Bij een medewerker van de parketpolitie beklaagde u zich dat zij i.v.m. uw privacy en geldende corona regels te dichtbij stonden. Vervolgens verliet u samen met uw cliënten de rechtbank. Een kwartier voor aanvang was u weer terug en werkte u mee.
Tijdens het voorval op 4 maart 2021 zou het volgende zich hebben voorgedaan:
De beveiliger zag dat u, in strijd met de coronaregels van de rechtbank, zonder mondkapje liep en/of het kapje onder uw neus had, geen afstand hield van uw cliënten en na de zitting bleef na praten. Er is u verzocht na uw zitting de rechtbank meteen te verlaten, u gaf hier geen gehoor aan.
Tijdens het voorval op 9 maart 2021 om 15.45 uur zou het volgende zich hebben voorgedaan:
Volgens de rechtbank vertelde een medewerker dat u 15 minuten voor aanvang van de zitting de rechtbank kon betreden, en niet, zoals u wenste, 45 minuten voor de zitting. U had volgens de medewerker uw mondkapje onder uw neus. U schold tegen de medewerker. De medewerker van de rechtbank vorderde dat (…) u de rechtbank zou verlaten, waaraan u geen gehoor gaf omdat het geen bevel was. Nadat de medewerker zei dat het een bevel was, verliet u de rechtbank. U ging na 15 minuten naar buiten en u wachtte 15 minuten buiten. Toen u binnen kwam wilde u uw advocatenpas niet laten zien. U werd aangesproken uw mondkapje te dragen, toen de medewerker wegliep zei u: “krijg de tering” en deed uw mondkapje op. Later liep u weer zonder mondkapje door de wachtruimte. U werd daarop door een andere medewerker aangesproken waarop u zei: “Nee, ik heb daar een mening over en ik heb ook en mening over deze rechtbank en het personeel dat hier werkt”. U kwam een paar minuten later naar weer een andere medewerker toe met de vraag of hij iets wilde kopiëren, toen hij met u naar het kopieerapparaat liep zei u: “die vent is een Jan lul in zijn uniformpje.”
2.6    Bij brief van 19 mei 2021 heeft de deken verweerder meegedeeld dat hij naar aanleiding van de signalen van de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Midden-Nederland een coaching-traject van 3 x 1,5 uur bij mr. M noodzakelijk acht voor de benodigde introspectie. Verweerder heeft hiermee ingestemd.
2.7    Op 16 juni 2021 heeft de eerste coaching-sessie plaatsgevonden bij mr. M. Mr. M heeft de deken naar aanleiding hiervan bij e-mail van 19 juni 2021 onder meer het volgende geschreven:
“Tijdens het gesprek betwistte [verweerder] meer dan eens en bepaald “te vuur en te zwaard” het overgrote deel van de (…) voorvallen.
Hij betwist dat een eigen aandeel in de voorvallen aan hem toe te rekenen zou kunnen zijn en voelt zich onheus bejegend.
(…)
[Verweerder] is stellig de mening toegedaan dat het belang van zijn cliënt(e) prevaleert boven het handhaven van regeltjes, ook in coronatijd. Die belangenbehartiging vindt hij ook zijn taak in publieke ruimten.
[Verweerder] vindt het vervelend te ervaren dat hem geen ruimte worden geboden voor het oplossen van een probleem welk probleem hij wel onderkent en anderen – in dit geval medewerkers van de rechtbank – niet.
[Verweerder] betwist dat bij hem van enige gedragsverandering sprake is. Hij heeft zich verzet tegen in zijn optiek onnodig optreden door beveiligers, terwijl hij niet op escalaties uit was maar op een oplossing. Daarop doorgaand lukt het niet om [verweerder] zich te laten verplaatsen in de positie van bijvoorbeeld een beveiliger op de rechtbank die conform een door zijn meerdere gegeven instructie opvolgt en is hij ervan overtuigd dat in de meldingen wordt gelogen waar het zijn gedrag dan wel door hem gebezigde woorden en/of uitdrukkingen betreft.
De enige beweging die ik in de beleving van [verweerder] heb ervaren is dat hij aangaf dat hij, achteraf bezien, op 5 november 2020 in Lelystad anders had kunnen reageren.
Verdere zelfreflectie ontbreekt helaas, althans in het gesprek met mij.
[Verweerder] heeft aangegeven dat hij verder overleg met mij niet nodig vindt. Hij begrijpt sowieso niet waarom de Deken het nodig heeft gevonden om mij in te schakelen.”
2.8    Op 30 juni 2021 heeft de deken samen met een stafmedewerker een telefoongesprek gevoerd met verweerder. In dat gesprek heeft deken verweerder de gelegenheid geboden het coaching-traject te hervatten op basis van een iets preciezere omschrijving van die coaching.
2.9    Bij e-mail van 19 juli 2021 heeft verweerder de deken onder meer het volgende geschreven:
“Als ik nog eens het verslag lees van het telefoongesprek dat wij hebben gevoerd op 30 juni 2021 en alles wat daarna is gevolgd nog eens de revue laat passeren heb ik geen vertrouwen in het door u voorgestelde traject. Overigens mede op basis van het eerste gesprek met [mr. M].
Grondslag daarvoor is mijn overtuiging dat ik niet klachtwaardig en hoogstens in Lelystad mogelijk onhandig gegeven de omstandigheden -coronagekte- eenmalig heb geacteerd, overigens wel met een reden die ik aan U heb uitgelegd, waarna aldaar enkele keren bij mijn bezoeken [verweerder] het target van onnodige en ongepaste monddoekjesjacht is geweest.
Ik ben in Lelystad nooit onbehoorlijk en/of agressief geweest. In het kader van mijn werk en taak als advocaat heb ik wel geprobeerd grenzen te verleggen (letterlijk).
Onhandig is niet klachtwaardig. Het was overigens slechts een signaal uit Lelystad.
Daar heb ik verder die gesprekken niet voor nodig. (…)
In Amsterdam ben ik door de “beveiliger” in kwestie gewoon mishandeld en wat hij heeft opgeschreven omtrent dat incident is klip en klaar gelogen.
In die situatie ben ik wel boos geworden omdat en nadat de man mij mishandelde en mij behoorlijk fysiek pijn heeft gedaan. En dan nog was ik niet onbehoorlijk en/of agressief.”
2.10    Bij e-mail van 22 juli 2021 heeft verweerder de deken een afschrift gestuurd van de aangifte die verweerder tegen de beveiligingsmedewerker van de rechtbank Amsterdam heeft gedaan.
2.11    Bij e-mail van 5 augustus 2021 heeft de deken het concept van het dekenbezwaar aan verweerder gestuurd en verweerder de gelegenheid geboden daarop te reageren en verweerder de gelegenheid geboden het coaching-traject te vervolgen. Verweerder heeft hierop bij e-mail van dezelfde dag gereageerd en daarbij afgezien van een reactie op het concept.

3    BEZWAAR
3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende.
a)    Verweerders handelen en nalaten zoals dat blijkt uit de signalen van de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Midden-Nederland moet – ook al kan de precieze gang van zaken niet worden vastgesteld – worden aangemerkt als een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
b)    Verweerders weigering om door middel van coaching te werken aan het voorkomen van herhaling moet worden aangemerkt als een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
3.2    De deken heeft de bezwaaronderdelen als volgt toegelicht. Uit de twee signalen en de naar aanleiding daarvan gevoerde correspondentie en gesprekken volgt dat verweerder meer dan eens zijn zelfbeheersing heeft verloren als hij wordt geconfronteerd met hem onwelgevallige standpunten of beslissingen van personen naar wier instructie/aanwijzingen hij zich heeft te gedragen. Ook al staat de precieze gang van zaken van ieder van de vier voorvallen niet precies vast; i) het feit dat zich binnen korte tijd vier vergelijkbare gevallen hebben voorgedaan waarover twee rechtbanken een signaal hebben afgegeven, ii) het feit dat verweerder naar aanleiding van het tweede signaal zelf heeft aangegeven dat hij zich anders had moeten opstellen, maar iii) tegelijkertijd toch met wisselende bewoordingen en argumentaties blijft volhouden dat het belang van zijn cliënten prevaleert boven het handhaven van ‘regeltjes’ en zijn gedragingen daarom – gezien hetgeen aan zijn gedrag vooraf ging – zijn te rechtvaardigen, is voldoende om vast te stellen dat verweerder – door die zelfbeheersing te verliezen – zich onbetamelijk heeft gedragen jegens medewerkers van de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Midden-Nederland. In ieder geval mag van verweerder worden verwacht dat hij meewerkt aan een (niet al te langdurige en intensieve) vorm van coaching. Het feit dat verweerder de aanvankelijk overeengekomen coaching niet heeft voltooid en hervatting van de coaching heeft afgewezen, kan niet alleen bijdragen aan het oordeel dat het in de signalen beschreven handelen of nalaten onbetamelijk is, maar kan an sich worden aangemerkt als handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen het bezwaar verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
5.1    De bezwaaronderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.2    Vast staat dat de deken twee signalen van twee rechtbanken heeft ontvangen over verweerder. Verweerder heeft het signaal van de rechtbank Amsterdam gemotiveerd betwist, zodat niet kan worden vastgesteld wat er op 2 december 2020 precies is voorgevallen tussen verweerder en de beveiligingsmedewerker van de rechtbank Amsterdam. Het signaal van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft verweerder niet althans onvoldoende betwist, zodat de raad van de juistheid daarvan zal uitgaan. 
5.3    Hoewel niet kan worden vastgesteld wat er op 2 december 2020 precies is voorgevallen tussen verweerder en de beveiligingsmedewerker van de rechtbank Amsterdam, kan wel worden vastgesteld dat er een incident heeft plaatsgevonden dat betrekking had op de naleving van de coronamaatregelen door verweerder waarbij de gemoederen hoog zijn opgelopen. Uit het signaal van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, volgt dat verweerder zich in drie afzonderlijke gevallen niet aan de coronamaatregelen heeft willen houden en op een agressieve wijze heeft gereageerd toen hij daar door medewerkers van de rechtbank op werd aangesproken. De raad is van oordeel dat verweerder met zijn gedrag de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Bezwaaronderdeel a) is dan ook gegrond.
5.4    De raad is verder van oordeel dat van een advocaat die via de deken wordt geconfronteerd met signalen van twee rechtbanken mag worden verwacht dat hij die signalen serieus neemt en aan enige vorm van introspectie/zelfreflectie doet. Verweerder heeft daarvan geen blijk gegeven, ook niet op de zitting van de raad. Hoewel het voorstel van de deken om dit door middel van een coaching-traject te doen een goed voorstel is, is het aan verweerder zelf dat doel te bereiken. Het gaat de raad te ver om het afbreken van een door de deken aangeraden coaching-traject of het niet hervatten van een afgebroken coaching in de gegeven omstandigheden "an sich" tuchtrechtelijk verwijtbaar te vinden. Bezwaaronderdeel b) is dan ook ongegrond.
6    MAATREGEL
6.1    Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke overschreden met zijn gedrag jegens medewerkers van de rechtbank. Dat valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Mede gelet op het blanco tuchtrechtelijke verleden van verweerder acht de raad de maatregel van waarschuwing passend en geboden. 

7    KOSTENVEROORDELING 
7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart bezwaaronderdeel a) gegrond;
-    verklaart bezwaaronderdeel b) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. C. Kraak, voorzitter, mrs. H.B. de Regt en K. Straathof, leden, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2021.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 22 november 2021