Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:21 Raad van Discipline Amsterdam 20-642/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:21
Datum uitspraak: 25-01-2021
Datum publicatie: 12-02-2021
Zaaknummer(s): 20-642/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
  • Waarschuwing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Klacht over eigen advocaat. Verweerster heeft aan klager onvoldoende (schriftelijk) bevestigd welke procedures zij voor hem zou gaan voeren en tot welke zaken zij zich zou beperken. Dat verweerster heeft geweigerd om nog nadere stukken in te dienen op het moment dat de zaak voor arrest stond, is niet tuchtrechtelijk laakbaar. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 25 januari 2021 in de zaak 20-642/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 12 april 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 20 augustus 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1118319/EJH/YH van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 december 2020. Daarbij waren klager en verweerster, toen nog bijgestaan door mr. B.J. van Spaendonck, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager heeft een minderjarige zoon. Omdat hij geen ouderlijk gezag over zijn zoon heeft, is klager in diverse procedures verwikkeld tegen onder meer een jeugdzorginstelling en een pleegzorginstelling. In een aantal van die zaken werd hij bijgestaan door een advocaat, mr. Van P.

2.3    Op 20 december 2018  heeft klager in een telefoongesprek met verweerster haar verteld over de diverse procedures die hij voerde. Hij heeft haar verzocht hem bij te staan in een aantal lopende en nog te starten procedures.

2.4    Klager heeft bij e-mail van 9 januari 2019  aan verweerster geschreven:

“Zoals beloofd een vijftal concepten (1 tot en met 5). Voor zaak nummer 6 hoeft u zich alleen te stellen én verzoek ik u vriendelijk een brief te zenden aan de externe advocaat van JBRR in die procedure. Uiteraard ontvang ik graag uw geüpdate versies, waarna ik ze graag “akkoord” geef, zodat ze zsm de deur uit kunnen gaan. Ik heb alle procedures tot max. 1 productie gereduceerd, namelijk de meest recente uitspraak.

Concreet gaat het dan om:

1. Verzoek deskundige

2. Verzoek bijzonder curator

3. Verzoek omgangsregeling

4. Verzoek wijziging voogdij/herstel gezag

5. Getuigenverhoor pleegouders

6. Herroeping Hof Amsterdam (…)”

2.5    Bij brief van 5 februari 2019  heeft verweerster een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd. De brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Op 20 december jl. hadden wij een uitgebreid telefoongesprek, waarbij u aangaf op zoek te zijn naar een nieuwe advocaat in Jeugdzaken. Duidelijk was dat u een veelvoud aan zaken had lopen en wilde opstarten. Een en ander blijkt ook uit uw e-mail van 9 januari jl. Naar aanleiding van ons laatste telefoongesprek bevestig nogmaals expliciet dat ik niet alle zaken voor u ga doen. Zoals ik tijdens ons telefoongesprek al heb aangegeven, heb ik geen tijd voor al uw zaken en u zei mij toe dat u ook nog naar andere advocaten op zoek zou gaan, zodat de zaken verdeeld konden worden. (…)

U heeft mij verzocht u bij te staan om uw belangen te behartigen in een aantal zaken, waaronder vele getuigenverhoren, omgang, verzoek deskundige enz. Wij spraken af dat ik op dit moment alleen tijd heb voor de omgangszaak en dat u voor de andere zaken een andere advocaat zal zoeken. Het is voor mij ook financieel niet mogelijk al uw zaken op mij te nemen. Op basis van een zorgvuldige afweging heeft u aangegeven prioriteit te willen stellen aan de omgangszaak. Ik zal mij inspannen resultaat te bereiken, maar kan niet garanderen dat het resultaat kan worden bereikt. (…)

Wij hebben besproken dat er een mogelijkheid tot gefinancierde rechtshulp (toevoeging) bestaat. Ik heb een toevoeging voor u aangevraagd.(…)”

2.6    Bij e-mail van 5 augustus 2019  heeft klager aan verweerster geschreven, voor zover relevant:

“I.v.m. een aantal zaken welke mijn vorige advocaat (…) heeft aangenomen, maar niet heeft afgerond (…) heb ik mij tot de deken gewend. De deken kan op basis van art. 13 Advocatenwet een nieuwe advocaat aanstellen.

Formeel wil de deken van 5 advocaten de schriftelijke bevestiging hebben dat zij mij niet bij willen/kunnen staan in een aantal kwesties. (Te druk, andere expertise en dergelijke.)

Zou u zo vriendelijk willen zijn om mij per e-mail te bevestigen dat u mij in een aantal zaken niet bij kunt staan alsmede ook de reden daartoe? (De diverse procedures omvatten onder meer een claim tegen de Staat in verband met de onrechtmatige uithuisplaatsing van mijn zoon (…) en twee zaken vanwege een stalker.)”

2.7    Hierop heeft verweerster bij e-mail van 5 augustus 2019 , 17.30 uur, aan klager bericht:

“Bij deze bevestig ik u dat ik een aantal zaken van [de heer Van P.] heb overgenomen. Er zijn nog een aantal andere zaken te doen, waarvoor ik geen tijd heb die in mijn praktijk op te nemen.

Niet alleen is het aantal zaken te groot, maar ik dien ook een evenwichtige praktijk voering te houden, waarbij ik toevoegingszaken en betalende zaken goede balans houd. Om die reden is het niet te doen al uw zaken in mijn praktijk op te nemen.”

2.8    In een e-mail van 17 januari 2020  heeft klager aan verweerster bericht in welke volgorde zij de verschillende zaken die hij aanhangig wilde maken diende op te pakken:

“#2 Opvragen dossier [J.] (concept klaar, zie e-mail d.d. 15 december 2019), spoed)

#3 Exhibitieverzoek [J.] (concept klaar, zie e-mail d.d. 15 december 2019, geen deadline)

#4 Exhibitieverzoek [E.] (concept klaar, zie e-mail d.d. 15 december 2019, geen deadline)

#5 Kort geding [N.],(concept klaar, zie e-mail d.d. 15 december 2019, geen deadline)

#6 Kort geding [K.] (concept klaar, zie e-mail d.d. 23 december 2019, geen deadline)

#7 Kort geding [H.] (concept klaar, zie e-mail d.d. 31 december 2019, geen deadline)

#8 Hoger beroep getuigenverhoor [J.] (concept krijgt u zsm, deadline = 6 februari 2020)

#9 Hoger beroep getuigenverhoor [E.] (concept krijgt u zsm, deadline = 6 februari 2020)

#10 Hoger beroep wijzigen voogdij & herstel gezag (concept krijgt u zsm, deadline = 27 maart 2020)

#11 Hoger beroep informatieregeling [N.] (cocept krijgt u zsm, deadline = 27 maart 2020)

#12 Dossiers eerste aanleg opvragen inzake #10 en #11 (concept heb ik u zojuist toegezonden, spoed)”

2.9    In aansluiting op deze e-mail heeft klager bij e-mail van 23 maart 2020 , met als onderwerp “[verweerster] TO DO list (klager)”aan verweerster geschreven:

“De nummers #10 en #11 heb ik niet goed gedaan. Die hadden begin van de maand er al uitgemoeten, helaas. Nu zal ik ze opnieuw in moeten dienen.”  

2.10    Verweerster heeft bij brief van 25 februari 2020  in het dossier met betrekking tot de vijf voorlopig getuigenverhoren het procesdossier in eerste aanleg aan het hof Den Haag gestuurd.

2.11    In een e-mail van 23 maart 2020  heeft klager aan verweerster bericht dat hij de samenwerking per direct wil stopzetten en alle lopende dossiers retour wenst te ontvangen. De e-mail luidt verder, voor zover relevant, als volgt:

“U ben recent (weer) de fout in gegaan door stukken niet tijdig in een herroepingsprocedure in te brengen, waardoor dit mij netto de procedure heeft gekost. Het gaat mij om stukken welke ik u toestuurde per e-mail d.d. 3 februari 2020. U heeft een maand lang niets ondernomen richting mij of richting het Hof. (…)

U ging al eerder – vrijwel identiek – fout in door in de procedure[s; een vijftal voorlopige getuigenverhoren] bij de rechtbank Den Haag de stukken abusievelijk naar het Hof Amsterdam toe te zenden, waardoor de rechtbank Den Haag niet over de juiste stukken beschikte, waar ‘we’ halverwege de zitting achterkwamen. Beschamend en erg slordig. (…)

Verder neem ik u kwalijk dat u begin 2019 u mij meermaals aan het lijntje heeft gehouden door geen kort geding (& bodemprocedure) omgang te starten om mijn zoon weer te zien. U vroeg mij om tijd en vertrouwen. Dit heb ik u gegeven. De zaken zijn echter nooit gestart. (…)”

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

1.    Verweerster heeft een aantal aanvullende stukken niet naar de rechtbank Den Haag gestuurd, maar naar het hof Amsterdam, waar een andere procedure liep. Zij heeft het verzoek van klager tot voorwaardelijke wraking niet goed verwoord en onderbouwd in deze zaak.

2.    In de herroepingsprocedure die bij het hof Amsterdam liep, heeft verweerster de stukken die klager haar toezond niet tijdig ingediend, waarna het hof een beschikking heeft genomen.

3.    Na de uitspraak van het hof Amsterdam heeft verweerster geen kort geding en geen bodemprocedure gestart voor een omgangsregeling, nadat klager concept-verzoekschriften naar verweerster had gestuurd.

4.    Verweerster heeft geen verzoek tot het indienen van een onafhankelijk deskundige ingediend bij de rechter, terwijl dat op grond van artikel 810a lid 2 Rv wel mogelijk is.

5.    Verweerster is geen procedure gestart met betrekking tot klagers dossier bij twee jeugdzorg instellingen, terwijl klager wel concept verzoekschriften naar verweerster had gemaild.

6.    Verweerster heeft ondanks klagers verzoek geen contact opgenomen met de advocaat van de pleegouders van de zoon van klager om te zien of afspraken gemaakt konden worden. Ook heeft zij geen BRP-verzoek gedaan, terwijl klager hiertoe wel een concept voor verweerster had opgesteld en naar haar had gestuurd.

7.    Verweerster heeft de zaak tegen JBRR niet gestart na ontvangst van klagers concept-verzoekschrift. Daarnaast heeft zij niet tijdig hoger beroep ingesteld tegen een tweetal beschikkingen van de rechtbank Rotterdam. Verweerster heeft niet, ondanks een door klager gedaan verzoek, beide dossiers in eerste aanleg opgevraagd.

8.    Ondanks haar toezegging om de procedure tegen de pleegzorginstelling E. aanhangig te maken, heeft verweerster de procedure niet opnieuw aanhangig gemaakt.

9.    Verweerster heeft geen kort geding voor wraking tegen een rechter gestart en evenmin is zij een kort geding tegen een andere rechter gestart, terwijl klager de concepten van die wrakingskortgedingen al wel had opgestuurd en naar verweerster had gestuurd.

10.    Ondanks diverse afspraken om een aantal kinderrechters te verhoren als getuigen, is dit niet door verweerster aangevraagd.

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

5.2    Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskansen van een aanhangig te maken procedure, het wijzen op risico’s van de verschillende mogelijkheden en het daarover informeren van de cliënt. De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

Klachtonderdeel 1

5.3    In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerster dat zij een aantal stukken niet naar de rechtbank Den Haag heeft gestuurd, maar naar het hof Amsterdam, waar een andere procedure aanhangig was. Ook zou zij het verzoek tot voorwaardelijke wraking niet goed hebben onderbouwd en is niet duidelijk of zij het procesdossier in eerste aanleg wel aan het hof Den Haag had gestuurd.

5.4    Verweerster heeft hiertegen aangevoerd dat klager nooit concreet heeft gemaakt om welke stukken het zou gaan. Door zijn vorige advocaat waren nog geen stukken overgelegd. Het betrof vijf verzoeken tot het houden van getuigenverhoren bij de rechtbank Den Haag. Verweerster heeft namens klager per procedure 44 vonnissen, arresten en beschikkingen, 25 processen-verbaal en 45 andere stukken overgelegd om de verzoekschriften te ondersteunen. Met betrekking tot de voorwaardelijke wraking geldt dat het verzoek om wraking van klager zelf tijdens de zitting en als een volkomen verrassing kwam. Ook na de zitting heeft klager verweerster nooit gevraagd om het verzoek tot wraking nogmaals toe te lichten. Tot slot blijkt uit haar brief van 25 februari 2020 aan het hof Den Haag dat verweerster het procesdossier in eerste aanleg aan het hof heeft gestuurd.

5.5    De raad overweegt als volgt. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerster, inhoudende dat zij voor de vijf verzoekschriftprocedures tot het houden van voorlopige getuigenverhoren een grote hoeveelheid stukken heeft overgelegd aan de rechtbank, heeft klager niet duidelijk gemaakt welke stukken zouden ontbreken. Dit valt ook niet uit het klachtdossier af te leiden. Ook blijkt uit de door verweerster aan het hof gestuurde brief d.d. 25 februari 2020 dat zij het procesdossier in eerste aanleg aan het hof heeft gestuurd. Tot slot is gesteld noch gebleken dat klager het voorwaardelijke verzoek tot wraking voorafgaande aan de zitting met verweerster heeft besproken, of dat haar naderhand is verzocht dit verzoek nog nader te onderbouwen. Hieruit volgt dat klachtonderdeel 1 ongegrond is. 

Klachtonderdeel 2

5.6    In klachtonderdeel 2 stelt klager dat verweerster in de herroepingsprocedure die zij van mr. Van P. heeft overgenomen ten onrechte zou hebben nagelaten om, terwijl de zaak al voor eindarrest stond, nog nadere stukken in te dienen. Anders dan verweerster aan hem heeft meegedeeld, was het volgens klager wel mogelijk om op dat moment nog stukken in te dienen. Het criterium waaraan moet worden getoetst is of het in strijd met de goede procesorde is om als de zaak voor vonnis of arrest staat nog stukken in te dienen. Volgens klager was die ruimte er. Als verweerster het daar niet mee eens was, dan had zij zich op dat moment aan de zaak van klager moeten onttrekken, hetgeen zij niet heeft gedaan.

5.7    Verweerster heeft daartegen aangevoerd dat deze zaak al liep voordat zij de zaak overnam. Half december 2019 heeft klager haar verzocht nog stukken in te dienen, terwijl de zaak al voor einduitspraak stond. Zij heeft aan klager uitgelegd dat de kans groot was dat het hof de stukken buiten beschouwing zou laten, maar heeft de stukken toch ingediend. Toen klager haar in februari 2020 verzocht om nogmaals stukken in te dienen, heeft zij dat geweigerd, omdat het tegen alle regels in gaat om dan nog stukken in te dienen en zij was daar niet toe bereid. Klager heeft op dat moment niet gezegd zich daar niet in te kunnen vinden, dus onttrekking was niet aan de orde, aldus steeds verweerster.

5.8    De raad overweegt als volgt.

5.9    De verhouding tussen de advocaat, als opdrachtnemer, en de cliënt, als opdrachtgever, brengt mee dat de advocaat volledige verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van zijn opdracht, maar dat hij in beginsel gehouden is de instructies van zijn cliënt op te volgen. Indien de advocaat uitvoering van een instructie van zijn cliënt onverenigbaar acht met de op hem rustende verantwoordelijkheid voor zijn eigen optreden, en dit verschil van mening niet in onderling overleg kan worden opgelost, dan kan de advocaat niet zijn eigen wil doorzetten, maar dient hij zich uit de zaak terug te trekken (aldus artikel 7:402 lid 2 BW en de daarmee strokende gedragsregel 14 lid 2).

5.10    Met verweerster is de raad van oordeel dat geen stukken meer aan het hof konden worden gestuurd nadat de zaak voor arrest stond. Hoewel aan klager kan worden toegegeven dat het hof zelf zal toetsen of het op een zodanig laat moment indienen van stukken in strijd met de goede procesorde is, is de overweging van verweerster om op een zodanig laat moment geen stukken meer in te dienen naar het oordeel van de raad begrijpelijk en niet tuchtrechtelijk laakbaar. De raad is voorts niet gebleken dat klager op het moment dat verweerster aangaf geen nadere stukken meer te zullen indienen daartegen bezwaar heeft gemaakt. Van een uitdrukkelijke instructie van klager aan verweerster de stukken alsnog in te dienen is in ieder geval geen sprake geweest. Dat de procedure bij het hof in het nadeel van klager is uitgevallen doordat de betreffende stukken niet zijn ingediend is gesteld noch gebleken. Ook klachtonderdeel 2 is ongegrond.

Klachtonderdelen 3 tot en met 10

5.11    De klachtonderdelen 3 tot en met 10 lenen zich deels voor gezamenlijke behandeling. In deze klachtonderdelen stelt klager zich op het standpunt dat verweerster ten onrechte een groot aantal procedures dat zij voor hem zou voeren niet is gestart.

5.12    Verweerster heeft aangevoerd dat zij op 20 december 2018 een uitgebreid telefoongesprek met klager over zijn zaken heeft gehad. Daarin heeft zij aangegeven dat ze hem wel wilde bijstaan, maar dat zij zeker niet tijd had om al zijn zaken te gaan doen. In de opdrachtbevestiging van 5 februari 2019 heeft zij dat herhaald. Zij zou zich in eerste instantie alleen richten op de procedure met betrekking tot de omgangsregeling. In maart 2019 is daarvan afgeweken. In overleg met klager is er op dat moment voor gekozen dat verweerster de lopende procedures die mr. Van P. tot dat moment behandelde zou overnemen. Dat hield in dat verweerster de lopende procedures met betrekking tot de getuigenverhoren zou gaan voeren, alsmede de herzieningszaak bij het hof Amsterdam. De zaak met betrekking tot de omgang zou door een andere advocaat worden gevoerd.

5.13    De raad overweegt als volgt. Vaststaat dat klager in het telefoongesprek op 20 december 2018 met verweerster heeft besproken welke hoeveelheid zaken hij aanhangig wilde maken. Niet kan worden vastgesteld of verweerster op dat moment al heeft gezegd welke zaken zij niet kon behandelen. Bij e-mail van 9 januari 2019 heeft klager zes, door hem opgestelde concept-processtukken/correspondentie, aan verweerster gestuurd, met het verzoek die te versturen. Uit het klachtdossier blijkt niet dat verweerster direct op die e-mail heeft gereageerd. Wel staat vast dat verweerster bij brief van 5 februari 2019 heeft gezegd dat zij alleen de omgangsregeling voor klager zou behandelen. Op dat moment wist klager dat verweerster geen andere, nieuwe zaken voor hem aanhangig zou maken en had hij daaruit ook moeten opmaken dat de door hem opgestelde processtukken niet door verweerster zouden worden ingediend.

5.14    Vervolgens heeft de andere advocaat van klager, mr. Van P., in maart 2019 alle zaken die hij voor klager behandelde aan verweerster overgedragen. Onbetwist staat vast dat verweerster die zaken voor klager zou gaan behandelen. Uit het klachtdossier kan echter niet worden afgeleid dat verweerster op dat moment schriftelijk aan klager heeft bevestigd welke zaken zij voor hem zou gaan behandelen en dat zij zich uitsluitend tot die zaken zou beperken. Eerst bij e-mail van 5 augustus 2019 heeft zij – op verzoek van klager – hem bericht dat zij een aantal zaken van mr. Van P. heeft overgenomen en dat zij geen tijd heeft voor alle zaken van klager. Naar het oordeel van de raad had verweerster eerder duidelijk moeten maken welke zaken zij zou behandelen. In het verlengde daarvan had verweerster ook aan klager schriftelijk moeten bevestigen dat de procedure met betrekking tot de omgangsregeling die zij voor hem zou opstarten, voorlopig zou worden uitgesteld in verband met die overgenomen zaken. Verweerster voert aan dat zij dit met klager telefonisch heeft besproken, maar klager betwist deze gang van zaken. Het had op de weg van verweerster gelegen hierover geen onduidelijkheid te laten bestaan en om schriftelijk aan klager te bevestigen dat zij vanaf dat moment voorrang zou geven aan de reeds lopende procedures. Hiervan kan verweerster een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 

5.15    Hierna zal de raad de klachtonderdelen 3 tot en met 10 nog afzonderlijk behandelen.

Klachtonderdeel 3

5.16    In klachtonderdeel 3 stelt klager dat verweerster geen kort geding en geen bodemprocedure voor een omgangsregeling is gestart, nadat hij concept verzoekschriften hiertoe aan haar had gestuurd.

5.17    Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.9 is overwogen, is de raad van oordeel dat dit klachtonderdeel deels gegrond is. Het had op de weg van verweerster gelegen om, na ontvangst van de dossiers van mr. Van P., nadrukkelijk aan klager te bevestigen dat de procedure met betrekking tot de omgangsregeling pas later zou worden gevoerd. Dat laat onverlet dat het klager op enig moment wel duidelijk is geweest dat die procedure pas later zou worden gevoerd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn e-mail van 17 januari 2020, waar klager de procedures noemt die verweerster nog moet opstarten. De procedure met betrekking tot de omgangsregeling wordt daarbij niet genoemd.

Klachtonderdelen 4 tot en met 10

5.18    In deze klachtonderdelen stelt klager dat verweerster ten onrechte geen procedures is gestart tegen de betrokken jeugdzorg instellingen, geen BPR-verzoek heeft gedaan, niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen twee beschikkingen van de rechtbank Rotterdam, geen kort geding voor wraking tegen een rechter en geen procedure tot het horen voor kinderrechters als getuigen is gestart. Verweerster heeft tegen deze klachtonderdelen aangevoerd dat meerdere malen heeft aangevoerd dat zij, na ontvangst van de dossiers van mr. Van P., alleen de lopende zaken voor klager zou behandelen.

5.19    De raad overweegt dat uit de opdrachtbevestiging d.d. 5 februari 2019 volgt dat verweerster uitsluitend de procedure met betrekking tot de omgangsregeling voor klager zou behandelen. Op enig moment is dat gewijzigd en zou verweerster uitsluitend de overgedragen, lopende zaken voor klager behandelen. Het enkele feit dat klager zelf processtukken en correspondentie opstelde en die aan verweerster toestuurde met het verzoek die stukken te verzenden, maakt nog niet dat op verweerster een verplichting is komen te rusten om die zaken daadwerkelijk te gaan behandelen. Uit het dossier blijkt ook niet dat verweerster op enig moment heeft toegezegd om de procedures die in deze klachtonderdelen door klager worden genoemd, ook daadwerkelijk te zullen starten. Daar staat tegenover dat het de taak is van een advocaat om volstrekte duidelijkheid aan de cliënt te geven over wat wel en niet in behandeling genomen wordt genomen. Op basis van de stukken is het voor de raad niet mogelijk om vast te stellen of klager na de opdrachtbevestiging van 5 februari 2019 en de e-mail van 5 augustus 2019 duidelijk aan cliënt is blijven communiceren welke zaken zij zou behandelen. De e-mail van 17 januari 2020 van klager geeft daar geen blijk van, want daarin stuurt klager weer een groot aantal zaken naar verweerster. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat verweerster schriftelijk heeft laten weten dat zij deze zaken niet zou behandelen. De klachtonderdelen zijn dan ook deels gegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerster heeft aan klager onvoldoende duidelijk – schriftelijk – vastgelegd welke zaken zij voor hem zou gaan behandelen. Dit valt haar tuchtrechtelijk te verwijten. De raad houdt rekening met het feit dat zij overspoeld werd door een permanente stroom van zelf door klager op gestelde processtukken voor allerlei door hem gewenste aanhangig te maken procedures. De raad acht in de gegeven omstandigheden een waarschuwing passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klager,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel 3 tot en met 10 deels gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

Aldus beslist door mr. C. Kraak, voorzitter, mrs. E.M.J. van Nieuwenhuizen en A. de Groot, leden, bijgestaan door mr. C.C. Horrevorts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021. 

Griffier    Voorzitter

Verzonden