Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:172 Raad van Discipline Amsterdam 21-496/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:172
Datum uitspraak: 19-07-2021
Datum publicatie: 26-07-2021
Zaaknummer(s): 21-496/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Op grond van het klachtdossier kan niet worden vastgesteld dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat die onjuist zijn. Dat klaagster het niet eens is met de argumenten en stellingen van verweerder in zijn (proces)stukken, met name over de vraag of sprake is van paulianeus handelen, is inherent aan een gerechtelijke procedure. Het is aan klaagster om zich daartegen in die procedure te verweren, hetgeen zij ook heeft gedaan. Dat verweerder een op voorhand kennelijk onjuist standpunt heeft ingenomen, is niet gebleken.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  19 juli 2021

in de zaak 21-496/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:   

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 3 juni 2020 met kenmerk 1187124/EJH/YH, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Verweerder staat mevrouw S bij in een arbeidsgeschil met haar werkgever (hierna: de werkgever). Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 27 februari 2020 heeft de kantonrechter de werkgever onder andere veroordeeld aan mevrouw S haar (achterstallig) loon te voldoen en de werkgever veroordeeld in de proceskosten van mevrouw S. De werkgever heeft op 26 mei 2020 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking.

1.2    De werkgever was voorheen gevestigd op hetzelfde adres als klaagster. De werkgever en klaagster hebben dezelfde (directe of indirecte) bestuurders, de heer V en mevrouw De V. Verweerder heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter conservatoir paulianabeslag doen leggen op de winkelinventaris en voorraad bij klaagster.

1.3    Voorafgaand aan het verlenen van verlof heeft de voorzieningenrechter partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk toe te lichten met conclusies van repliek en dupliek. De werkgever heeft verstek laten gaan, klaagster heeft wel verweer gevoerd. In de beschikking van 9 april 2020 heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:

“[Mevrouw S] stelt dat zij een vordering heeft op [de werkgever] uit hoofde van een beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2020. Verder stelt zij dat [de werkgever] paulianeus haar winkelvoorraden en bedrijfsinventaris heeft overgedragen aan [klaagster] (…) [Klaagster] betwist dat en voert aan dat [mevrouw S] daarvoor geen bewijs heeft.

[Mevrouw S] heeft echter voorshands aannemelijk gemaakt dat [de werkgever] geen verhaal biedt voor haar vordering (…) Tevens is aannemelijk dat de (direct of indirect) bestuurder van [de werkgever] en [klaagster] [de heer V] en/of zijn partner [De V] zijn. In haar verweer heeft [klaagster] niet uitgelegd hoe de exploitatie van de winkel in Amsterdam is overgegaan van [de werkgever] naar [klaagster]. Daardoor ontbeert haar betwisting overtuiging.

De vordering van [mevrouw S] is dan ook als summierlijk deugdelijk aan te merken (…) Het gevraagde verlof om conservatoir beslag te mogen leggen zal worden verleend, met dien verstande dat het beslag op de inventaris en voorraden wordt beperkt tot een executiewaarde van € 60.000,--“

1.4    Op 2 juni 2020 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft op ondeugdelijke gronden beslag gelegd.

b)    Verweerder heeft onjuiste informatie aan de voorzieningenrechter verstrekt.

3    VERWEER

3.1    Verweerder voert tegen de klacht verweer. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerder als advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat de advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdelen a) en b)

4.2    De klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3    Klaagster verwijt verweerder dat hij in samenspraak met de deurwaarder de voorzieningenrechter bewust onjuiste informatie heeft verstrekt, waardoor de cliënte van verweerder beslag heeft kunnen leggen bij een vennootschap die helemaal geen partij is in het geschil tussen mevrouw S en de werkgever, en die ook nog eens op een ander adres gevestigd is. Voor dit beslag heeft de rechter bovendien geen toestemming gegeven. Verweerder heeft zijn standpunt dat sprake is van paulianeus handelen op geen enkele manier onderbouwd, aldus klaagster.

4.4    Verweerder voert – samengevat - het volgende aan. Mevrouw S heeft getracht de beschikking van de kantonrechter te executeren. Executoriaal beslag op de bankrekening van de werkgever bleek niet mogelijk, omdat er geen saldo aanwezig was. De deurwaarder wilde vervolgens executoriaal beslag leggen op de voorraden en winkelinventaris van de modewinkel van de werkgever. Dat lukte niet omdat klaagster, die net als de werkgever een vennootschap is waar de heer V en mevrouw D V (direct of indirect) bestuurders van zijn, zich inmiddels op het adres van de werkgever had gevestigd; de werkgever had zijn domicilie op 15 oktober 2019 naar Apeldoorn verplaatst. De deurwaarder trof in Apeldoorn geen verhaalbaar vermogen van de werkgever aan; de werkgever bleek een leeg gemaakte vennootschap te zijn. Mevrouw S houdt de werkgever en klaagster aansprakelijk voor deze handeling die crediteuren van de werkgever, waaronder mevrouw S, heeft benadeeld. Uit onderzoek van mevrouw S is gebleken dat de activa van de werkgever zich nog steeds bevinden in de modewinkel waar thans klaagster is gevestigd. Daarom heeft mevrouw S als benadeelde schuldeiseres op die voorraad en winkelinventaris, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter, paulianabeslag gelegd. De stelling van mevrouw S dat de werkgever in vereniging met klaagster vermogen aan het verhaal van mevrouw S heeft onttrokken is door de voorzieningenrechter voorshands als deugdelijk beoordeeld, aldus verweerder.

4.5    De voorzitter overweegt als volgt. Klaagster heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat verweerder onjuiste informatie aan de voorzieningenrechter heeft verstrekt. Van klaagster had mogen worden verwacht dat zij een en ander nader zou concretiseren. Dat heeft zij niet gedaan. Op grond van het klachtdossier kan niet worden vastgesteld dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat die onjuist zijn. Dat klaagster het niet eens is met de argumenten en stellingen van verweerder in zijn (proces)stukken, met name over de vraag of sprake is van paulianeus handelen, is inherent aan een gerechtelijke procedure. Het is aan klaagster om zich daartegen in die procedure te verweren, hetgeen zij ook heeft gedaan. Dat verweerder een op voorhand kennelijk onjuist standpunt heeft ingenomen, is niet gebleken. Integendeel, de voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder tot twee keer toe voorshands als deugdelijk beoordeeld.

4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H. Dubois, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2021.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op 19 juli 2021