Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:107 Raad van Discipline Amsterdam 20-987/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:107
Datum uitspraak: 17-05-2021
Datum publicatie: 17-06-2021
Zaaknummer(s): 20-987/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij is ongegrond; verweerder heeft voldaan aan de zorgvuldigheid die van hem mag worden verwacht bij het nemen van executiemaatregelen  en is niet verantwoordelijk voor de omstandigheid dat de deurwaarder bij de beslaglegging geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 17 mei 2021

in de zaak 20-987/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 8 juli 2020 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 10 december 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2020-1211699/EJH/AvO van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 april 2021. Daarbij was verweerder aanwezig; klaagster en haar gemachtigde waren met bericht (van 30 maart 2021) niet aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Verder heeft de raad kennisgenomen van nagekomen stukken aan de zijde van klaagster. Het gaat om een e-mail van 23 december 2020, een e-mail van 31 december 2020 met bijlage, een e-mail van 3 januari 2021 met bijlagen, twee e-mails van 11 januari 2021 met bijlagen, een e-mail van 10 maart 2021, een e-mail van 16 maart 2021 en een e-mail van 18 maart 2021. Ook heeft de raad kennisgenomen van de namens klaagster ingediende pleitnotitie. Tot slot heeft de raad kennisgenomen van een e-mail van verweerder van 24 maart 2021 met bijlage.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster verbleef in een van de vakantieappartementen van de cliënte van verweerder. Nadat de huurovereenkomst was beëindigd, per 31 augustus 2017, weigerde klaagster het appartement te verlaten. Verweerder heeft namens zijn cliënte in kort geding de ontruiming van het appartement gevorderd, alsmede betaling van de (geringe) huurachterstand.

2.3    Bij vonnis in kort geding van 22 november 2017 (hierna ook: het vonnis) heeft de kantonrechter - kort gezegd - klaagster veroordeeld om het vakantieappartement te ontruimen en te verlaten onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag, aan verhuurster € 1.000,- te betalen voor iedere maand of gedeelte van een maand dat klaagster het vakantieappartement gebruikt vanaf 1 november 2017 en de proceskosten van de cliënte van verweerder van € 951,99 te betalen.

2.4    Bij e-mail van 24 november 2017 heeft verweerder bij de toenmalige gemachtigde van klaagster geïnformeerd of klaagster voornemens was vrijwillig uitvoering te geven aan het vonnis ter voorkoming van betekening daarvan door de deurwaarder. Verweerder heeft verder verzocht in dat geval te bewerkstelligen dat klaagster conform het vonnis uiterlijk op 28 november 2017 het vakantieappartement zou hebben ontruimd. Daarnaast heeft verweerder verzocht te bewerkstellingen dat klaagster voor 28 november 2017 de gebruikskosten van het appartement voor de maand november 2017 van € 1.000,- zou overmaken op de derdenrekening van verweerder, alsmede de proceskosten van € 951,99 waarin zij was veroordeeld.

2.5    Bij e-mail van dezelfde datum heeft de toenmalige gemachtigde van klaagster gereageerd. Uit die reactie volgt dat klaagster niet voornemens was om vrijwillig (volledige) uitvoering te geven aan het vonnis en dat klaagster op 23 november 2017 de gebruikskosten van €1.000,- voor de maand november 2017 had overgemaakt naar de cliënte van verweerder.

2.6    Verweerder heeft nog op dezelfde datum bij e-mail aan de deurwaarder medegedeeld dat klaagster € 1.000,- had betaald aan gebruikskosten, zodat dat bedrag niet gevorderd hoefde te worden.

2.7    Op 30 november 2017 heeft de deurwaarder aan klaagster de grosse van het vonnis betekend.

2.8    De toenmalige  gemachtigde van klaagster heeft in 2017 namens klaagster een klacht tegen verweerder ingediend. Deze klacht is ingetrokken.

2.9    Op 8 juli 2020 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    Verweerder een onjuiste vordering heeft uitbesteed aan de deurwaarder en zich schuldig heeft gemaakt aan malversaties.

b)    Verweerder heeft miskend dat de deurwaarder bij de executie fouten heeft gemaakt, welke fouten voor rekening komen van verweerder.  

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

5.1    De raad overweegt als volgt. Klaagster heeft toegelicht dat de (aan de deurwaarder uitbestede) vordering niet klopt omdat zij de gebruiksvergoeding over de maanden november en december 2017 heeft betaald. In het klachtdossier zit een bericht van de deurwaarder aan verweerder van 3 augustus 2020 over de stand van de vordering op klaagster. Hierin is een bedrag van € 2.000,- opgenomen voor de gebruiksvergoeding over november en december 2017. Verweerder heeft erkend dat klaagster dit bedrag heeft voldaan. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de raad evenwel niet dat verweerder een onjuiste vordering heeft uitbesteed aan de deurwaarder en zich schuldig heeft gemaakt aan malversaties, zoals klaagster hem verwijt. Meteen nadat verweerder op 24 november 2017 had vernomen dat klaagster de gebruikersvergoeding over de maand november 2017 aan zijn cliënte had betaald, heeft hij de deurwaarder hiervan in kennis gesteld en hem medegedeeld dat dit bedrag niet gevorderd hoefde te worden. De deurwaarder heeft bij het betekenen van de grosse van het vonnis 30 november 2017 de gebruiksvergoeding opgenomen als een post pro memorie. Dat de deurwaarder blijkens het ‘standbericht’ van 3 augustus 2020 ondanks de kennisgeving van verweerder van 24 november 2017 de gebruiksvergoeding over november 2017 in de vordering heeft opgenomen kan verweerder in de gegeven omstandigheden niet worden verweten. Evenmin kan verweerder worden verweten dat de gebruiksvergoeding over december 2017 in de vordering is opgenomen. Klaagster heeft, naar onbetwist is gesteld, dit bedrag destijds betaald aan de cliënte van verweerder. Niet is gebleken dat verweerder hiervan destijds op de hoogte is gesteld. De raad neemt voorts bij het bovenstaande nog in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft vermeld dat hij van de deurwaarder elke 5 tot 6 maanden een ‘standbericht’ ontvangt dat hij doorstuurt naar klaagster en dat hij van klaagster daarop nooit een reactie heeft ontvangen. Overigens heeft op 17 september 2020 de deurwaarder klaagster geschreven dat verweerder hem heeft verzocht om de vordering te verminderen met de gebruiksvergoeding over de maanden november 2017 en december 2017, waarmee de nog openstaande vordering op € 3.922,90 komt.

5.2    Alles overziende is de raad van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan de zorgvuldigheid die van hem verwacht mag worden bij het executeren van een vordering. Dat klaagster, naar gesteld, nog recht heeft op teruggave van een deel van de door haar aan de cliënte van verweerder betaalde borg maakt dit niet anders. Niet is namelijk gebleken dat klaagster verweerder hierover al eerder, buiten de klachtprocedure om, heeft geïnformeerd. Dat klaagster de gebruiksvergoeding over de maanden november 2017 en december 2017 heeft voldaan, betekent, anders dan zij lijkt te veronderstellen, niet dat de cliënte van verweerder helemaal geen vordering meer op haar heeft. Er zijn immers dwangsommen verbeurd omdat klaagster niet tijdig - uiterlijk 28 november 2017 - uit het vakantieappartement is vertrokken en klaagster is veroordeeld in de proceskosten van de cliënte van verweerder, zoals volgt uit het vonnis. De conclusie is dat klachtonderdeel a) ongegrond is.

Klachtonderdeel b)

5.2    Klaagster heeft er bij dit klachtonderdeel op gewezen dat de deurwaarder bij de beslaglegging geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De raad volgt niet het standpunt van klaagster dat verweerder als opdrachtgever hiervoor verantwoordelijk is. Voor klaagster stond de mogelijkheid open om tegen de deurwaarder een klacht hierover in te dienen, hetgeen zij ook heeft gedaan. Blijkens het opgemaakte proces-verbaal van de behandeling van die klachtzaak ter zitting heeft die klacht erin geresulteerd dat aan klaagster een bedrag van € 4.468,- is gerestitueerd. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.  

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart beide klachtonderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr.  P.M. Wamsteker, voorzitter, mrs. D. Horeman en G. Kaaij, leden, bijgestaan door mr. I.R. van der Veen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2021.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 17 mei 2021

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.