Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:263 Raad van Discipline Amsterdam 21-523/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:263
Datum uitspraak: 15-11-2021
Datum publicatie: 25-11-2021
Zaaknummer(s): 21-523/A/A
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over verweerder in hoedanigheid van faillissementscurator. Verweerder heeft met zijn handelen als curator het vertrouwen in de advocaat niet geschaad. Klagers en verweerder zijn slachtoffer geworden van oplichting door een derde. Door zonder toestemming van de curator af te reizen naar het buitenland heeft klaagster bijgedragen aan de ontstane situatie. Klacht in alle onderdelen ongegrond.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 15 november 2021
in de zaak 21-523/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

1. 
klager
2. 
klaagster
hierna tezamen ook: klagers
gemachtigde: H.F. Attevelt-Bakker, bewindvoerder bij 
Papillion Bewindvoering

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 1 april 2020 is namens klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 16 juni 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1108665/EJH/KV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 4 oktober 2021. Daarbij waren klagers, vergezeld door een tolk, de gemachtigde van klagers en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 24 januari 2014 is klager in staat van faillissement verklaard met benoeming van verweerder als curator. 
2.3    Klager beschikte over een bankrekening in Marokko waar een saldo van € 29.000,- op stond. Deze bankrekening stond op naam van klaagster. De Marokkaanse wetgeving staat het niet toe dat een Marokkaans banksaldo naar een Nederlandse bankrekening wordt overgemaakt.
2.4    Om het saldo op de Marokkaanse bankrekening aan de boedel toe te kunnen voegen, heeft verweerder een plan bedacht om het banksaldo feitelijk in Nederland beschikbaar te krijgen. In dat kader is verweerder in contact gekomen met de heer I., een man van Marokkaanse afkomst met de Nederlandse nationaliteit. Verweerder heeft klagers voorgesteld dat de heer I. het banksaldo in Marokko zou verkrijgen en in ruil daarvoor in Nederland 90% van het banksaldo in euro’s zou overmaken naar de boedel. Verweerder heeft aan de heer I. een bankafschrift van de betreffende bankrekening van klaagster verstrekt.
2.5    Rond oktober 2017 is verweerder teruggetreden als curator in het faillissement van klager. Vervolgens werd mr. D. tot curator benoemd die later is opgevolgd door mr. S.
2.6    Begin 2018 heeft de heer I. contact opgenomen met klagers, en is vervolgens bij klagers thuis op bezoek is geweest. 
2.7    Op 17 april 2018 zijn klaagster, zonder toestemming van mr. S., en de heer I. naar Marokko afgereisd. In het bankfiliaal heeft klaagster het saldo van de bankrekening gehaald en aan de heer I. overhandigd. Klagers hebben daarna niet meer van de heer I. vernomen.
2.8    Op 28 juni 2018 heeft mr. S. bij de politie aangifte gedaan tegen de heer I. I. is zijn afspraak met de curator niet nagekomen.
2.9    Ten aanzien van klagers is inmiddels de WSNP van toepassing.
  
3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.
a)    Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van curator een plan bedacht, althans een transactie voorgestaan, waarvan het de vraag is of deze legitiem is.
b)    Verweerders plan heeft geleid tot een situatie waarin een derde (de heer I.), gebruikmakend van het vertrouwen en de verstrekte informatie door verweerder, in staat is geweest bij klagers een zodanig vertrouwen op te wekken dat hij klagers het banksaldo heeft kunnen ontfutselen.
c)    Verweerder heeft gegevens van klagers met een derde (de heer I.) gedeeld.
3.2    De raad zal de stellingen en stukken van klagers hierna bij de beoordeling, waar nodig, bespreken. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en heeft betwist dat hij zich in zijn hoedanigheid van faillissementscurator zodanig heeft gedragen dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
5.1    Gelet op de samenhang tussen de drie klachtonderdelen zal de raad deze gezamenlijk beoordelen.
Klachtonderdelen a), b) en c)
5.2    Voorop staat dat verweerder is opgetreden in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van klager. Ook in die hoedanigheid geldt voor verweerder het advocatentuchtrecht. Als de advocaat zich bij de vervulling van deze andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Voor een advocaat die optreedt als faillissementscurator brengt deze maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn. Dat komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak rekening dient te houden met uiteenlopende belangen, aangezien hij de boedel vertegenwoordigt en de belangen van de schuldeisers van de gefailleerde behartigt. Ook speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is te beslissen of het handelen van de curator zich binnen de wettelijke kaders afspeelt. De raad zal de handelwijze van verweerder met inachtneming van deze maatstaf beoordelen.
5.3    De raad is op grond van de dossierstukken en de ter zitting afgelegde verklaringen van oordeel dat verweerder met zijn handelen als faillissementscurator het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad. Verweerder heeft zijn beweegredenen om contact te leggen met de heer I. en met hem te onderhandelen over zijn plan om het Marokkaanse banksaldo in Nederland beschikbaar te krijgen voor de boedel ter zitting uitvoerig toegelicht. Uit deze toelichting blijkt dat verweerder goed over zijn plan heeft nagedacht en dat hij de rechter-commissaris daarover ook heeft geïnformeerd. Het is de raad dan ook niet gebleken dat het plan van verweerder niet legitiem zou zijn. Dat het plan uiteindelijk niet goed heeft uitgepakt en de heer I. door misbruik te maken van de situatie waarin hij het vertrouwen van klagers heeft kunnen wekken met het banksaldo verdwenen is, kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden verweten. Hoewel de raad begrijpt dat klagers aan de ontstane situatie een vervelend gevoel hebben overgehouden, betekent dit niet dat verweerder als curator steken heeft laten vallen. Zoals de bewindvoerder van klagers zelf ook in de klacht en in haar reactie op het verweer heeft geschreven, zijn zowel klagers als verweerder slachtoffer geworden van de oplichting door de heer I. Daarbij weegt de raad mee dat klaagsters eigen handelen heeft bijgedragen aan de ontstane situatie waarin het banksaldo voor de boedel verloren is gegaan. Zij is immers, zonder toestemming van curator mr. S., naar Marokko afgereisd en heeft aan de heer I. het banksaldo overhandigd. Tot slot kan de raad niet vaststellen welke informatie, los van het door verweerder verstrekte bankafschrift, verweerder aan de heer I. heeft gegeven. Klagers en verweerder hebben hier verschillend over verklaard. Het feit dat verweerder een bankafschrift van de Marokkaanse bankrekening van klaagster aan de heer I. heeft verstrekt, kan gelet op de context waarin dit is gebeurd, hem niet worden verweten. Bovendien bevat een bankafschrift geen gedetailleerde privégegevens van klagers, zoals klagers hebben gesteld. 
5.4    Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de raad klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond zal verklaren.  

BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht, in alle onderdelen, ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H. Dubois, voorzitter, mrs. M.W. Schüller en C.C. Horrevorts, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op
15 november 2021.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 15 november 2021